id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art.47
Fiche 2 Er ontstaan evenveel voorkooprechten als er pachtovereenkomsten over respectieve landeigendommen of delen van een landeigendom met dezelfde pachter zijn. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Voorkooprecht Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Voorkooprecht Meerdere pachtovereenkomsten Zelfde pachter Wettelijke bepalingen:
Art.47
Fiche 3 De bepalingen krachtens welke, wanneer het gepachte goed slechts een deel is van het te koop gestelde eigendom, het recht van voorkoop van toepassing is op het gepachte goed, de eigenaar gehouden is voor dit goed een afzonderlijk aanbod te doen en, bij openbare verkoop, dit deel van het eigendom afzonderlijk geveild en eventueel afzonderlijk toegewezen moet worden, zijn ook toepasselijk wanneer de bij afzonderlijke contracten aan dezelfde pachter in pacht gegeven gedeelten van het te koop gestelde goed samen overeenstemmen met het geheel van dit goed
(1).
(1)STASSIJNS, E., Pacht, A.P.R., Story-Scientia, 1997, 532. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Voorkooprecht Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Voorkooprecht Gepachte goed Deel van het te koop gestelde eigendom Afzonderlijke pachtovereenkomsten Geheel van het gepachte goed Zelfde pachter Wettelijke bepalingen:
Art.50,derdee Tekst van de beslissing I.
Nr. C.03.0599.N I. B., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- D. A., verweerder,
- OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD ZOUTLEEUW, openbare instelling, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3440 Zoutleeuw, Prins Leopoldplaats 3, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. II. C.04.0141.N OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD ZOUTLEEUW, openbare instelling, vertegenwoordigd door zijn voorzitter en waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3440 Zoutleeuw, Prins Leopoldplaats 3, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D. A., verweerder. en in aanwezigheid van I. B., tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen een vonnis, op 16 juni 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen A. In de zaak C.03.0599.N Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 47, 48.2, 50 en 51 van de wet van 4 november 1969, zoals gewijzigd door de wet van 7 november 1988, zijnde afdeling 3 (Regels betreffende de pacht in het bijzonder) van boek III, titel VIII, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De appèlrechters beslissen dat de verkoop van de percelen landbouwgrond is geschied met miskenning van het recht van voorkoop van eerste verweerder, veroordelen tweede verweerder tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van 20 pct. van de verkoopprijs en verklaren het vonnis gemeen aan eiser, op grond van de volgende motieven : "De cruciale vraag is of de Pachtwet voorschrijft dat de verkoper gehouden is de pachter in te lichten omtrent de wijze waarop de te koop gestelde goederen worden aangeboden en bij gebreke hieraan of dan het recht van voorkoop is miskend. a. Overeenkomstig artikel 47 van de Pachtwet heeft de pachter een recht van voorkoop bij de verkoop van een in pacht gegeven landeigendom. Het begrip landeigendom heeft dezelfde betekenis als in de andere artikelen van de pachtwetgeving nl. een onroerend goed dat door de gebruiker ervan in hoofdzaak gebruikt wordt in het kader van zijn landbouwexploitatie op basis van een pachtcontract. Artikel 47 van de Pachtwet is een algemeen artikel dat bepaalt dat elke pachter, bij verkoop van een landeigendom dat door hem gepacht wordt, geniet van een recht van verkoop. Dit impliceert dat de verkoper aan de pachter het te verkopen goed dient aan te bieden hetgeen gebeurde bij aangetekend schrijven van 7 juni 1996 van (eiser). Dit artikel bepaalt niet dat de verkoper de pachter dient in te lichten op welke wijze de eigenaar de te koop gestelde goederen wenst aan te bieden (per lot of in massa). b. De beslissing van de eigenaar om het perceel al dan niet in zijn geheel of in loten te koop te stellen is een keuze