← België

ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041220.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041220.7 Rolnummer: S.04.0095.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-07-03 15:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer de werknemer ter kennis van de werkgever brengt dat hij de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwt op grond dat de werkgever éénzijdig een belangrijke wijziging in een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst heeft aangebracht is de arbeidsovereenkomst op het tijdstip van die kennisgeving in elk geval onherroepelijk en definitief beëindigd

(1).
(1)Zie Cass., 7 juni 1993, AR 8351 met conclusie van procureur-generaal M. DE SWAEF. Het O.M. concludeerde tevens tot de verwerping van het eerste middel van de voorziening op volgende gronden: het ging uit van de lezing van het arrest dat het arbeidshof de beëindiging van de arbeidsovereenkomst uitsprak ingevolge gerechtelijke ontbinding gestoeld op artikel 1184 B.W. en deze beëindiging situeerde op 1 september 2001 en dat wanneer de werknemer de gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst vraagt de arbeidsovereenkomst blijft bestaan zolang de procedure aanhangig is en er geen ontbinding is uitgesproken. De werknemer die het einde van de contractuele relatie niet had vastgesteld had dus het recht te blijven voortwerken ter uitvoering van de betwiste arbeidsovereenkomst. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Eenzijdige wijziging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Eenzijdige wijziging Kennisgeving van de beëindiging door tegenpartij Fiche 2 Is naar recht verantwoord de beslissing van de rechter die vaststelt dat de arbeidsovereenkomst door de werkgever wegens een aanzienlijke wijziging van een essentieel bestanddeel werd beëindigd op de datum gesitueerd door de werknemer en te kennen geeft dat de werknemer na de ingebrekestelling van de werkgever en de dagvaarding, de vroegere overeenkomst niet verder heeft uitgevoerd, maar wel als voorlopige houding is blijven werken onder de door werkgever eenzijdig gewijzigde omstandigheden, dit onder voorbehoud van al zijn rechten, zonder zijn akkoord hieromtrent en zonder afstand te doen van zijn recht de eenzijdige beëindiging door de werkgever van de overeenkomst te laten vaststellen. Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Eenzijdige wijziging Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - EINDE - Eenzijdige wijziging Kennisgeving van de beslissing door tegenpartij Gevolg Tekst van de beslissing Nr. S.04.0095.N.- CAP GEMINI ERNST & YOUNG BELGIUM, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel te 1831 Diegem (Machelen), Bessenveldstraat 19, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen T.R. B., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Philippe Gérard, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 523, bus 28, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. Bestreden beslissing. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 december 2003 gewezen door het Arbeidshof te Brussel ; II. Rechtspleging voor het Hof. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen. Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
  1. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; - de artikelen 1134 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 20, 1°, 32, 3°, en 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de vordering van verweerder, het hoger beroep van verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, hervormt het het vonnis a quo, verklaart het de oorspronkelijke vordering van verweerder ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, zegt het voor recht dat eiseres de arbeidsovereenkomst met verweerder op 1 september 2001 onregelmatig verbroken heeft door zijn functies eenzijdig te wijzigen en veroordeelt het eiseres tot betaling aan verweerder van een opzeggingsvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke interesten. Het arbeidshof komt tot die beslissingen na te hebben vastgesteld dat eiseres op 13 augustus 2001 aan verweerder een brief betekende waarbij hem kennis werd gegeven van een opzeggingstermijn van 23 maanden vanaf 1 september 2001 en dat verweerder op 16 november 2001 het werk staakte en op grond van onder meer de volgende motieven : "(...) dat (verweerder) volgende stukken neerlegt : - attest dd. 23 augustus 2001 opgesteld op naam van M. D. (getekend door A. D., lid van de raad van bestuur : de dossiers en documenten van (verweerder) betreffende de functie van account manager voor bepaalde belangrijke klanten van (eiseres) zoals E., S., I., worden overgenomen door M. D. ; - attest dd. 23 augustus 2001 van B. D. : de dossiers en documenten m. b. t. de functie van acccount manager van (verweerder) voor bepaalde belangrijke klanten van (eiseres) zoals G.