← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.8 Rolnummer: P.04.0860.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-06-22 Raadplegingen: 425 - laatst gezien 2026-07-04 20:40 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Noch artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003, noch enig ander wetsartikel bepaalt dat het herstel van de plaats in de vorige toestand dat vóór 22 augustus 2003 werd gevorderd, door de stedenbouwkundige inspecteur opnieuw moet worden gevorderd of dat zijn vorige vordering aan de nieuwe wet moet worden aangepast

(1).
(1)Het artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 werd gewijzigd door artikel 8 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 4 juni 2003, houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wat het handhavingsbeleid betreft, dat in werking trad op 22 aug. 2003 (B.S. 22 aug. 2003). Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Artikel 149, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 Herstelvordering die dateert van voor deze wijziging Fiche 2 Krachtens het artikel 149, ,§ 1, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 2 juni 2003, is één der vereisten opdat voor de aldaar bepaalde misdrijven in principe steeds het middel van de meerwaarde kan worden aangewend, dat het misdrijf niet behoort tot één van de in 1° tot 3° bepaalde gevallen, hieruit volgt dat wanneer het bewezen verklaarde misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het gewestplan, ook krachtens het nieuwe herstelbeleid de maatregel van meerwaarde niet kan worden aangewend en de voordien gevorderde maatregel van kracht blijft en geen nieuwe beoordeling van het vorderende bestuur behoeft. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Artikel 149, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 Principiële toepassing van het middel van de meerwaarde Uitzondering Herstelvordering die dateert van voor deze wijziging Tekst van de beslissing Nr. P.04.0860.N L. L. A., eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr. Katia Bouve, advocaat bij de balie te Brugge en Mr. Etienne Cooreman, advocaat bij de balie te Dendermonde. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 23 april 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
  1. Eerste middel 1.
  2. Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003, noch enig ander wetsartikel bepaalt dat het herstel van de plaats in de vorige toestand dat vóór 22 augustus 2003 werd gevorderd, door de stedenbouwkundige inspecteur opnieuw moet worden gevorderd of zijn vorige vordering aan de nieuwe wet moet worden aangepast; Overwegende dat krachtens het gewijzigde artikel 149, ,§ 1, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, één der vereisten opdat voor de aldaar bepaalde misdrijven in principe steeds het middel van de meerwaarde kan worden aangewend, is dat het misdrijf niet behoort tot één van de in 1° tot 3° bepaalde gevallen; Dat hieruit volgt dat wanneer het bewezen verklaarde misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het gewestplan, ook krachtens het nieuwe herstelbeleid de maatregel van meerwaarde niet kan worden aangewend en de voordien gevorderde maatregel van kracht blijft, en geen nieuwe beoordeling van het vorderende bestuur behoeft; Dat het aan de rechter toekomt de wettigheid van de gevorderde maatregel overeenkomstig het nieuwe herstelbeleid te onderzoeken, zonder dat daarvoor een nieuwe vordering of een aanpassing van de motivering noodzakelijk is; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat voor het overige, het onderdeel niet preciseert welke prejudiciële vraag het Hof aan het Arbitragehof zou moeten stellen; Dat het onderdeel in zoverre wegens onnauwkeurigheid, niet ontvankelijk is; 1.
  3. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel geheel opkomt tegen de vaststelling in feite van de appèlrechters dat de motivering van de herstelvordering van de gemachtigde ambtenaar, die werd ingesteld vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging van 4 juni 2003, afdoende is, en het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is; 1.
  4. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel geheel is afgeleid uit de vorige vergeefs aangevoerde onderdelen; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is;
  5. Tweede middel 2.
  6. Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters het in het onderdeel bedoelde stuk niet uitleggen, mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 2.
  7. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters niet vaststellen dat de betrokken woning niet onder de "woonkorrel Lambroekstraat," zoals vermeld op het door de eiser voorgelegde plan, zou vallen maar vaststellen dat de stukken, waaronder de foto's en het kadastraal plan, niet aannemelijk maken dat hetgeen in het ruimtelijk structuurplan van de gemeente Wetteren, waarnaar eiser verwijst, is vermeld met betrekking tot de Lambroekstraat ook betrekking heeft op het perceel waarop de wederrechtelijke constructie werd opgericht en instandgehouden; Dat het onderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van tweeënzeventig euro tachtig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van drieëntwintig november tweeduizend en vier, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.8 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.