waarin de eigenaar volledig vrij is. Dus kan de verkoper van een perceel landbouwgrond in principe zelf beslissen of hij zijn eigendom ofwel in zijn geheel ofwel in kavels zal verkopen, behoudens de beperkingen die zijn opgelegd in artikel 50, tweede en derde lid, van de Pachtwet. Niettegenstaande de stelling van (tweede verweerder) en (eiser) is het wel degelijk van belang om te weten of de landbouwgrond werd gepacht ingevolge verschillende pachtcontracten teneinde te beoordelen of artikel 50, tweede lid, van de Pachtwet van toepassing is : 'Wanneer een verpacht goed of een geheel van goederen die het voorwerp uitmaken van éénzelfde pachtcontract aangeboden worden in openbare verkoping per lot, kan de gehele of de gedeeltelijke massa alleen dan te koop worden aangeboden wanneer de samenstelling goedgekeurd wordt door de pachter ; afwezigheid of stilzwijgen van de pachter wordt beschouwd als goedkeuring'. Uit de door (eerste verweerder) bijgebrachte stukken en de niet ernstige betwisting van (tweede verweerder) en (eiser) leidt de rechtbank af dat (eerste verweerder) volgende delen van de te koop gestelde landbouwgrond in pacht had bij afzonderlijke contracten, als volgt samengesteld zijnde : - voor de oppervlakte van 1 ha, 23 are, 7 ca, pachtovereenkomst overgenomen van de heer C. ; - voor de oppervlakte van 46 are, 94 ca, pachtovereenkomst overgenomen van de heer V. ; - voor de oppervlakte van 5 ha, 23 are, 33 ca, pachtovereenkomst overgenomen van zijn ouders. Artikel 50, tweede lid, van de Pachtwet, is dan ook niet van toepassing gezien te koop aangeboden goederen niet het voorwerp uitmaken van éénzelfde pachtcontract maar van drie aparte pachtcontracten. Artikel 50, derde lid, van de Pachtwet bepaalt dat, wanneer het gepachte goed slechts een deel is van de te koop gestelde eigendom, het recht van voorkoop van toepassing is op het gepachte goed en de eigenaar gehouden is om voor dit goed een afzonderlijk aanbod te doen. Het betreft hier de tekoopstelling van goederen waarvan slechts een gedeelte is verpacht of die bij gedeelten aan onderscheiden pachters afzonderlijk zijn verpacht. Het is duidelijk dat in dergelijke gevallen de pachter of elke pachter afzonderlijk slechts een recht van voorkoop kan laten gelden op het door hem gepachte gedeelte en niet op alle te koop gestelde goederen. Anderzijds dient aan de pachter en aan elke pachter afzonderlijk wel het recht van voorkoop te worden aangeboden op het door hem gepachte gedeelte en niet op alle te koop gestelde goederen. Bij publieke verkoop dienen de gepachte goederen die deel uitmaken van de te koop gestelde eigendom, afzonderlijk te worden geveild en eventueel afzonderlijk te worden toegewezen op grond van artikel 50, vierde lid, van de Pachtwet. In casu bood (tweede verweerder) de grond aan in één perceel dat samengesteld was uit drie verschillende verpachte goederen en dit ingevolge drie afzonderlijke pachtcontracten aan éénzelfde pachter. Deze drie verschillende verpachte goederen maken aldus ieder op zich een deel uit van het te koop gestelde eigendom. Gelet op deze toestand was (tweede verweerder) ertoe gehouden om voor deze goederen afzonderlijk een aanbod te doen : 'Indien de verkoper verschillende percelen aan eenzelfde pachter heeft verpacht bij afzonderlijke overeenkomst, moeten er afzonderlijke kavels gevormd worden voor elk goed of groep van goederen bij afzonderlijk contract'. (E. Stassijns, Pacht, A.P.R., Story-Scientia, 1998, p. 532). (Tweede verweerder) besliste echter om tot openbare verkoop over te gaan van het perceel in zijn geheel zodat (eerste verweerder) niet meer de gelegenheid had om de verschillende gepachte goederen op gesplitste basis te kopen. Overeenkomstig artikel 50, vierde lid, van de Pachtwet dienen de gepachte goederen, die deel uitmaken van de te koop gestelde eigendom, bij een openbare verkoop afzonderlijk te worden geveild en eventueel afzonderlijk toegewezen worden. Het feit of (eerste verweerder) zich noch v&§972;&§972;r noch tijdens de openbare verkoop verzette tegen de verkoop in zijn geheel is dan ook niet relevant daar de goederen sowieso