id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19 Rolnummer: C.03.0407.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-11-08 Raadplegingen: 896 - laatst gezien 2026-07-04 11:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Bij een civielrechtelijke betwisting inzake te vergoeden schade behoort de bewijslast van de fout, de schade en het oorzakelijk verband aan degene die vergoeding vordert voor de schade die hij heeft geleden
(1); hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de bepaling volgens welke hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht.
(1)Cass., 23 sept. 1997, AR P.96.0526.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970923.3, nr 364 (strafzaak). Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Bewijslast Schade Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.1315,tweed Fiche 2 De patiënt die aanvoert dat de arts niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan, en dat hij daardoor schade heeft geleden, dient het bewijs daarvan te leveren
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. voor Cass., 28 feb. 2002, AR C.98.0395.N, T. Gez., 2002-2003, 12
(15). Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Bewijslast Schade Patiënt Arts Informatieplicht Verzuim Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.870 Fiche 3 De rechter vermag weliswaar te oordelen dat het bewijs van een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd, maar vermag niet de eisende partij van dit bewijs te ontslaan en de tegenpartij het bewijs van het tegengestelde positief feit op te leggen
(1).
(1)Cass., 27 feb. 1958, Arr. Verbr., 1958,
- Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Beoordelingsvrijheid Negatief feit Tekst van de beslissing Nr. C.03.0407.N
- V.M., 2.H.B.,
- H.L.,
- H.J.,
- V. P.,
- V. P.,
- V. F.,
- H. C., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen D. L., verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 7 mei 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middel Eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest zegt voor recht dat eisers als rechtsopvolgers van wijlen dokter L.H. aansprakelijk zijn voor alle schade die verweerster heeft opgelopen zowel tengevolge van de foute chirurgische ingreep op 4 juli 1989 door hun rechtsvoorganger, als tengevolge van het ontijdig ontslag uit de Sint-Niklaaskliniek te Kortrijk op 23 juli 1989, d.i. nadat verweerster op 18 juli 1989 een tweede heupoperatie had ondergaan en waarbij hun rechtsvoorganger aan zijn informatieplicht is tekort gekomen, en het bestreden arrest veroordeelt eisers in hun hoedanigheid van erfgenaam van L.H. tot het betalen van een bijkomende provisionele schadevergoeding van 18.500 euro en benoemt Dr. J. D. als gerechtsdeskundige met de in het arrest gepreciseerde opdracht vooraleer verder te oordelen over de hoegrootheid van de schade, op de volgende gronden : Partijen blijven bakkeleien over de omstandigheden waarin het ontslag uit het ziekenhuis is geschied. Volgens eisers betrof het een "geëist ontslag", zoals de expert dat op pagina 11 van zijn verslag omschreef. Verweerster betwist dat. Zoals onder nr. 4 te lezen valt stelde de gerechtelijke expert dat hij de oorzaak van het vervroegde vertrek niet heeft kunnen achterhalen, en laat hij de keuze tussen de twee mogelijke omstandigheden en de gevolgen ervan over aan de rechter. In de eerste hypothese, namelijk dat verweerster willens nillens wou vertrekken uit het ziekenhuis, draagt zij volgens de expert alleen de verantwoordelijkheid voor het mislopen van de tweede operatie. In de andere hypothese heeft volgens de expert dokter H. een fout gemaakt, maar dan moeten ook de huisarts Q.en een groot deel van de verantwoordelijkheid dragen omdat zij de patiënte niet in een orthopedische dienst hebben ondergebracht. (...) Uitgangspunt voor de beoordeling van een gebeurlijke aansprakelijkheid van dokter H. is zijn (contractuele) verbintenis om zijn patiënte, L.D., met normale zorgvuldigheid en voorzichtigheid te behandelen en overeenkomstig de gekende gegevens van de wetenschap te verzorgen. Tot het wezen zelf van die medische beroepsuitoefening behoort de informatieverstrekking, en in het bijzonder het meedelen van de complicatierisico's. In concreto behoorde het tot de informatieverplichting van dokter H. om verweerster te wijzen op alle risico's die zij liep wanneer zij vroegtijdig het ziekenhuis verliet. Het is voor het hof van beroep niet mogelijk om met zekerheid uit te maken om welk soort ontslag uit het ziekenhuis het precies ging. Vast staat dat expert Dr. P. O., nochtans zelf een arts, er niet in geslaagd is uitsluitsel te bekomen : ieder der partijen bleef op zijn standpunt. Door het overlijden