← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.7 Rolnummer: P.04.1032.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 479 - laatst gezien 2026-07-04 11:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het oordeel van het Arbitragehof, dat bij arrest nr 136/2004 van 22 juli 2004, in antwoord op een prejudiciële vraag, voor recht zegt dat het artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals ingevoegd bij decreet van 4 juni 2003, de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet schendt, is niet onverenigbaar met de wil van de decreetgever, zoals bepaald in voormeld artikel 146, derde lid, om, behoudens de gevallen bepaald in dit artikel, de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, niet verder te doen gelden; voormelde wetsbepaling behoudt, mede in acht genomen de door het Arbitragehof vastgestelde schendingen, in zoverre haar rechtskracht

(1)
(2).
(1)Arbitragehof, nr 136/2004, 22 juli 2004 (B.S. 19 okt. 2004 - eerste uitgave).
(2)Het artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 werd ingevoegd door artikel 7 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 4 juni 2003, houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft, dat in werking trad op 22 aug. 2003 (B.S., 22 aug. 2003). Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Instandhouding van inbreuken Artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 Wil van de decreetgever om de strafsanctie niet verder te doen gelden Arrest waarbij het Arbitragehof oordeelt dat deze bepaling de Grondwet schendt Verenigbaarheid van het oordeel van het Arbitragehof met de wil van de decreetgever Tekst van de beslissing Nr. P.04.1032.N GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, bevoegd voor het grondgebied van de provincie Antwerpen, met kantoor te Antwerpen, Copernicuslaan 1, bus 9, eiser tot herstel, met als raadsman Mr. Johan Claes, advocaat bij de balie te Antwerpen, ter zitting bijgestaan door Mr. Pieter Van Assche, advocaat bij de balie te Gent, voor Mr. Johan Claes, advocaat bij de balie te Antwerpen, tegen M. L. M. A. J. G., verweerder, beklaagde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 9 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie een middel voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals ingevoegd bij decreet van 4 juni 2003, bepaalt dat de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, niet geldt voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, voor zover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voor zover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg; Overwegende dat het Arbitragehof bij arrest nr. 136/2004 van 22 juli 2004, in antwoord op een prejudiciële vraag, voor recht zegt dat voormeld artikel 146, derde lid, de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet schendt; dat uit de motivering blijkt dat de omschrijving "onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder voor de omwonenden" en de omschrijving "ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg" geen voldoende nauwkeurige normatieve inhoud hebben om het in voormeld artikel 146 bepaalde misdrijf van instandhouding te kunnen definiëren; Overwegende dat dit oordeel van het Arbitragehof niet onverenigbaar is met de wil van de decreetgever, zoals bepaald in voormeld artikel 146, derde lid, om, behoudens de gevallen bepaald in dit artikel, de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, niet verder te doen gelden; Dat, mede in acht genomen de door het Arbitragehof vastgestelde schendingen van de Grondwet, voormelde wetsbepaling in zoverre haar rechtskracht behoudt; Dat het middel faalt naar recht; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van vierennegentig euro tachtig cent, waarvan vierenzestig euro tachtig cent verschuldigd en dertig euro door eiser betaald. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van drieëntwintig november tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.7 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.34 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.