afzonderlijk dienen aangeboden te worden, hetgeen niet geschiedde. Daardoor kon (eerste verweerder) geen gebruik maken van zijn voorkooprecht op ieder gepacht goed afzonderlijk zodat zijn voorkooprecht geschonden werd. Vermits de verkoop is geschied met miskenning van het recht van voorkoop, heeft (eerste verweerder) het recht om schadevergoeding te eisen ten bedrage van 20 pct. van de verkoopprijs (art. 51 Pachtwet). Deze oorspronkelijke vordering van (eerste verweerder), die cijfermatig niet betwist wordt, dient gegrond te worden verklaard. (Eerste verweerder) specificeert niet vanaf wanneer hij vergoedende intresten vordert zodat er (...) (enkel) gerechtelijke intresten dienen toegekend te worden. Het hoger beroep dient deels gegrond te worden verklaard. Wat betreft de vordering tot tussenkomst en gemeenverklaring : Gelet op de gegrondheid van het hoger beroep dient de vordering tot gemeenverklaring gegrond te worden verklaard. Immers, het is de instrumenterende ambtenaar die de pachter ervan in kennis dient te stellen dat de verpachte goederen als afzonderlijke kavels te koop worden aangeboden : '... Het lijkt nochtans duidelijk dat het afzonderlijke aanbod dat de eigenaar moet doen, gedaan moet worden door middel van een kennisgeving van de instumenterende ambtenaar en niet moet uitgaan van de eigenaar zelf ...' (zie E. Stassijns, p. 530, nr. 515). Alle overige argumenten dienen als strijdig en niet terzake te worden afgewezen". (bestreden vonnis, blz. 5-7) Grieven Overeenkomstig artikel 47 van de Pachtwet geniet de pachter bij verkoop van een in pacht gegeven landeigendom het recht van voorkoop. Bij openbare verkoop is de instrumenterende ambtenaar gehouden tenminste 15 dagen van te voren aan de pachter kennis te geven van plaats, dag en uur van de verkoop (artikel 48.2 van de Pachtwet). In principe kan de eigenaar van een perceel landbouwgrond zelf beslissen of hij zijn eigendom in zijn geheel, dan wel in kavels zal verkopen. Hij dient daarbij enkel de beperkingen van artikel 50 van de Pachtwet te respecteren. Artikel 50, derde lid, van de Pachtwet, bepaalt dat wanneer het gepachte goed slechts een deel is van het te koop gestelde eigendom, het recht van voorkoop van toepassing op het gepachte goed is en de eigenaar gehouden is voor dit goed een afzonderlijk aanbod te doen. Bij openbare verkoop moet dit deel van het eigendom afzonderlijk geveild en eventueel afzonderlijk toegewezen worden. Daar artikel 50 van de Pachtwet afbreuk doet aan de vrijheid van de eigenaar om zijn landbouwgrond te verkopen op de wijze die hij wenst, dient deze bepaling restrictief te worden geïnterpreteerd. Overeenkomstig artikel 50, derde lid, van de Pachtwet, dient een eigendom derhalve slechts in kavels te worden verkocht ingeval het gepachte goed slechts een deel is van het te koop gestelde eigendom. Terzake stellen de appèlrechters vast dat het perceel dat te koop werd aangeboden volledig aan één en dezelfde pachter werd verpacht, zij het ingevolge drie afzonderlijke pachtcontracten. Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt derhalve dat het verkocht goed in zijn geheel werd verpacht aan eerste verweerder. Het gepachte goed is dan ook geenszins slechts een deel van het te koop gestelde eigendom. Door in die omstandigheden niettemin te beslissen dat artikel 50, derde lid, van de Pachtwet, terzake diende te worden toegepast en derhalve te beslissen dat het gepachte goed, hoewel het in zijn geheel verpacht werd aan eerste verweerder, niettemin in drie afzonderlijke loten diende te worden geveild en toegewezen, en door op die grond tweede verweerster te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, schenden de appèlrechters de in het middel genoemde bepalingen.