-E. worden overgenomen door B.D.. Deze stukken bewijzen met zekerheid dat (verweerder) vanaf 23 augustus 2001 bij Cap Gemini geen functie meer uitoefende als account manager. (Eiseres) beweert post facto dat partijen na het ontslag zouden overeengekomen zijn dat (verweerder) deze functie niet verder zou uitoefenen doch legt van dit (mondeling ?) akkoord van (verweerder) geen enkel bewijs neer. Uit het schrijven van (verweerder) aan (eiseres) dd. 11 september 2001 in samenhang met de hoger genoemde attesten dd. 23 augustus 2001 is volgens het (arbeids)hof bewezen dat (verweerder) na het ontslag dd. 13 augustus 2001 op bevel van (eiseres) al zijn klantendossiers diende af te staan aan de heren D. en D. en dat m.a.w. zijn functie als account manager eenzijdig door (eiseres) werd afgeschaft" en "(...) dat (eiseres) geen bewijzen neerlegt van het feit dat zij (verweerder) vanaf 1 september 2001 nog opdrachten en taken toevertrouwde als professional leader op directieniveau. Uit wat voorafgaat kan aldus besloten worden dat de werkgever kort na het ontslag en tijdens de opzegtermijn de overeengekomen arbeid eenzijdig wijzigde. Het staat feitelijk vast dat (verweerder) vóór het ontslag een dubbele functie waarnam bij (eiseres) : een extern gerichte klantenactiviteit (account manager) en een intern gericht opleidingsactiviteit (professional leader). Het staat eveneens feitelijk vast dat (eiseres) de functie van account manager aan (verweerder) volledig ontnam vanaf 23 augustus 2001 en deze functie aan andere bedienden opdroeg. Het staat eveneens feitelijk vast dat (eiseres) kort na het ontslag (verweerder) niet officieel meer vermeldde als professional leader noch in haar organigram noch in haar personeelslijst en dat (verweerder) niet meer werd uitgenodigd op al de werkvergaderingen van de professional leaders. Dat bewezen is dat (verweerders) functie als professional leader d.i. een functie op het hoogste directieniveau volgens (eiseres) - minstens gedeeltelijk - van haar opdrachten en inhoud werd geledigd door toedoen van de werkgever vermits (verweerder) niet meer werd uitgenodigd op al de werkvergaderingen met zijn collega's professional leaders en hem blijkbaar minderwaardige uitvoerende taken werden toevertrouwd. Dat de werkgever de verplichting heeft om aan de werknemer het overeengekomen werk te verschaffen tijdens de arbeidsovereenkomst, ook tijdens de opzeggingstermijn. Dat de werkgever in de concrete omstandigheden van onderhavige zaak aan de werknemer één van de twee overeengekomen functies volledig ontnomen heeft nl. deze van account manager en zijn tweede functie (professional leader, die van het hoogste directieniveau was) heeft gewijzigd en gedegradeerd waarvan het feit getuigt dat zij (verweerder) officieel op haar organigram en personeelslijst als professional leader heeft geschrapt en hem niet meer uitnodigde op al de werkvergaderingen met zijn collega's professional leaders. Het geheel van deze wijzigingen, door de werkgever eenzijdig aangebracht in de overeengekomen functies, is volgens het (arbeids)hof een aanzienlijke wijziging van een essentieel bestanddeel van de overeenkomst die gelijkstaat met een onregelmatige en onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst. (Cass. 29.
  2. 1976, JTT 77, 69, Cass. 27.4.77, RW 77-78, 1886 ; Cass. 22.3.82, Arr. Cass. 81-82, 906). (...) dat (verweerder) onmiddellijk heeft gereageerd en geprotesteerd tegen de eenzijdige wijziging van zijn functie en wel d.m.v. een ingebrekestelling van de werkgever dd. 14 september 2001 (stuk 30 (verweerder)) en een daaropvolgende dagvaarding dd. 24 september 2001 voor de eerste rechter waarmee hij een gerechtelijke ontbinding overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek van de overeenkomst verzocht, wat ook met een arbeidsovereenkomst mogelijk is (Cass. 26.10.81, arr. Cass. 81-82, 291 ; Cass. 23.11.1981, RW 81-82, 1405) o.a. in het geval van essentiële wijzigingen aangebracht door de werkgever aan de functie van de werknemer (Arbeidshof Luik 17.
