id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.16 Rolnummer: C.03.0156.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2005-11-08 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-03 16:07 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de Staat overeenkomstig artikel 2, ,§ 1, onder 3, van de Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen van de verplichting tot verzekering is vrijgesteld, doch krachtens zijn nationale wet ertoe is gehouden zelf de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de houders en bestuurders van de hem toebehorende rijtuigen te dekken, verzet artikel 11, ,§ 2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij die Benelux-Overeenkomst er zich niet tegen dat hij een recht van verhaal uitoefent, in zoverre een verzekeraar zich dat recht zou hebben kunnen voorbehouden
(1)Benelux Hof, 19 jan. 1981, nr 80/2, met concl. A.G. Rouff, R.W., 1981-1982, 801 en Cass., 14 mei 1981, A.C., 1980-81, nr 524. Thesaurus CAS: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Vrije woorden: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Gemeenschappelijke bepalingen bij de Overeenkomst Staat Verzekering Vrijstelling Verplichting tot dekking Verhaal Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1956 - Art.11,tweede Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Gemeenschappelijke bepalingen bij de Overeenkomst Staat Verzekering Vrijstelling Verplichting tot dekking Verhaal Wettelijke bepalingen: Wet - 01-07-1956 - Art.11,tweede Fiches 3 - 4 Wanneer de Staat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van een bestuurder of houder van een hem toebehorend motorrijtuig en bijgevolg de schade heeft vergoed die met dat voertuig was veroorzaakt door een grove fout van de bestuurder of van de houder ervan, kan hij van degene die het ongeval heeft veroorzaakt de terugbetaling vorderen van de vergoedingen die hij aan de slachtoffers heeft moeten betalen; hiertoe is niet vereist dat de Staat zelf zich het recht van verhaal op grond van grove fout zou hebben voorbehouden. Thesaurus CAS: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Vrije woorden: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Gemeenschappelijke bepalingen bij de Overeenkomst Staat Verhaal Grove fout Vereiste Wettelijke bepalingen: Wet - 11-06-1874 - Art.16 Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Vrije woorden: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Benelux-Overeenkomst betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen Gemeenschappelijke bepalingen bij de Overeenkomst Staat Verhaal Grove fout Vereiste Wettelijke bepalingen: Wet - 11-06-1874 - Art.16 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0156.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging, wiens burelen gevestigd zijn te 1140 Evere, Everestraat 1, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen V. H. L., verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. 1. Middel Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 11, tweede lid, en 14, ,§1, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (art. 14, ,§1, gewijzigd bij de wetten van 1 en 6 juli 1971), voor de opheffing ingevolge art. 32 van de wet van 21 november 1989 ; &§9472; artikel 11, ,§2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, goedgekeurd bij de wet van 19 februari 1968 ; &§9472; artikel 16, van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen, vormend titels X en XI van boek I van het Wetboek van Koophandel. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de vordering van eiser om verweerder uitsluitend aansprakelijk te stellen voor de schadelijke gevolgen van het dodelijk ongeval van de heer E. Z. en hem dienvolgens te veroordelen om te betalen de tegenwaarde in euro van de provisionele som van 281.691,92 Duitse marken en tot de som van 3.416,47 euro, niet ontvankelijk op de volgende gronden : "Eiser stelt dat de wet van 1 juli 1956 ter zake niet toepasselijk is, nu het kwestieus ongeval zich op 17 maart 1986 heeft voorgedaan op het grondgebied van de Duitse Bondsrepubliek, zodat het ongeval dient geregeld volgens het NATO-Status verdrag (zie art. VIII, par. 5 A t.e.m. E)". Laatst genoemde artikel handelt meer bepaald "over de vorderingen tot schadevergoeding wegens handelingen of verzuimen van een lid van een krijgsmacht of van een burgerlijk element bij de uitvoering van zijn dienst, of wegens elke andere handeling, verzuim of gebeurtenis waarvoor een (lid van