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; de algemene rechtsbeginselen van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel) en van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren de door tweede verweerder tegen eiser ingestelde vordering tot gemeenverklaring gegrond, op grond van de volgende motieven : "Wat betreft de vordering tot tussenkomst en gemeenverklaring: Gelet op de gegrondheid van het hoger beroep dient de vordering tot gemeenverklaring gegrond te worden verklaard. Immers, het is de instrumenterende ambtenaar die de pachter ervan in kennis dient te stellen dat de verpachte goederen als afzonderlijke kavels te koop worden aangeboden : '... Het lijkt nochtans duidelijk dat het afzonderlijke aanbod dat de eigenaar moet doen, gedaan moet worden door middel van een kennisgeving van de instrumenterende ambtenaar en niet moet uitgaan van de eigenaar zelf ...' (zie Stassijns, p. 530, nr. 515). Alle overige argumenten dienen als strijdig en niet terzake te worden afgewezen". (bestreden vonnis blz. 7) Grieven Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel) en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek bepalen de partijen zelf de grenzen van het geding. Verder mag de rechter ingevolge het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging zijn beslissing niet gronden op elementen waarover de partijen geen verweer hebben kunnen voeren. Terzake betrof de tussen partijen gevoerde betwisting enkel de vraag of het recht van voorkoop van eerste verweerder werd miskend. Tweede verweerder stelde enkel een vordering tot gemeenverklaring, en geen vordering tot vrijwaring in tegen eiser. Tussen partijen bestond dan ook geen betwisting over de eventuele aansprakelijkheid van eiser. Evenmin werd door partijen dienaangaande enig verweer gevoerd. Terzake beslissen de appèlrechters dat de instrumenterende ambtenaar, en niet de eigenaar, de nodige kennisgevingen aan de pachter dient te doen. Aldus beslissen de appèlrechters impliciet doch zeker dat eiser een fout beging bij de openbare verkoop van de percelen landbouwgrond. Aldus voeren de appèlrechters een betwisting aan die tussen partijen niet bestond en schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel), zoals tevens vervat in artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. Verder steunen de appèlrechters hun beslissing dat het vonnis aan eiser gemeen verklaard wordt op een overweging waarover partijen geen verweer konden voeren en schenden zij het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. B. In de zaak C.04.0141.N Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 47, 48.2, 50 en 51 van de wet van 4 november 1969, zoals gewijzigd door de wet van 7 november 1988, zijnde afdeling 3 (Regels betreffende de pacht in het bijzonder) van boek III, titel VIII, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerder gegrond en veroordeelt eiser tot betaling aan verweerder van een schadevergoeding van 32.226,16 euro, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag der algehele betaling, o.m. op volgende gronden : De cruciale vraag is of de Pachtwet voorschrijft dat de verkoper gehouden is de pachter in te lichten omtrent de wijze waarop de te koop gestelde goederen worden aangeboden en bij gebreke hieraan of dan het recht van voorkoop is miskend. a. Overeenkomstig artikel 47 van de Pachtwet heeft de pachter een recht van voorkoop bij de verkoop van een in pacht gegeven landeigendom. Het begrip landeigendom heeft dezelfde betekenis als in de andere artikelen van de pachtwetgeving nl. een onroerend goed dat door de gebruiker ervan in hoofdzaak gebruikt wordt in het kader van zijn landbouwexploitatie op basis van een pachtcontract. Artikel 47 van de Pachtwet is een algemeen artikel dat bepaalt dat elke pachter, bij verkoop van een landeigendom dat door hem gepacht wordt, geniet van een recht van voorkoop. Dit impliceert dat de verkoper aan de pachter het te verkopen goed dient aan te bieden hetgeen gebeurde bij aangetekend schrijven van 7 juni 1996 van (...) I. . Dit artikel bepaalt niet dat de verkoper de pachter dient in te lichten op welke wijze de eigenaar de te koop gestelde goederen wenst aan te bieden (per lot of in massa). b. De beslissing van de eigenaar om het perceel al dan niet in zijn geheel of in loten te koop te stellen is een keuze waarin de eigenaar volledig vrij is (...). Dus kan de verkoper van een perceel landbouwgrond in principe zelf beslissen of hij zijn eigendom