van dokter H. is het helaas ook niet meer mogelijk beide partijen bij een persoonlijke verschijning te ondervragen en met elkaar te confronteren. Determinerend voor de beoordeling is dit evenwel niet. Of het om een vurige wens ging van verweerster en/of haar echtgenoot om zo spoedig mogelijk het ziekenhuis te verlaten - zij verbleef er sinds 3 juli 1989 en onderging er twee chirurgische ingrepen, respectievelijk op 4 en 18 juli 1989 en kon volstrekt legitieme verwachtingen koesteren dat haar verblijf in de tijd zo beperkt mogelijk zou zijn gelet op haar familiale en professionele verplichtingen -, dan wel om een zogenaamd "geëist ontslag", verandert in wezen niets aan de verplichting voor de behandelende arts om in ieder geval zijn patiënte op een correcte en volledige wijze informatie te verschaffen over de mogelijke gevolgen van een ontslag vijf dagen na een (tweede) chirurgische ingreep. In zijn verslag van 26 oktober 1992 verwoordde dokter H. het als volgt : "... op 23 juli 1989 verliet patiënte de kliniek uit eigen beweging en dit op uitdrukkelijk verzoek van haar man omdat zijn verlof ten einde liep ...". In zijn verslag van 19 november 1992 schreef dokter H. o.m. : "... Op eigen aandringen van (patiënte) heeft zij de kliniek verlaten op 23 juli 1989 en dit om de volgende reden : de verlofperiode van haar man liep ten einde en (patiënte) wilde kost wat kost naar huis ; was toen reeds een paar dagen op de been en er is geen sprake van dat er een heupluxatie zou geweest zijn bij ontslag uit het ziekenhuis op 23 juli 1989 : (patiënte) zou zeker niet kunnen stappen hebben met een ontwrichte linkerheup ; er was ook geen sprake van infectie, daar uit de bloedonderzoeken bleek dat alles volledig normaal was en (patiënte) geen temperatuur deed. Wel was er nog wondsecreet t.h.v. de opening waar de redondrain gezeten had ; de hechtingen waren ook nog aanwezig. In een brief de dato 5 december 1992 aan prof. G. F., de expert die aanvankelijk door de eerste rechter was aangewezen (maar kort daarna zijn opdracht teruggaf), schreef dokter H. o.m. : "... Na een paar dagen werd patiënte gemobiliseerd en op uitdrukkelijke wens van de patiënte zelf verliet zij de kliniek op 23 juli 1989 : dit omdat de verlofperiode van haar man ten einde liep. Op 23 juli 1989 was patiënte op de been met behulp van 2 Canadese krukken. De wonde was natuurlijk niet dicht. De grote redondrain was verwijderd maar er was nog tamelijk veel secreet t.h.v. deze opening. De redondrain was groter dan bij een gewone totale prothese omdat het hier ging om een reïnterventie...". Zowat drie jaar later, op 24 november 1995, schreef dokter H. o.m. : "Op uitdrukkelijke wens van patiënte en haar man werd zij vroegtijdig uit de kliniek ontslagen op 23 juli 1989 (5 dagen na de heupoperatie). Dit vroegtijdig ontslag uit het ziekenhuis was uitsluitend toe te schrijven aan het naderende einde van het verlof van de echtgenoot : patiënte moest absoluut op 23 juli 1989 thuis zijn. Ik vond dit natuurlijk onverantwoord, maar patiënte was niet in de kliniek te houden. Ze was zo tevreden dat ze zich reeds enkele stappen kon verplaatsen en heeft bij haar ontslag nog een doos pralines laten afgeven uit dank. ...". Het hof van beroep brengt in herinnering dat er in het voorverslag van expert Opdecam, aan partijen verstuurd op 24 november 1994, op pagina 11 wordt gesteld : "... Een vochtige geopereerde wonde moet in een ziekenhuis verzorgd worden en kan niet thuis verzorgd worden ondanks de kwaliteit van de huisarts Q.". Anders dan door eisers voorgehouden en anders dan door de eerste rechter beslist, dragen eisers in de gegeven omstandigheden de last om het bewijs te leveren dat hun rechtsvoorganger zich op correcte wijze van zijn informatieverplichting heeft gekweten. Afgezien van de onmogelijkheid voor verweerster het negatief bewijs te leveren, is er het artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat te dezen toepassing vindt. De stelling van eisers is dat de stukken aantonen dat dokter H. zich ertegen heeft verzet dat zij reeds vijf dagen na de (tweede) operatie het ziekenhuis zou verlaten. Zij voegen daaraan toe dat toen zij het ziekenhuis verliet, dokter H. hoe dan ook zich daarbij moest neerleggen, weze het dat hij de plicht had om de behandelende arts te informeren en dat hij zich van die verplichting heeft gekweten. Vooreerst gaan eisers er aan voorbij dat dokter H. de plicht had om ook verweerster als patiënte afdoend te informeren, d.i. te wijzen op de aanzienlijke risico's die zij liep bij een vertrek uit het ziekenhuis op een tijdstip dat de operatieve wonden nog vochtig waren. Immers dokter H. vond in november 1995 zelf dat een dergelijk vroegtijdig ontslag "onverantwoord" was. De informatieverplichting lag in de gegeven omstandigheden des te meer voor de hand gezien dokter H. zelf had vastgesteld dat de geopereerde wonde nog vochtig was. In zijn brief van 5 december 1992 schreef dokter H. dat hij verweerster normaal drie maal per week persoonlijk zag en de laatste dagen zelfs dagelijks. Daarnaast stelt het hof van beroep vast dat in de brief die dokter H. meegaf voor de behandelende arts die hij merkwaardigerwijze reeds op 19 juli 1989, d.i. daags na de tweede ingreep had geschreven en waarin hij meedeelde dat verweerster op 23 juli 1989 de kliniek zou verlaten geen enkele waarschuwing of voorbehoud te lezen valt en evenmin een advies over de te volgen behandeling van de operatieve wonde. Ten onrechte stellen eisers derhalve dat dokter H. in die brief de huisarts Q. perfect informeerde en voldoende richtlijnen gaf zowel voor wondverzorging, verdere revalidatie en verwijderen van de hechtingen 3 weken na de operatie. In tegenstelling met zijn brief van 30 december 1985 aan huisarts Q. Q. n.a.v. de rechter heupoperatie, heeft dokter H. in de brief van 19 juli 1989 zich beperkt tot de wens dat verweerster nog enkele massagezittingen zou ondergaan (...) en tot de mededeling dat was voorzien dat zij op 19 augustus 1989 bij hem op controle zou komen. (...) Uit hetgeen voorafgaat volgt dat eisers niet bewijzen noch aannemelijk maken dat dokter H. in de gegeven omstandigheden heeft voldaan aan de op hem t.a.v. verweerster rustende informatieverplichting. De ter terechtzitting voorgehouden stelling van eisers dat het in 1989 niet gebruikelijk was voor een behandelend geneesheer om schriftelijk voorbehoud te maken wanneer een patiënt tegen zijn advies in het ziekenhuis verliet, wordt door hen niet bewezen noch aannemelijk gemaakt. Daar moet worden aan toegevoegd dat zelfs indien die stelling met de werkelijkheid zou stroken niets dokter H. kon verhinderen om zijn reserves aan de behandelende collega huisarts Q. mee te delen. Het hof van beroep herhaalt dat in de brief van 19 juli 1989, bestemd voor de huisarts Q., door dokter H. geen enkel voorbehoud werd geformuleerd, en evenmin werd gewezen op mogelijke risico's die verbonden waren aan een nochtans volgens hem 'onverantwoord' ontslag van een patiënte bij wie er t.h.v. de vroegere drain nog wondsecreet was. In tweede appèlconclusie houden eisers voor het eerst voor dat verweerster bij het verlaten van de kliniek op 23 juli 1989 een verslag meekreeg van dokter H. dat bestemd was voor de huisarts Q.. Volgens eisers zou dokter H. in dat verslag aan de huisarts Q. gevraagd hebben zich met de wondverzorging in te laten. Verweerster heeft steeds formeel betwist dat er haar naast de brief van 19 juli 1989 nog een bijkomend verslag werd overhandigd dat zij aan haar huisarts Q. diende te overhandigen. Eisers beperken zich tot het stellen dat het kwestieus verslag door verweerster niet wordt voorgelegd. Bevreemdend is wel dat eisers geen dubbel van dat verslag kunnen voorleggen, terwijl in de diverse verslagen die dokter H. heeft opgesteld er nooit sprake is geweest van enig verslag dat buiten de brief van 19 juli 1989 heeft bestaan. Die nieuwe argumentatie, over een bijkomend verslag dat eisers te elfder ure voorbrengen, raakt geen grond en wordt door het hof van beroep als niet dienend verworpen. Voor het hof van beroep staat vast dat die bewezen contractuele fout in hoofde van de rechtsvoorganger van eisers voor verweerster rechtstreekse schade heeft veroorzaakt. Het hof van beroep is voorts van oordeel dat eisers geen enkele fout in hoofde van verweerster bewijzen die in causaal verband staat met haar schade. Verweerster mocht er immers op vertrouwen dat na een eerste operatie op 4 juli 1989 en een bijkomende ingreep op 18 juli 1989 waarbij niet meer te achterhalen is of verweerster over de oorzaken en de precieze aard ervan afdoende werd geïnformeerd haar ontslag op 23 juli 1989 met het goedvinden van dokter H. gebeurde. Dat vertrouwen kon des te meer gelden nu één dag na de operatie er door dokter H. reeds een brief voor de huisarts Q. werd opgesteld waarin die ontslagdatum van 23 juli 1989 werd vermeld zonder enig voorbehoud of waarschuwing. De schade van verweerster bestaat enerzijds in verwikkelingen tengevolge van die foutieve ingreep door dokter H. op 4 juli 1989, en verwikkelingen tengevolge van haar ontijdig ontslag op 23 juli 1989 uit de Sint-Niklaaskliniek te Kortrijk. Indien dokter H. niet was tekort gekomen aan zijn informatieplicht t.a.v. verweerster zou verweerster de kliniek niet hebben verlaten. Indien dokter H. daarnaast niet was tekort gekomen aan zijn informatieplicht t.a.v. de behandelende huisarts Q., dan zou deze minstens verweerster