  3. 1980, RRD 81, 258, Arbeidshof Brussel 31.1.89, RW 89-90, 21) zoals in casu. Dat het (arbeids)hof vaststelt dat (verweerder) aldus geen afstand heeft gedaan van zijn recht de contractbreuk in hoofde van (eiseres) wegens eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst in te roepen, wel integendeel. Hij verzocht uitdrukkelijk om gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst wegens deze wijziging. Dit was zijn goed recht en dit kan hem niet verweten worden. (...) dat feitelijk vaststaat dat partijen ná 1 september 2001 geen nieuwe arbeidsovereenkomst sloten. Er is immers geen spoor van wilsovereenstemming van (verweerder) te bespeuren met een gewijzigde functie. (Verweerder) is de overeenkomst verder blijven uitvoeren van 24 september 2001 tot 16 november 2001 in afwachting van een gerechtelijke beslissing (20 november 2001) over de door hem gevorderde gerechtelijke ontbinding en heeft de contractbreuk door de werkgever te gepaste tijde ingeroepen nl. vanaf 14 september 2001 met ingebrekestelling en met dagvaarding op 24 september
  4. Zijn afwachtende houding hangende de procedure voor de eerste rechter kan hem niet worden verweten noch worden beschouwd als een afstand van recht. (...) dat partijen in de arbeidsovereenkomst een geldige opzegtermijn bedongen krachtens artikel 82, ,§ 3, AOW van 23 maand. Dat (verweerder) wegens de onrechtmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, die hij terecht op datum van 1 september 2001 situeert, recht heeft op een opzegvergoeding gelijk aan 23 maanden loon, verminderd inderdaad met het door de werkgever betaald loon voor de gepresteerde opzegperiode van 1 september 2001 t.e.m. 15 november 2001 of 2,5 maand". Grieven
  5. Eerste onderdeel Met de hierboven geciteerde overwegingen stelt het arbeidshof enerzijds vast dat verweerder met een dagvaarding van 24 september 2001 voor de eerste rechter de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst vorderde overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, dat hij "de overeenkomst verder (is) blijven uitvoeren van 24 september 2001 tot 16 november 2001" in afwachting van een gerechtelijke beslissing ter zake, die op 20 november 2001 werd gewezen, de opzeggingsperiode presteerde van 1 september 2001 tot en met 15 november 2001 en het werk eerst staakte op 16 november 2001, en stelt het arbeidshof anderzijds vast dat verweerder "de contractbreuk door de werkgever te gepasten tijde (heeft) ingeroepen nl. vanaf 14 september 2001 met ingebrekestelling en met dagvaarding op 24 september 2001" en dat verweerder "de onrechtmatige verbreking van de arbeidsover-eenkomst door de werkgever (...) terecht op datum van 1 september 2001 situeert" en zegt het voor recht dat eiseres "de arbeidsovereenkomst met (verweerder) op 1 september 2001 onregelmatig verbroken heeft door zijn functies eenzijdig te wijzigen". Het is tegenstrijdig te oordelen enerzijds dat verweerder de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst vorderde en in afwachting van een uitspraak de arbeidsovereenkomst voort uitvoerde, anderzijds dat verweerder "vanaf" een tijdstip gelegen vóór het instellen van de vordering tot gerechtelijke ontbinding en de uitspraak over die vordering de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingeroepen die hij terecht situeert en die het arbeidshof situeert op een tijdstip gelegen vóór het instellen van de vordering tot gerechtelijke ontbinding. Die tegenstrijdig-heid staat gelijk met gemis aan redenen. Minstens laat de redengeving waarop de beslissing van het arbeidshof is gegrond, in het onzekere of het arbeidshof in feite of in rechte heeft willen beslissen dat de arbeidsovereenkomst op 1 september 2001, op 14 september 2001 of op 24 september 2001 nog geen einde had genomen, dan wel of het in rechte heeft willen beslissen dat het feit dat de arbeidsovereenkomst op 1 september 2001, of op 14 september 2001 of op 24 september 2001 al een einde had genomen, niet belet dat zij nog voort werd uitgevoerd, zodat die redengeving het het Hof onmogelijk maakt, toezicht uit te oefenen op de wettigheid van de beslissing. De redengeving van het arbeidshof is inderdaad vatbaar voor die twee interpretaties en in de tweede interpretatie is de beslissing van het arbeidshof niet naar recht verantwoord, aangezien een arbeidsovereenkomst die al is beëindigd, niet voort kan worden uitgevoerd. De beslissing van het arbeidshof is dan ook minstens gegrond op een dubbelzinnige redengeving, wat gelijk staat met een gemis aan redengeving. Het arbeidshof zegt niet wettig voor recht dat eiseres de arbeidsovereenkomst met verweerder op 1 september 2001 onregelmatig verbroken heeft door zijn functies eenzijdig te wijzigen en veroordeelt eiseres op die grond niet wettig tot betaling van een compensatoire opzeggings-vergoeding (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 1.