ofwel in zijn geheel ofwel in kavels zal verkopen, behoudens de beperkingen die zijn opgelegd in artikel 50, tweede en derde lid, van de Pachtwet. Niettegenstaande de stelling van (eiser en de tot bindendverklaring opgeroepen partij) is het wel degelijk van belang om te weten of de landbouwgrond werd gepacht ingevolge verschillende pachtcontracten teneinde te beoordelen of artikel 50, tweede lid, van de Pachtwet van toepassing is : 'Wanneer een verpacht goed of een geheel van goederen die het voorwerp uitmaken van éénzelfde pachtcontract aangeboden worden in openbare verkoping per lot, kan de gehele of gedeeltelijke massa alleen dan te koop worden aangeboden wanneer de samenstelling goedgekeurd wordt door de pachter ; afwezigheid of stilzwijgen van de pachter wordt beschouwd als goedkeuring'. Uit de door (verweerder) bijgebrachte stukken en de niet ernstige betwisting van (de andere partijen) leidt de rechtbank af dat (verweerder) volgende delen van de te koop gestelde landbouwgrond in pacht had bij afzonderlijke contracten, als volgt samengesteld zijnde : Artikel 50, tweede lid, van de Pachtwet, is dan ook niet van toepassing gezien de te koop aangeboden goederen niet het voorwerp uitmaken van eenzelfde pachtcontract maar van drie aparte pachtcontracten. c. Artikel 50, derde lid, van de Pachtwet bepaalt dat, wanneer het gepachte goed slechts een deel is van de te koop gestelde eigendom, het recht van voorkoop van toepassing is op het gepachte goed en de eigenaar gehouden is om voor dit goed een afzonderlijk aanbod te doen. Het betreft hier de tekoopstelling van goederen waarvan slechts een gedeelte is verpacht of die bij gedeelten aan onderscheiden pachters afzonderlijk zijn verpacht. Het is duidelijk dat in dergelijke gevallen de pachter of elke pachter afzonderlijk slechts een recht van voorkoop kan laten gelden op het door hem gepachte gedeelte en niet op alle te koop gestelde goederen. Anderzijds dient aan de pachter en aan elke pachter afzonderlijk wel het recht van voorkoop te worden aangeboden op het door hem gepachte gedeelte en niet op alle te koop gestelde goederen. Bij publieke verkoop dienen de gepachte goederen die deel uitmaken van de te koop gestelde eigendom, afzonderlijk te worden geveild en eventueel afzonderlijk te worden toegewezen op grond van artikel 50, vierde lid, van de Pachtwet. In casu bood (eiser) de grond aan in één perceel dat samengesteld was uit drie verschillende verpachte goederen en dit ingevolge drie afzonderlijke pachtcontracten aan éénzelfde pachter. Deze drie verschillende verpachte goederen maken aldus ieder op zich een deel uit van het te koop gestelde eigendom. Gelet op deze toestand was (eiser) ertoe gehouden om voor deze goederen afzonderlijk een aanbod te doen : (Eiser) besliste echter om tot openbare verkoop over te gaan van het perceel in zijn geheel zodat (verweerder) niet meer de gelegenheid had om de verschillende gepachte goederen op gesplitste basis te kopen. Overeenkomstig artikel 50, vierde lid, van de Pachtwet, dienen de gepachte goederen, die deel uitmaken van de te koop gestelde eigendom, bij een openbare verkoop afzonderlijk te worden geveild en eventueel afzonderlijk toegewezen worden. Het feit of (verweerder) zich noch voor noch tijdens de openbare verkoop verzette tegen de verkoop in zijn geheel is dan ook niet relevant daar de goederen sowieso afzonderlijk dienden aangeboden te worden, hetgeen niet geschiedde. Daardoor kon (verweerder) geen gebruik maken van zijn voorkooprecht op ieder gepacht goed afzonderlijk zodat zijn voorkooprecht geschonden werd. Vermits de verkoop is geschied met miskenning van het recht van voorkoop, heeft (verweerder) het recht om een schadevergoeding te eisen ten bedrage van 20 pct. van de verkoopprijs (art. 51 Pachtwet). Deze oorspronkelijke vordering van (verweerder), die cijfermatig niet betwist wordt, dient gegrond te worden verklaard. (Verweerder) specificeert niet vanaf wanneer hij vergoedende intresten vordert zodat er enkel gerechtelijke intresten dienen toegekend te worden. Het hoger beroep dient deels gegrond te worden verklaard." Grieven 1.
