id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041210.5 Rolnummer: D.04.0007.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-03-23 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-03 15:46 Versie(s): Vertaling FR Fiche Indien de stafhouder van de Nederlandstalige Orde van advocaten bij de balie te Brussel oordeelt dat een tuchtzaak een onderzoek vergt, mag hij, indien hij de tuchtzaak niet zelf onderzoekt, enkel een lid van de raad van de Orde aanstellen om de tuchtzaak te onderzoeken; als het aangestelde lid geen deel meer uitmaakt van de raad van de Orde mag de stafhouder hem niet gelasten het onderzoek voort te zetten
(1)
(2).
(1)Zie Cass., 7 juni 1996, AR D.95.0028.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960607.7.
(2)Het openbaar ministerie was van mening dat bedoeld art. 331 niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven (zie Cass., 17 maart 1988, AR 7994, nr 447) en het cassatiemiddel dus geen doel kon treffen. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Tuchtzaak Raad van de Orde Stafhouder Onderzoek van de zaak Delegatie Tekst van de beslissing Nr. D.04.0007.N K.M., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Poelaertplein 1, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de tuchtraad van beroep van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel van 29 maart
- II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 456 en 457 van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 331 van de "Deontologische Regelen en Huishoudelijk Reglement" van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, zoals van toepassing sedert 31 augustus 2000 en voor zoveel als nodig artikel 338 van deze deontologische regelen, zoals van toepassing vóór die datum. Aangevochten beslissingen Eiser komt op tegen de bestreden beslissing in zoverre zijn hoger beroep daarin ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing van de raad van de Orde van 28 april 2003 wordt bevestigd, waarbij de tuchtrechtelijke tenlasteleggingen bewezen worden verklaard en eiser hiervoor als straf gedurende één jaar van het tableau wordt geschorst, waarbij tevens wordt bepaald dat hij gedurende die periode geen recht heeft om deel te nemen aan de verkiezingen van de stafhouder, vice-stafhouder en de leden van de raad van de orde, hetzij door het uitbrengen van een stem, hetzij door kandidaatstelling. De tuchtraad van beroep baseert zich daarbij onder meer op de volgende overwegingen : "( ...) Geldende regelgeving ; Krachtens artikel 457 Ger. W. neemt de raad van de Orde door toedoen van de stafhouder kennis van de tuchtzaken, hetzij ambtshalve, hetzij op klacht, hetzij op schriftelijke aangifte door de procureur-generaal ; Het initiatiefrecht tot het al dan niet instellen van een tuchtzaak tegen een advocaat berust uitsluitend bij de stafhouder die daarin noch partij noch rechter is ; Het gebruikelijke onderzoek door de stafhouder - van hetwelk terloops melding wordt gemaakt in artikel 461 Ger. W - is aan geen enkel wettelijk voorschrift onderworpen. De in de huishoudelijke reglementen van de Orden uitgewerkte tuchtrechtelijke procedures en meer in het bijzonder de bepaling volgens dewelke bij de stafhouder door een verslaggever schriftelijk verslag moet worden uitgebracht zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid (Cass., 17 maart 1988, Arr. Cass., 1987-88, 937) ; Hetzelfde principe geldt ten aanzien van de hoedanigheid van de verslaggever die eventueel door de stafhouder kan worden belast met de uitvoering van een aan de beslissing van de stafhouder tot het al dan niet aanhangig maken van een tuchtzaak voorafgaand voorbereidend onderzoek alsmede de wijze waarop de betrokken advocaat op de hoogte wordt gesteld van het instellen van een onderzoek door een door de stafhouder aangestelde verslaggever ; (...) Toetsing van de regelgeving aan de