  6. Tweede onderdeel Uit de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 20, 1°, 32, 3° en 39 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten volgt dat de partij die eenzijdig een van de essentiële bestanddelen van de arbeidsovereenkomst in belangrijke mate wijzigt, de arbeidsovereenkomst onmiddellijk op onregelmatige wijze beëindigt. Om uitwerking te hebben als beëindiging van de arbeidsovereenkomst, moet de belangrijke eenzijdige beëindiging (lees : wijziging) van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst door de partij die voorhoudt daardoor te zijn getroffen, worden vastgesteld of ingeroepen en moet die partij, als zij de werknemer is, ten laatste op dat ogenblik de arbeid die zij ter uitvoering van die arbeidsovereenkomst verricht, stopzetten. De vaststelling door een partij bij een arbeidsovereenkomst dat de wederpartij de overeenkomst heeft beëindigd, is immers onverenigbaar met het feit dat de eerstgenoemde partij blijft voort werken ter uitvoering van die arbeidsovereenkomst. Een partij kan niet terzelfder tijd het eind van een overeenkomst vaststellen en de overeenkomst blijven uitvoeren. Het arbeidshof beslist dat verweerder de datum van onrechtmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst door eiseres terecht op 1 september 2001 situeert en zegt voor recht dat eiseres de arbeidsovereenkomst met verweerder op 1 september 2001 onregelmatig heeft verbroken door zijn functies eenzijdig te wijzigen. Volgens de vaststellingen van het arbeidshof heeft verweerder die contractbreuk door eiseres wegens eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst ingeroepen "vanaf 14 september 2001 met ingebrekestelling en met dagvaarding op 24 september 2001", maar heeft hij op 24 september 2001 wegens die wijziging uitdrukkelijk om gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst gevorderd en is hij de overeenkomst blijven uitvoeren van 24 september 2001 tot 16 november 2001, datum waarop hij het werk staakte. Volgens de vaststellingen van het arbeidshof heeft verweerder dus de arbeidsovereenkomst voort uitgevoerd na het tijdstip waarop hij, eveneens volgens de vaststellingen van het arbeidshof, onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingeroepen, ongeacht of het arbeidshof bedoelt dat tijdstip vast te stellen op 14 september 2001, op 24 september 2001 of op enig tijdstip daartussen. Het arbeidshof beslist dan ook niet wettig dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te gepasten tijde door verweerder werd ingeroepen "vanaf 14 september 2001 met ingebrekestelling en met dagvaarding op 24 september 2001" en dat verweerder de onrechtmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst terecht op datum van 1 september 2001 situeert en zegt niet wettig voor recht dat eiseres de arbeidsovereenkomst met verweerder op 1 september 2001 onregelmatig heeft beëindigd door zijn functies eenzijdig te wijzigen (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen, met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet). Minstens laat de redengeving waarop de beslissing van het arbeidshof is gegrond, in het onzekere of het arbeidshof heeft willen beslissen dat verweerder uiterlijk op 24 september 2001 de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ingeroepen of vastgesteld, dan wel of het heeft willen beslissen dat die beëindiging maar na die datum werd ingeroepen of vastgesteld, zodat die redengeving het het Hof onmogelijk maakt toezicht uit te oefenen op de wettigheid van de beslissing. De redengeving van het arbeidshof is inderdaad vatbaar voor die twee interpretaties en in de eerste interpretatie is de beslissing niet naar recht verantwoord, aangezien van een arbeidsovereenkomst waarvan de uitvoering werd voortgezet, niet rechtsgeldig de beëindiging kan zijn ingeroepen. De beslissing van het arbeidshof is dan ook minstens gegrond op een dubbelzinnige redengeving, wat gelijk staat met een gemis aan redengeving (schending van artikel 149 van de Grondwet). Het arbeidshof beslist niet wettig dat verweerder de contractbreuk door eiseres te gepasten tijde heeft ingeroepen en dat hij terecht de onrechtmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst op datum van 1 september 2001 situeert en zegt niet wettig voor recht dat eiseres de arbeidsovereenkomst met verweerder op 1 september 2001 onregelmatig verbroken heeft door zijn functies eenzijdig te wijzigen en veroordeelt eiseres op die grond niet wettig tot betaling van een compensatoire opzeggingsvergoeding (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde wettelijke bepalingen).