- Naar luid van artikel 47 van de Pachtwet geniet de pachter bij verkoop van een in pacht gegeven landeigendom het recht van voorkoop voor zichzelf. Naar luid van artikel 48.2 van de Pachtwet is bij openbare verkoop de instrumenterende ambtenaar gehouden tenminste vijftien dagen van tevoren aan de pachter kennis te geven van plaats, dag en uur van de verkoop. In de regel beslist de eigenaar van een perceel landbouwgrond zelf of hij zijn eigendom in zijn geheel, dan wel in kavels zal verkopen, evenwel met inachtneming van de beperkende bepalingen van artikel 50 van de Pachtwet. 1.
- Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt dat het volledige te koop aangeboden perceel werd verpacht aan dezelfde pachter, met name verweerder, door middel van drie afzonderlijke pachtovereenkomsten. De bepalingen van het eerste en van het tweede lid van artikel 50 zijn derhalve te dezen niet toepasselijk, aangezien deze bepalingen duidelijk betrekking hebben op andere gevallen. 1.
- Naar luid van artikel 50, derde lid, van de Pachtwet, is het recht van voorkoop van toepassing op het gepachte goed en is de eigenaar gehouden voor dit goed een "afzonderlijke aanbod" te doen, wanneer "het gepachte goed slechts een deel is van het te koop gestelde eigendom". Deze veronderstelling doet zich echter te dezen evenmin voor aangezien het verkochte goed volledig was verpacht aan verweerder en het gepachte goed dus niet "slechts een deel (was) van het te koop gestelde eigendom" (zie 1.2). De bepalingen van artikel 50 vormen een uitzondering op de regel dat de eigenaar vrij bepaalt op welke wijze hij zijn landbouwgrond te koop stelt. Zij dienen bijgevolg op beperkende wijze te worden uitgelegd. Hieruit volgt dat door te oordelen dat de drie verschillende verpachte goederen ieder op zich een deel uitmaken van het te koop gestelde eigendom en dat eiser, gelet op deze toestand, ertoe gehouden was om voor deze goederen afzonderlijk een aanbod te doen, wat hij verzuimde te doen, passen de appèlrechters artikel 50, derde lid, van de Pachtwet, niet wettig toe op onderhavig geschil. Eisers veroordeling wegens miskenning van verweerders recht van voorkoop is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van alle in het middel vermelde wetsbepalingen). IV. Beslissing van het Hof A. Voeging Overwegende dat de cassatieberoepen C.03.0599.N en C.04.0141.N tegen hetzelfde vonnis zijn gericht ; Dat zij dienen te worden gevoegd ; B. Cassatieberoep C.03.0599.N
- Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 47 van de Pachtwet, bij verkoop van een in pacht gegeven landeigendom, de pachter een recht van voorkoop geniet ; Dat dit voorkooprecht een wettelijk gevolg is van de pachtovereenkomst ; Dat aldus in het geval van meerdere pachtovereenkomsten over respectieve landeigendommen of delen van een landeigendom met dezelfde pachter, er krachtens die pachtovereenkomsten en de toepassing van artikel 47 van de Pachtwet op die overeenkomsten, er evenveel voorkooprechten ontstaan als er pachtovereenkomsten zijn ; Dat de Pachtwet noch enige andere wettelijke bepaling voorschrijft dat in het geval dat onderscheiden delen van een landeigendom het voorwerp zijn van afzonderlijke pachtovereenkomsten met dezelfde pachter, er een pachtovereenkomst ontstaat voor de gehele landeigendom of dat er een verkooprecht ontstaat voor de gehele landeigendom ; Overwegende dat, krachtens artikel 50, derde lid, van de Pachtwet, wanneer het gepachte goed slechts een deel is van het te koop gestelde eigendom, het recht van voorkoop van toepassing is op het gepachte goed en de eigenaar gehouden is voor dit goed een afzonderlijk bod te doen ; dat krachtens het vierde lid van dit artikel, bij openbare verkoop, dit deel van het eigendom afzonderlijk geveild en eventueel afzonderlijk toegewezen moet worden ; Dat het derde en vierde lid van voormeld artikel 50 ook toepasselijk zijn wanneer de bij afzonderlijke contracten aan dezelfde pachter in pacht gegeven gedeelten van het te koop gestelde goed, te samen overeenstemmen met het geheel van het te koop gestelde goed ; Overwegende dat het middel dat ervan uitgaat dat, in het geval dat het te koop gestelde eigendom volledig aan eenzelfde pachter is verpacht, zij het ingevolge drie afzonderlijke pachtcontracten, artikel 50, derde lid, van de Pachtwet geen toepassing vindt, faalt naar recht ;
- Tweede middel Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat :
- de tweede verweerder bij "dagvaarding tot gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring" van 28 augustus 2002 aanvoerde dat, in geval hij aan de eerste verweerder een schadevergoeding zou dienen te betalen, dit "alleen mogelijk (zou) zijn zo de rechtbank aanneemt dat (eiser) een fout begaan zou hebben bij het aanbieden van het recht van voorkoop" en dat "in dat geval (tweede verweerder) gerechtigd zou zijn (eiser) aan te spreken om betaling te bekomen van het door (tweede verweerder) te betalen bedrag in hoofdsom, interesten en kosten" ;
- eiser bij conclusie van 25 november 2002 "zich als naar rechte gedraagt wat de vordering tot gemeenverklaring betreft" ;
- de tweede verweerder bij conclusie van 15 januari 2003 eens te meer aanvoert "zich het recht voor (te behouden) de instrumenterende notaris aan te spreken om eventueel betaling te bekomen van schadevergoeding" ; Overwegende dat de appèlrechters beslissen dat, "gelet op de gegrondheid van het hoger beroep (...) de vordering tot gemeenverklaring gegrond (dient) te worden verklaard" ; Dat zij die beslissing hierop laten steunen dat "het (immers) de instrumenterende ambtenaar (is) die de pachter ervan in kennis dient te stellen dat de verpachte goederen als afzonderlijke kavels te koop worden aangeboden" ; Dat de appèlrechters aldus noch het beschikkingsbeginsel noch eisers recht van verdediging miskennen ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; C. Cassatieberoep C.04.0141.N Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel in het cassatieberoep C.03.0599.N blijkt dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Voegt de cassatieberoepen C.03.0599.N en C.04.0141.N ; Verwerpt de cassatieberoepen ; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun respectieve cassatieberoep ; De kosten begroot, I. in het cassatieberoep C.03.0599.N, op de som van negenhonderd tweeënzeventig euro zevenenvijftig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en zeven euro achtentachtig cent jegens de verwerende partij, II. in het cassatieberoep C.04.0141.N, op de som van zeshonderd drieënzestig euro zevenennegentig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door, Afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne en in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div