door (eiser) ingeroepen middelen inzake de aangevoerde onregelmatigheid van het gevoerde tuchtonderzoek ; Artikel 331 van de deontologische regelen en huishoudelijk reglement van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel waarop (eiser) zich beroept bepaalt : 'Art. 331 indien de stafhouder oordeelt dat een tuchtzaak een onderzoek vergt, dan brengt hij de betrokken advocaat hiervan schriftelijk op de hoogte. Hij onderzoekt de zaak en treedt op als verslaggever of hij kan een lid van de raad van de Orde gelasten met het onderzoek en hem aanstellen tot verslaggever. De stafhouder en de verslaggever nemen geen deel aan het beraad noch aan de uitspraak'. De tuchtraad van beroep kan als algemene opmerking het standpunt bijtreden dat wanneer door een Orde van advocaten bijkomende procedureregels inzake de tuchtrechtspleging worden uitgewerkt haar organen erop dienen toe te zien dat zij worden nageleefd ; Het door (eiser) ontwikkeld argument dat het gevoerde tuchtonderzoek onregelmatig zou zijn omdat de verslaggever Mr. P.C. niet langer de hoedanigheid van lid van de raad van de Orde had op het ogenblik dat hij met een onderzoek van bijkomende dossiers of volgens (eiser) met een nieuw onderzoek nr. 121bis werd belast, faalt evenwel in rechte en in feite ; - in rechte : de in de deontologische regelen en huishoudelijk reglement ('DRHR') van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel uitgewerkte regels inzake de wijze van aanstelling van een eventuele verslaggever (en de wijze waarop het aan de beslissing van de Stafhouder voorafgaande voorbereidend onderzoek wordt gevoerd) zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid (Cass., 17 maart 1988, supra, o.c.) ; - in feite : - op het ogenblik dat Mr. P.C. in 1998 voor het eerst als verslaggever werd aangesteld om een tuchtonderzoek nr. 121 uit te voeren was hij wel degelijk lid van de raad van de Orde ; - in tegenstelling tot wat door (eiser) wordt aangevoerd blijkt nergens dat een eerste in (men leze : 1998) opgestart tuchtonderzoek werd afgesloten ; Mr. P.C. heeft weliswaar een eerste verslag uitgebracht maar er is geen enkel stuk dat erop wijst dat de stafhouder daaropvolgend een beslissing heeft genomen dat er geen aanleiding zou zijn tot het instellen van een tuchtzaak ; uit de gegevens blijkt integendeel dat naar aanleiding van nieuwe dossiers Mr. P.C. verzocht werd het onderzoek met hetwelk hij werd belast verder te zetten ; in tegenstelling tot wat door (eiser) wordt gesteld is er geen 'nieuwe tuchtzaak nr. 121 bis' maar een door de stafhouder opgestart gebruikelijk tuchtonderzoek waarvan het voorwerp naar aanleiding van nieuwe dossiers werd uitgebreid ; Het zou weinig wenselijk geweest zijn en het aan de beslissing van de stafhouder voorafgaand gebruikelijk onderzoek niet ten goede komen, indien omwille van het feit dat een initieel aangestelde verslaggever in de loop van het onderzoek niet langer lid is van de raad van de Orde, zou moeten worden overgegaan tot aanstelling van een nieuwe verslaggever (lid van de raad van de Orde) ; In ieder geval geldt dat er geen op straffe van nietigheid voorgeschreven procedureregel werd geschonden en het terzake door (eiser) aangevoerde middel inzake het gebrek aan hoedanigheid van Mr. P.C. om als verslaggever een tuchtonderzoek uit te voeren ongegrond is" (randnrs. 