← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.3 Rolnummer: S.03.0133.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 167 - laatst gezien 2026-07-03 15:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepaling van artikel 2, ,§ 1 van de Sluitingsfondswet, die een onderscheid maakt tussen eensdeels lonen en anderdeels vergoedingen en voordelen, volgt dat vergoedingen en voordelen niet begrepen zijn in de lonen zoals in deze wetsbepaling bedoeld; het Sluitingsfonds dient slechts de vergoedingen en voordelen te betalen in zoverre die verschuldigd zijn krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Thesaurus CAS: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMINGEN Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMINGEN Sluitingsfonds Opdracht Verruiming Betaling Lonen Vergoedingen en voordelen Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - Art.2,§1 Tekst van de beslissing Nr. S.03.0133.N.- FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen B. R., verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 september 2003 gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 1 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers ; - artikel 2, ,§ 1, van dezelfde wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers (zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1971 en later vervangen bij wet van 30 maart 1976) ; - voor zoveel als nodig de artikelen 2, inzonderheid vijfde lid, en 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, zoals gewijzigd bij wet van 28 juli 1971 en, wat artikel 2 betreft, vóór zijn wijziging bij wet van 2 augustus 2002 ; - voor zoveel als nodig, artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, voor zijn wijziging bij wet van 22 mei

  1. Bestreden beslissing Het arbeidshof bevestigt in het bestreden arrest van 11 september 2003 de beslissing van de eerste rechter en sluit zich aan bij diens motieven. De eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Hasselt verklaarde in het vonnis van 8 mei 2002 de vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde huidig eiser tot betaling aan verweerder van 381,31 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van neerlegging van het inleidend verzoekschrift. De arbeidsrechtbank veroordeelde eiser in de kosten. Het arbeidshof veroordeelt eiser tot de kosten in hoger beroep. Het arbeidshof motiveert zijn beslissing als volgt : "(Verweerder) was tewerkgesteld bij de N. V. Inter Technics Industries te Overpelt voor de periode van 1 december 1990 tot 20 juli 1994, datum waarop de voormelde firma failliet werd verklaard. Op 21 februari 1995 levert de curator van het faillissement aan (verweerder) het formulier BC 901 A af voor tussenkomst in betaling van de achterstallige lonen, eindejaarspremie, opzeggingsvergoeding, bijkomend vakantiegeld en verplaatsingskosten (reis- en mobiliteitsvergoedingen) voor de maanden juni en juli 1994, welke laatste als volgt gespecifieerd werden: 06/94: 16 dagen x 63 km x 7,2 fr./km=
  2. 246 BEF 07/94 4 dagen x 210 km x 7,2 fr./km= 6.048 BEF 1 dag x 290 km x 7,2 fr./km=
  3. 088 BEF "Artikel 2, ,§ 1, van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Sluitingsfonds bepaalt : 'Wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 28 juni 1966, de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, dient het fonds hen te betalen : 1° de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten ; 2° de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten...' Volgens het verslag in de Senaat is het begrip 'loon' zoals gehanteerd door de Sluitingswet van 1967 hetzelfde als in de Loonbeschermingswet (Parl. Stukken. Senaat, 1970-1971, 595, 3). "Het (arbeids)hof blijft op het standpunt dat het loonbegrip in de Sluitingswet van 30 juni 1967 hetzelfde is als dit gehanteerd in de Loonbeschermingswet van 12 april
  4. De Loonbeschermingswet hanteert (..) een ruim loonbegrip, waarin ook de door (verweerder) gevorderde verplaatsingsvergoedingen en mobiliteits-premies zijn begrepen nu het in geld waardeerbare voordelen zijn waarop hij ingevolge de individuele arbeidsovereenkomst recht had. De terugbetaling van kosten die (verweerder) heeft gemaakt als gevolg van de hem opgelegde arbeidsvoorwaarden of -omstandigheden ten laste van de werkgever behoren tot het loon. Anders oordelen zou impliceren dat hij een deel van zijn inkomen verliest om te kunnen werken. Rekening houdend met al hetgeen voorafgaat, dient (eiser) dus ook tussen te komen voor de verplaatsingskosten en de mobiliteitspremies indien de werknemer er ingevolge een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst recht op heeft". "(Eiser) betwist niet dat de werkgever van (verweerder), ingevolge individuele arbeidsovereenkomst, recht had op verplaatsingskosten en mobiliteitspremies. (...)" De arbeidsrechtbank, wiens motieven werden bevestigd door het arbeidshof, oordeelde in dat verband : "Het loonbegrip van de sluitingswet van 1967 is hetzelfde als hetgeen in de loonbeschermingswet geviseerd wordt. Dit ruime loonbegrip slaat op iedere geldsom waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking ten laste van de werkgever recht heeft, en het omvat eveneens de vergoeding voor verplaatsingskosten, evenals een mobiliteitsvergoeding. De rechtbank is van oordeel dat het door de Sluitingswet van 1967 geviseerde