id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041202.10 Rolnummer: C.04.0092.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-03-28 Raadplegingen: 192 - laatst gezien 2026-07-03 16:05 Versie(s): Vertaling FR Fiche De exploitatie van een landbouwbedrijf vereist niet dat de pachter zelf handenarbeid verricht
(1).
(1)Zie E. Stassijns, Pacht, A.P.R., 390, nr
- Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Begrip. Aard van wetgeving Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Begrip. Aard van wetgeving Landbouwbedrijf Exploitatie Vereiste Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art.1,1° Tekst van de beslissing Nr. C.04.0092.N M. A., eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Vilain XIIII-straat 17, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- V. A.,
- V. G.,
- D. J.,
- V. L.,
- V. F., verweerders, I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 16 januari 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1, (zoals vervangen bij artikel 1 van de wet van 7 november 1988), 29 en 30, (zoals dit laatste vervangen werd bij artikel 18 van de wet van 7 november 1988), van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen (boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling III van het Burgerlijk Wetboek), hierna "de Pachtwet" genoemd ; het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel, zoals neergelegd o.m. in artikel 1138 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis "Verklaart het beroep van (eiseres) ontvankelijk, doch ongegrond, en bevestigt volledig het bestreden vonnis ; Veroordeelt (eiseres) tot de kosten van het hoger beroep, aan haar zijde niet te begroten aangezien deze kosten ten hare laste blijven, en aan de zijde van geïntimeerden vereffend op : - rechtsplegingsvergoeding : 334,66 euro (...)" ; op grond van de motieven (p. 4-5) : "(...) De rechtbank is van oordeel dat (eiseres) niet bewijst dat ('appellante', lees : wijlen M. D.) in de onmogelijkheid was de gepachte gronden te exploiteren. Integendeel, uit de door (verweerders) voorgelegde stukken blijkt duidelijk dat wijlen M. D. na het overlijden van haar zoon E. V. op 9 juni 2000 midden het landbouwseizoen, de landbouwexploitatie verder gezet heeft (...); Dat zij daarbij beroep deed op de hulp van haar zoon F. V. (...) en verschillende loonwerkers (...), doet geen afbreuk aan deze eigen landbouwexploitatie door M. D.. De vaststelling dat (verweerders) het bewijs niet voorleggen dat wijlen M.D. melding gemaakt heeft van deze landbouwexploitatie aan haar pensioenkas en aan de directe belastingen, en de vaststelling dat o.a. in de registratie van de mestbank enkele maanden na het overlijden van E.D. diens naam nog vermeld wordt, doet evenmin afbreuk aan deze daadwerkelijke landbouwexploitatie door wijlen M.D.. Hierboven werd reeds vastgesteld dat wijlen M.D. na het overlijden van haar zoon midden het landbouwseizoen, de landbouwexploitatie zelf verder gezet heeft. Door deze landbouwexploitatie is een onderpacht van de verpachte percelen uitgesloten. De rechtbank komt dan ook tot het besluit dat (eiseres) niet bewijst dat wijlen M.D. als pachter een wanprestatie begaan heeft, die de ontbinding van de pacht ten laste van (verweerders) kan rechtvaardigen". Grieven Krachtens het aangehaalde artikel 1, 1°, van de Pachtwet, is zij van toepassing op "landbouwbedrijven", zijnde "de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop". Artikel 29, eerste lid, van de Pachtwet, bepaalt : "Indien de pachter van een landeigendom dit niet voorziet van de dieren en het gereedschap nodig voor het bedrijf, indien hij met de bebouwing ophoudt, indien hij bij de bebouwing niet als een goed huisvader handelt, indien hij het gepachte voor een ander doel aanwendt dan waartoe het bestemd was, of, in het algemeen, indien hij de bepalingen van de pachtovereenkomst niet nakomt, en daardoor schade ontstaat voor de verpachter, kan deze, naar gelang van de omstandigheden, de pachtovereenkomst doen ontbinden". Het aangehaalde artikel 30 van de Pachtwet bepaalt dat : "(...) de pachter van landeigendommen