1.2.1 en 1.2.2 op p. 6-7 van de bestreden beslissing). Grieven Een tuchtrechtelijk onderzoek kan slechts rechtsgeldig worden gevoerd door instanties die daartoe door of krachtens de wet zijn aangesteld. Dienaangaande worden deontologische inbreuken, begaan door een advocaat, overeenkomstig artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek tuchtrechtelijk beteugeld en bestraft door de raad van de Orde. De desbetreffende tuchtzaken worden, overeenkomstig artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek, door de stafhouder bij de raad van de Orde aanhangig gemaakt. In dit verband kan de stafhouder, alvorens de zaak bij de tuchtraad aanhangig te maken, een onderzoek instellen. Deze bevoegdheid van de stafhouder vloeit noodzakelijk voort uit artikel 457 van het Gerechtelijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat een tuchtzaak uitsluitend "door toedoen van de stafhouder" bij de tuchtraad aanhangig kan worden gemaakt. Het desbetreffende voorafgaande onderzoek kan door de stafhouder evenwel ook worden toevertrouwd aan een lid van de raad van de Orde, die krachtens het voormelde artikel 456 immers de enige bevoegde tuchtinstantie is. Dit laatste wordt bevestigd door het te dezen toepasselijke artikel 331 van de "Deontologische Regelen en Huishoudelijk Reglement" van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, dat o.m. voorschrijft dat de stafhouder in voorkomend geval de zaak onderzoekt en optreedt als verslaggever ofwel "een lid van de raad van de Orde (kan) gelasten met het onderzoek en hem aanstellen tot verslaggever". De tuchtraad van beroep kon te dezen dan ook niet wettig ervan uitgaan dat de stafhouder het onderzoek in de onderhavige zaak kon laten uitvoeren door een advocaat die geen lid meer is van de raad van de Orde. Hierdoor schendt de tuchtraad van beroep immers de artikelen 456 en 457 van het Gerechtelijk Wetboek evenals artikel 331 van de "Deontologische Regelen en Huishoudelijk Reglement" van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel. In dit verband merkt de tuchtraad van beroep niet pertinent op dat de mogelijkheid voor de stafhouder om een lid van de raad van de Orde te gelasten met het tuchtonderzoek, niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Een tuchtrechtelijk onderzoek kan immers hoe dan ook slechts rechtsgeldig worden gevoerd door instanties die daartoe door of krachtens de wet zijn aangesteld : te dezen blijkt uit de artikelen 456 en 457 van het Gerechtelijk Wetboek en uit het voormelde artikel 331 dat een advocaat die geen lid is van de raad van de Orde, geen rechtsgeldig tuchtonderzoek kan voeren lastens een confrater. Voorts merkt de tuchtraad van beroep evenmin pertinent op dat Mr. P.C. reeds in 1998 "voor het eerst" werd aangesteld als verslaggever en dat hij dienvolgens, niettegenstaande hij "in de loop van het onderzoek niet langer lid (was) van de raad van de Orde", het tuchtonderzoek kon voortzetten. De omstandigheid dat het tuchtonderzoek waarmee Mr. P.C. in 1998 werd belast en het tuchtonderzoek dat tot de thans bestreden beslissing heeft geleid volgens de tuchtraad van beroep in feite als dezelfde tuchtzaak moet worden beschouwd, kan immers geen afbreuk doen aan de omstandigheid dat er geen daden van tuchtonderzoek kunnen worden gesteld door een advocaat die geen lid is van de raad van de Orde - ook al was de met het onderzoek belaste advocaat op het ogenblik van zijn aanstelling wèl lid van de raad van de Orde. Te dezen blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat Mr. P.C. deel uitmaakte van de raad van de Orde in de gerechtelijke jaren 1997-98, 1998-99 en 1999-2000, doch vanaf het gerechtelijk jaar 2000-2001 geen lid meer was van de raad van de Orde. Eén en ander werd overigens door geen van de partijen, noch door de tuchtraad van beroep in de bestreden beslissing, betwist. Aldus staat vast dat het tuchtonderzoek waarop de tuchtraad van beroep de bestreden beslissing baseert, o.m. onderzoekshandelingen bevat die werden gesteld door Mr. P.C. als verslaggever op een ogenblik dat deze laatste geen deel meer uitmaakte van de raad van de Orde. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt immers onder meer dat eiser door verslaggever Mr. P.C. op 16 januari 2002 en op 12 december 2002 werd gehoord (cf. de stukken 10 en 25 van punt I van de inventaris der stukken" van het tuchtdossier nr. 121). De tuchtraad van beroep verwijst te dezen overigens uitdrukkelijk naar het verhoor van 12 december 2002 (tweede alinea van p. 8 van de bestreden beslissing). Hieruit volgt dat door te oordelen dat het tuchtonderzoek minstens gedeeltelijk kon worden gevoerd door een verslaggever die geen lid (meer) was van de raad van de Orde, de tuchtraad van beroep dan ook de artikelen 456 en 457 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 331 van de "Deontologische Regelen en Huishoudelijk Reglement" van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel, zoals van toepassing sedert 31 augustus 2000, en voor zoveel als nodig artikel 338 van deze deontologische regelen, zoals van toepassing vóór die datum, schendt. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 456 van het Gerechtelijk Wetboek de raad van de Orde opdracht heeft om de eer van de Orde van advocaten op te houden, de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan hun beroep ten grondslag liggen, te handhaven, de inbreuken daarop en de tekortkomingen tuchtrechtelijk te beteugelen of te straffen, onverminderd het optreden van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat ; Dat, krachtens artikel 457 van hetzelfde wetboek, de raad van de Orde door toedoen van de stafhouder kennis neemt van de tuchtzaken, hetzij ambtshalve, hetzij op klacht, hetzij op schriftelijke aangifte door de procureur-generaal ; Dat, krachtens artikel 331 van de deontologische regelen en huishoudelijk reglement van de Nederlandstalige Orde van advocaten bij de balie te Brussel, indien de stafhouder oordeelt dat een tuchtzaak een onderzoek vergt, hij de betrokken advocaat hiervan schriftelijk op de hoogte brengt, de zaak onderzoekt en als verslaggever optreedt of een lid van de raad van de Orde kan gelasten met het onderzoek en hem tot verslaggever aanstellen ; Overwegende dat uit de samenhang van die bepalingen volgt dat wanneer de stafhouder van de Nederlandse Orde van advocaten te Brussel, een tuchtzaak niet zelf onderzoekt, hij enkel een lid van de raad van de Orde mag aanstellen om de tuchtzaak te onderzoeken ; Dat hieruit ook volgt dat als het aangestelde lid geen deel meer uitmaakt van de raad van de Orde, de stafhouder hem niet mag gelasten een onderzoek verder te zetten ; Overwegende dat de bestreden beslissing vaststelt dat :
- mr. P.C. in 1998 voor het eerst als verslaggever werd aangesteld om een tuchtonderzoek nr. 121 uit te voeren, hij lid was van de raad van de Orde en nergens uit blijkt dat dit eerste tuchtonderzoek werd afgesloten en geen enkel stuk erop wijst dat de stafhouder een beslissing heeft genomen dat er geen aanleiding zou zijn tot het instellen van een tuchtzaak ;
- er geen nieuwe tuchtzaak nr. 121bis is, maar een door stafhouder opgestart gebruikelijk tuchtonderzoek waarvan het voorwerp naar aanleiding van nieuwe dossiers werd uitgebreid ;
- het weinig wenselijk zou geweest zijn en het aan de beslissing van de stafhouder voorafgaand gebruikelijk onderzoek niet ten goede komt, indien omwille van het feit dat een initieel aangestelde verslaggever in de loop van het onderzoek niet langer lid is van de raad van de Orde, zou moeten worden overgegaan tot de aanstelling van een nieuwe verslaggever, lid van de raad van de Orde ; Overwegende dat de bestreden beslissing op grond van deze redenen zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt de bestreden beslissing ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing ; Laat de kosten ten laste van de Staat ; Verwijst de zaak naar de tuchtraad van beroep van de balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel, anders samengesteld ; De kosten begroot op de som van vierhonderd vijfenveertig euro achtendertig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041210.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960607.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div