- de)krijgsmacht of een burgerlijk element wettelijk verantwoordelijk is, en die op het grondgebied van de Staat van verblijf schade hebben berokkend aan derde partijen, die niet Verdragsluitende Partijen zijn, en die meer specifiek worden geregeld door de Staat van verblijf". Aldus worden de vorderingen tot schadevergoeding geregeld volgens "de wetten en reglementen van de Staat van verblijf welke te dezer zake voor zijn eigen krijgsmachten gelden". Waarop dan de betrokken Staten van herkomst op de hoogte gebracht worden van de betalingen, door de Staat van verblijf, en die dan omgeslagen worden zoals nader ontwikkeld in de rubriek (
- e)van voormeld artikel van bedoeld verdrag. Dit verdrag houdt evenwel geen enkele bepaling in omtrent regres, zo o.m. van één van de lidstaten t.o.v. één van haar aangestelden, en is ter zake dan ook niet aan de orde. Dit betreft geen aangelegenheid meer van de Duitse Bondsrepubliek, doch van eiser. Zoals volgt uit het voorliggend strafdossier, werden de ongevallen door verweerder als militair begaan, en dit aan boord van een militair voertuig dat in België geïmmatriculeerd is. De rechtsverhouding tussen partijen wordt dienvolgens beheerst door de Belgische wetgeving. Wat eiser ook moge voorhouden, valt zijn vordering niet anders te interpreteren dan een regres op verweerder. Zijn verhaalrecht kan evenwel niet gestoeld worden op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, nu de wetgever ter zake een specifieke wet heeft uitgevaardigd, wat de niet toepasselijkheid van de algemene basisregels meebrengt. Welnu, nu eiser niet aantoont dat hij voor het in de ongevallen betrokken voertuig een WAM-verzekering heeft afgesloten bij enige verzekeringsmaatschappij, dient hij zelf als verzekeraar beschouwd te worden conform het ten tijde van de feiten toepasselijke art. 14, ,§1, al. 1, van de wet van 1 juli 1956. Niettegenstaande de uitdrukkelijk gestelde vraag in het laatste tussenarrest, blijft eiser nog steeds in gebreke aan te tonen dat hij gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 11, ,§2, van de wet van 1 juli 1956, geboden mogelijkheid, om zich een verhaal voor te behouden t.o.v. de verzekerde, zijnde verweerder, in geval van grove fout. Bij gebreke aan enig bewijs hiervan, moet de door eiser oorspronkelijk ingestelde vordering t.o.v. verweerder niet ontvankelijk worden verklaard. Grieven 1. Eerste onderdeel Artikel 14, ,§1, eerste lid, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, bepaalt dat de Staat vrijgesteld is van de verplichting om een verzekering aan te gaan voor zijn motorrijtuigen mits hij, onder voorwaarden van deze wet, zelf de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van alle houders of bestuurders van die motorrijtuigen. Door te bepalen dat de dekking van de Staat van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de houders en de bestuurders van de eigen motorrijtuigen gebeurt onder de voorwaarden van de wet van 1 juli 1956, heeft de wetgever aan de Staat geen andere garantieverplichting willen opleggen dan deze die de wet voorziet ingeval van verzekering door een private verzekeraar. Volgens artikel 11, tweede lid, van de wet van 1 juli 1956, kan de verzekeraar zich een recht van verhaal voorbehouden tegen de verzekeringnemer, en indien daartoe grond bestaat, tegen een verzekerde die niet de verzekeringnemer is, voor zover de verzekeraar volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst gerechtigd mocht zijn de uitkering te weigeren of te verminderen. Volgens artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen komt geen verlies of schade, veroorzaakt door opzet of grove schuld van de verzekerde ten laste van de verzekeraar. Uit deze wettelijke bepaling, samengelezen met de artikelen 11, tweede lid, en 14, ,§1, eerste lid, van de wet van 1 juli 1956 volgt dat wanneer de Staat buiten elke overeenkomst zelf de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van een houder of bestuurder van zijn motorrijtuig en wanneer hij als gevolg daarvan schadevergoeding heeft betaald aan de slachtoffers van het ongeval veroorzaakt door dat motorrijtuig ingevolge een zware fout van de houder of de bestuurder, dat dan de Staat een regresvordering kan instellen tegen de aansprakelijke houder of bestuurder wegens zware fout en de terugbetaling kan vorderen van de vergoedingen die hij heeft moeten uitbetalen. Het bestreden arrest stelt vast dat de vordering van eiser niet anders te interpreteren valt dan een