noch het gepachte goed geheel of ten dele in onderpacht (mag) geven, noch zijn pacht geheel of ten dele aan anderen (mag) overdragen (...)". Uit het samenlezen van deze bepalingen volgt dat de pachter in de eerste plaats de verplichting heeft om het gepachte landeigendom zelf te exploiteren, hetgeen inhoudt, niet alleen dat hij de werkelijke leiding van het bedrijf opneemt, maar bovendien vereist dat hij persoonlijk zelf als "boerende boer" deelneemt aan het productieproces, ook al kan hij zich hierbij deels laten bijstaan door loonwerkers of zijn aangestelden. Hij die zelf geen handenarbeid verricht, niet deelneemt aan het productieproces van de bedrijfsmatig voort te brengen landbouwproducten en derhalve tekort komt aan de verplichting van de pachter om persoonlijk te moeten exploiteren. Verweerders stelden in hun beroepsbesluiten gedateerd op 27 november 2002 op p. 2 zelf dat hun moeder in de betrokken periode van 9 juni 2000, datum waarop zij de hoedanigheid van pachter verwierf ingevolge erfopvolging, tot 8 juli 2001, datum van haar overlijden, daadwerkelijk zelf geen handenarbeid meer heeft verricht : "Het echter niet is omdat men 79 jaar oud is dat men niet meer zou kunnen boeren. De pachtwet vereist geenszins dat men daadwerkelijk zelf handenarbeid verricht, doch wel dat men de leiding neemt van het bedrijf. Men kan zich immers laten bijstaan door bevoegden. Wijlen mevrouw D heeft zich laten bijstaan door haar zoon F.D.. Wijlen mevrouw D. is tot 1996 op de hofstede gebleven alwaar zij steeds heeft geboerd samen met wijlen haar zoon E.D.." Niet de bodemrechter bepaalt het feitenbestand, maar wel de partijen, in uitvoering van de rol die hen toekomt krachtens het beschikkingsbeginsel. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis onwettig beslist dat wijlen Mevrouw D. in de periode van 9 juni 2000 tot 8 juli 2001 de landbouwexploitatie zelf heeft verder gezet, en dus niet te kort is gekomen aan haar verplichting tot persoonlijke exploitatie als pachter zonder onderverpachting, wanneer uit het door partijen aangebrachte en door verweerders bevestigde feitenbestand blijkt dat wijlen Mevrouw D. sedert 1996 de hofstede heeft verlaten en sedertdien zelf geen handenarbeid meer heeft verricht in het litigieuze landbouwbedrijf (schending van het algemeen rechtsbeginsel houdende het beschikkingsbeginsel), zonder welke persoonlijke handenarbeid betrokkene tekort kwam aan haar verplichting als pachter zelf het landbouwbedrijf te exploiteren (schending van de aangehaalde bepalingen van artikel 1, 29 en 30 van de Pachtwet) en derhalve de beslissing dat eiseres niet bewijst dat Mevrouw D. als pachter een wanprestatie heeft begaan niet wettig verantwoordt (schending van artikel 29 van de Pachtwet). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat het middel ervan uitgaat dat degene die zelf geen handenarbeid verricht, niet deelneemt aan het productieproces van de bedrijfsmatig voort te brengen landbouwproducten en derhalve tekort komt aan de verplichting van de pachter om persoonlijk te moeten exploiteren ; Dat de in artikel 1, 1°, van de Pachtwet, bepaalde exploitatie niet vereist dat de pachter zelf handenarbeid verricht ; Dat het middel in zoverre faalt naar recht ; Overwegende, verder, dat het bestreden vonnis het verweer van de verweerders dat wijlen M.D geen handenarbeid op de hoeve heeft verricht en de hoeve verlaten heeft sedert 1996, niet tegenspreekt ; Dat het bestreden vonnis evenwel oordeelt dat wijlen M.D. de leiding had van het landbouwbedrijf ; Dat het bestreden vonnis aldus het beschikkingsbeginsel niet miskent ; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende verder dat de aangevoerde schending van de artikelen 29 en 30 van de Pachtwet, volledig is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 1, 1°, van de Pachtwet ; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd zestien euro zevenenveertig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twee december tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041202.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div