  7. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 2, 1°, 10 en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers ; - de artikelen 270, 1°, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 31 van de wet van 24 december 2002, 272, eerste lid, 1°, en 273 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992); - artikel 23, ,§ 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; - het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals onder meer neergelegd in artikel 1138, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt uitspraak te doen over niet gevorderde zaken ; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing veroordeelt het arbeidshof, recht sprekend over de hoofdvordering van verweerder, eiseres tot betaling aan verweerder van 308.620,33 euro bruto te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke interesten. Grieven Zowel in de inleidende dagvaarding van 24 september 2001, in het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 16 januari 2002 als in zijn conclusies in beroep (zie de derde conclusie in beroep van verweerder, tevens syntheseconclusie, gedagtekend 19 mei 2003, pagina 23, laatste alinea), vorderde verweerder onder andere eiseres te veroordelen tot betaling van "de wettelijke en gerechtelijke interesten", zonder te specificeren op welke basis die zouden moeten worden berekend. Over de interest en de basis waarop die moet worden berekend, werd geen betwisting gevoerd tussen partijen. Krachtens artikel 10 van de Loonbeschermingswet is op loon van rechtswege interest verschuldigd vanaf het ogenblik waarop het eisbaar wordt. De werkgever is slechts interest verschuldigd op de nettobedragen die met het toegekende bruto loon overeenstemmen, aangezien de werknemer niet het recht heeft de bedragen op te eisen die de werkgever als bedrijfsvoorheffing en socialezekerheidsbijdragen dient in te houden en doorstort aan de geëigende instellingen. Verweerder heeft slechts "wettelijke en gerechtelijke intresten" gevorderd zonder interest te vorderen op het brutobedrag van de opzeggingsvergoeding. Verweerder vordert aldus interest overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen. Door in die omstandigheden interest op het brutobedrag van de opzeggingsvergoeding toe te kennen, doet het arbeidshof geen uitspraak over de interest overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen (schending van de artikelen 2, 1°, 10 en 23, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers, de artikelen 270, 1°, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 31 van de wet van 24 december 2002, 272, eerste lid, 1°, en 273 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en artikel 23, ,§ 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Bovendien kent het arbeidshof daardoor meer toe dan gevorderd (schending van het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen, beschikkingsbeginsel genoemd, zoals onder meer neergelegd in artikel 1138, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, het algemeen rechtsbeginsel dat de rechter verbiedt uitspraak te doen over niet gevorderde zaken en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging). Het arbeidshof veroordeelt eiseres niet wettig tot betaling aan verweerder van wettelijke en gerechtelijke interesten op 308.620,33 euro bruto compensatoire opzeggingsvergoeding (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel 1.