regres op verweerder en dat eiser zelf als verzekeraar dient beschouwd conform het ten tijde van de feiten toepasselijke artikel 14, ,§1, eerste lid, van de wet van 1 juli 1956. Het bestreden arrest heeft die regresvordering dan ook ten onrechte niet ontvankelijk verklaard omdat eiser in gebreke blijft aan te tonen dat hij gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 11, tweede lid, van die wet, geboden mogelijkheid om zich een verhaal voor te behouden ten opzichte van zijn verzekerde in geval van grove fout. Eiser is immers krachtens artikel 16 van de wet van 11 juni 1874 betreffende de verzekeringen, gerechtigd die regresvordering wegens grove fout tegen verweerder in te stellen (schending van de artikel 11, tweede lid, en 14, ,§1, van de wet van 1 juli 1956, 11, ,§2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 en 16, van de wet van 11 juni 1874). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat de Staat, overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 14, ,§1, eerste lid, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, vrijgesteld is van de verplichting om een verzekering aan te gaan voor zijn motorrijtuigen, mits hij, onder de voorwaarden van deze wet, zelf de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van alle houders of bestuurders van die motorrijtuigen ; Dat, overeenkomstig artikel 11, ,§2, van de Gemeenschappelijke Bepalingen behorende bij de Benelux-Overeenkomst van 24 mei 1966 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, goedgekeurd bij de wet van 19 februari 1968 en in werking getreden op 31 mei 1976 en overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 11, tweede lid, van de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, de verzekeraar zich een recht van verhaal kan voorbehouden tegen de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen een verzekerde die niet de verzekeringnemer is, voor zover de verzekeraar volgens de wet of de verzekeringsovereenkomst gerechtigd mocht zijn de uitkering te weigeren of te verminderen ; Dat, volgens het arrest van het Benelux-Gerechtshof van 19 januari 1981 inzake de Belgische Staat t. M., artikel 11, ,§2, van de voormelde Gemeenschappelijke Bepalingen er zich niet tegen verzet dat de Staat, wanneer deze overeenkomstig artikel 2, ,§1 onder 3, van voormelde overeenkomst vrijgesteld is van de verplichting tot verzekering, doch krachtens zijn nationale wet ertoe is gehouden zelf de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de houders en bestuurders van de hem toebehorende motorrijtuigen te dekken, een recht van verhaal uitoefent in zoverre een verzekeraar zich dat recht zou hebben kunnen voorbehouden ; Dat, overeenkomstig artikel 16 van de Verzekeringswet van 11 juni 1874, geen verlies of schade, veroorzaakt door opzet of grove schuld van de verzekerde ten laste van de verzekeraar komt ; Dat uit het geheel van deze bepalingen volgt dat wanneer de Staat, op grond van het te dezen toepasselijke artikel 14, ,§1, eerste lid, van de wet van 1 juli 1956, de burgerrechtelijke aansprakelijkheid dekt van een bestuurder of houder van een hem toebehorend motorrijtuig en bijgevolg de schade heeft vergoed dat met dat voertuig was veroorzaakt door een grove fout van de bestuurder of van de houder ervan, hij van degene die het ongeval heeft veroorzaakt de terugbetaling kan vorderen van de vergoedingen die hij aan de slachtoffers heeft moeten betalen ; dat op grond van voormeld artikel 16 van de wet van 11 juni 1874, hiertoe niet vereist is dat de Staat zelf zich het recht van verhaal op grond van grove fout zou hebben voorbehouden ; Overwegende dat het bestreden arrest oordeelt dat : 1. eiser zelf als verzekeraar dient beschouwd te worden conform het ten tijde van de feiten toepasselijke artikel 14, ,§1, al. 1 van de wet van 1 juli 1956 ; 2. de vordering van eiser niet anders te interpreteren valt dan als een regres op verweerder ; Dat de appèlrechter die beslist tot de niet ontvankelijkheid van de door eiser tegen verweerder ingestelde vordering op grond dat eiser in gebreke blijft aan te tonen dat hij gebruik heeft gemaakt van de hem bij artikel 11, ,§2, van de wet 1 juli 1956, geboden mogelijkheid om zich in geval van grove fout een verhaal voor te behouden ten opzichte van de verzekerde, zijnde verweerder, de in het middel aangevoerde wetsbepalingen schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar Hof van Beroep Antwerpen Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div