hebben kunnen overtuigen om zich in een kliniek, het weze de Sint-Niklaaskliniek of een andere, te laten opnemen voor adequate verzorging. Voor het hof van beroep is de causale relatie tussen de professionele fout van dokter H. en de door verweerster geleden schade aldus afdoende bewezen. Grieven Volgens artikel 1315, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet hij die de uitvoering van een verbintenis vordert het bestaan daarvan bewijzen. Volgens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek moet hij bovendien het bewijs leveren van die feiten die hij aanvoert. Het bestreden arrest overweegt dat het tot de contractuele informatieverplichting behoorde van dokter H. (rechtsvoorganger van eisers) om zijn patiënte (verweerster) te wijzen op alle risico's die zij liep wanneer zij vroegtijdig het ziekenhuis verliet en om haar in ieder geval op een correcte en volledige wijze informatie te verschaffen over de mogelijke gevolgen van een ontslag vijf dagen na een tweede chirurgische ingreep. De patiënte die beweert dat de geneesheer tekort gekomen is aan zijn contractuele verplichting om haar te informeren over alle risico's die zij loopt wanneer zij vroegtijdig het ziekenhuis verlaat en die stelt dat zij daardoor schade geleden heeft, dient het bewijs te leveren van de feiten die zij aanvoert en dient bijgevolg te bewijzen dat de geneesheer die informatie niet gegeven heeft. Verweerster beweerde dat dokter H. tekort gekomen was aan zijn contractuele informatieplicht ten aanzien van haarzelf en ten aanzien van haar behandelende huisarts Q. en zij beweerde daardoor schade te hebben geleden zodat verweerster het bewijs diende te leveren van de feiten die zij aanvoerde. Het bestreden arrest heeft dan ook ten onrechte beslist dat eisers de last dragen van om het bewijs te leveren van het feit dat hun rechtsvoorganger (dokter H.) zich op correcte wijze van zijn informatieverplichting heeft gekweten ingevolge het artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en het heeft de tekortkoming aan die informatieverplichting ten onrechte bewezen verklaard louter omdat eisers niet bewijzen dat dokter H. heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting zonder dat verweerster het bewijs diende te leveren van de door haar aangevoerde feiten (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek). Het bestreden arrest heeft zijn beslissing evenmin wettelijk gerechtvaardigd op grond van de onmogelijkheid voor verweerster het negatief bewijs te leveren, nl. van het feit dat dokter H. zich niet op correcte wijze van zijn informatieverplichting heeft gekweten. Op die grond kon de appèlrechter verweerster, als oorspronkelijk aanleggende partij, niet ontslaan van dit bewijs door eisers het bewijs van het tegenovergestelde positief feit op te leggen (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek, iedere partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert ; Dat bij een civielrechtelijke betwisting inzake te vergoeden schade, de bewijslast van de fout, de schade en het oorzakelijk verband behoort aan degene die vergoeding vordert voor de schade die hij heeft geleden ; Dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs moet leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht ; Overwegende dat hieruit volgt dat de patiënt die aanvoert dat de arts niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan, en dat hij daardoor schade heeft geleden, het bewijs daarvan dient te leveren ; Dat de rechter weliswaar vermag te oordelen dat een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft te worden geleverd, maar niet vermag de eisende partij van dit bewijs te ontslaan en de tegenpartij het bewijs van het tegengestelde positief bewijs op te leggen ; Dat het arrest oordeelt dat de eisers in de gegeven omstandigheden de last dragen om het bewijs te leveren dat hun rechtsvoorganger zich op correcte wijze van zijn informatieverplichting heeft gekweten en aldus de in het middel aangewezen wetsbepalingen schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Londers, Eric Dirx en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041216.19 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090416.2 ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090611.3 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190111.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.79 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221114.3F.5 ECLI:BE:PIBRL:2016:JUG.20160405.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970923.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101126.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111118.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div