loon eveneens een 'reisvergoeding' (verplaatsingskosten ; mobiliteitsvergoeding) behelst". Grieven De wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen voorziet onder bepaalde voorwaarden het recht op een vergoeding wegens ontslag bij sluiting van ondernemingen, in de zin van artikel 2, inzonderheid vijfde lid van de wet. Door artikel 1 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers (hierna gemakshalve Sluitingswet genoemd) wordt de opdracht van het "Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers" dat is opgericht bij artikel 9 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, verruimd overeenkomstig de bepalingen van deze wet. Zo bepaalt artikel 2, ,§ 1, van de Sluitingswet dat wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van voornoemde wet van 28 juni 1966, de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, eiser hun, binnen de krachtens artikel 6 van de Sluitingswet bepaalde grenzen, dient te betalen : 1° de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten ; 2° de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Aldus wordt een onderscheid gemaakt tussen de lonen, die verschuldigd moeten zijn krachtens een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, en de vergoedingen en voordelen die verschuldigd moeten zijn krachtens de wet of een collectieve arbeidsovereenkomst. Een voordeel dat of een vergoeding die toegekend wordt krachtens een individuele arbeidsovereenkomst komt aldus niet in aanmerking voor vergoeding door eiser, niet omdat deze geen loon zouden opleveren in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, doch wel omdat dit voordeel of deze vergoeding in dat geval niet krachtens de door de wet vereiste bron van verbintenissen verschuldigd is. De in betwisting zijnde verplaatsingskosten werden bepaald in een "bedrijfsovereenkomst" van 10 september 1990, waarvan de tekst grotendeels werd geciteerd, zonder op dit vlak te worden betwist door verweerder, in het verzoekschrift tot hoger beroep en in eisers appèlconclusie, waaruit bleek dat het een complexe regeling betrof van verschillende vergoedingen voor verschillende soorten verplaatsingen, waarvan overigens werd gesteld dat de vergoedingen enkel van toepassing waren buiten de werkuren. Aldus betrof het "vergoedingen" of "voordelen" in de zin van artikel 2, ,§ 1, 2°, van de Sluitingswet, zoals overigens door de feitenrechter zelf vastgesteld waar deze overweegt dat verplaatsingsvergoedingen en mobiliteitspremies "in geld waardeerbare voordelen zijn". Aangaande de bron van verbintenis van deze vergoedingen of voordelen stelde de eerste rechter vast dat het ging om een "mededeling van de werkgever aan zijn werknemers d.d. 10 september 1990". Het arbeidshof stelde dat de heer B. "ingevolge individuele arbeidsovereenkomst (...) recht had op verplaatsingskosten en mobiliteits-premies". Er kan aldus niet gesteld worden dat het recht op de bedoelde verplaatsingskosten of mobiliteitspremie voortsproot uit een wet of een collectieve arbeidsovereenkomst zoals vereist door artikel 2, ,§ 1, 2°, van de Sluitingswet, nu de rechter zelf vaststelde dat het voortvloeit uit een "individuele arbeidsovereenkomst". Bedoelde verplaatsingskosten of mobiliteitspremie vielen aldus niet onder de vergoedingen of voordelen tot betaling waarvan eiser, onder de door de wet gestelde voorwaarden, gehouden was. Het arbeidshof veroordeelde eiser ten onrechte tot vergoeding van de gevorderde verplaatsingskosten of mobiliteitspremie. Het arbeidshof schendt dienvolgens alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen. IV. Beslissing van het Hof
  5. Het middel Overwegende dat artikel 2, ,§ 1, van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers bepaalt dat wanneer bij sluiting van een onderneming in de zin van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 28 juni 1966, de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt, het fonds hen dient te betalen : 1° de lonen verschuldigd krachtens de individuele of collectieve arbeidsovereenkomsten ; 2° de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten ; Overwegende dat uit deze bepaling, die onderscheid maakt tussen eensdeels lonen en anderdeels vergoedingen en voordelen, volgt dat vergoedingen en voordelen niet begrepen zijn in de lonen, zoals in deze wetsbepaling bedoeld ; Overwegende dat eiser slechts de vergoedingen en voordelen dient te betalen in zoverre die verschuldigd zijn krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat verweerder reis- en verplaatsingsvergoedingen vordert en dat niet wordt betwist dat hij er ingevolge een individuele arbeidsovereenkomst recht op had ; Dat het oordeelt dat die vergoedingen loon zijn in de zin van voormeld artikel 2, ,§ 1, en op grond hiervan eiser tot betaling ervan veroordeelt ; Dat het arrest aldus voormelde bepaling schendt ; Dat het middel in zoverre gegrond is ;
  6. De kosten Overwegende dat krachtens artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de kosten ten laste van eiser dienen te worden gelegd ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Veroordeelt eiser in de kosten ; Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van driehonderd zesenzeventig euro tweeënzestig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zes december tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.