  1. Eerste onderdeel Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat verweerder vanaf de dagvaarding gevorderd heeft de eenzijdige onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst door eiseres op 1 september 2001 vast te stellen met veroordeling van eiseres tot betaling aan verweerder van een verbrekingsvergoeding met interest en kosten ; Overwegende dat het arrest geen uitspraak doet over een vordering tot gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar oordeelt dat :
  2. verweerder de contractbreuk door eiseres te gepaste tijde ingeroepen heeft, namelijk met ingebrekestelling vanaf 14 september 2001 en met dagvaarding op 24 september 2001 ;
  3. het geheel van de wijzigingen, door eiseres aangebracht in de overeengekomen functies, een aanzienlijke wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst is, die gelijkstaat met een onregelmatige en onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst ;
  4. eiseres de arbeidsovereenkomst met verweerder op 1 september 2001 onregelmatig beëindigd heeft door zijn functies eenzijdig te wijzigen en verweerder gerechtigd is op een verbrekingsvergoeding ; Overwegende dat het arrest tevens oordeelt dat :
  5. het "feitelijk vaststaat dat de partijen na 1 september 2001 geen nieuwe arbeidsovereenkomst sloten. Er is immers geen spoor van wilsovereenstemming van (verweerder) te bespeuren met een gewijzigde functie";
  6. verweerder de overeenkomst verder is blijven uitvoeren tot 16 november 2001 in afwachting van een gerechtelijke beslissing over de "gevorderde gerechtelijke ontbinding";
  7. zijn afwachtende houding hangende de procedure voor de eerste rechter hem niet kan verweten worden, noch worden beschouwd als een afstand van rechten ; Dat het arrest zodoende te kennen geeft dat verweerder na de ingebrekestelling van 14 september 2001 en de dagvaarding van 24 september 2001 de vroegere overeenkomst niet verder heeft uitgevoerd, maar wel als voorlopige houding is blijven werken onder de door eiseres eenzijdig gewijzigde omstandigheden, dit onder voorbehoud van al zijn rechten , zonder zijn akkoord hieromtrent en zonder afstand te doen van zijn recht de eenzijdige beëindiging door eiseres van de overeenkomst te laten vaststellen ; Dat de omstandigheid dat het arrest gewag maakt van een vordering tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij in beginsel de overeenkomst blijft bestaan tot de uitspraak van het vonnis waarin de ontbinding van de overeenkomst wordt uitgesproken, hieraan geen afbreuk doet, nu het arrest geen ontbinding uitspreekt, maar de eenzijdige beëindiging door eiseres van de arbeidsovereenkomst op 1 september 2001 vaststelt en niet oordeelt dat verweerder de eenzijdig beëindigde arbeidsovereenkomst is verder blijven uitvoeren ; Dat de redenen van het arrest aldus niet tegenstrijdig of dubbelzinnig zijn en toelaten de wettigheid ervan te toetsen ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 1.
  8. Tweede onderdeel Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest naar recht de regel toepast dat, wanneer de werknemer ter kennis van de werkgever brengt dat hij de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwt, op grond dat de werkgever eenzijdig een belangrijke wijziging in een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst heeft aangebracht, de arbeidsovereenkomst op het tijdstip van die kennisgeving in elk geval onherroepelijk en definitief is beëindigd ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
  9. Tweede middel Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat verweerder rente vorderde op de volledig toe te kennen opzeggingsvergoeding ; Dat het arrest door deze rente toe te kennen, niet meer toekent dan gevorderd en geen betwisting opwerpt die door de partijen in conclusie was uitgesloten en waarover zij geen tegenspraak hebben kunnen voeren ; Dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat het middel voorts volledig uitgaat van artikel 10 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, krachtens hetwelk voor het loon rente verschuldigd is met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt ; Dat deze wetsbepaling slechts dwingend is ten voordele van de werknemer ; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat eiseres voor de appèlrechters aangevoerd heeft dat de rente slechts mocht worden aangerekend op het gedeelte van de opzeggingsvergoeding welke het middel aangeeft; dat het arbeidshof evenmin een betwisting hierover ambtshalve heeft beslecht, maar de rente heeft toegekend, zoals die werd gevorderd ; Dat het middel in zoverre nieuw is, mitsdien niet ontvankelijk ; OM DEZE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep, Veroordeelt eiseres in de kosten; De kosten begroot op de som van driehonderd achtennegentig euro negenenveertig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd negenenveertig euro tweeënnegentig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en vier uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041220.7 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070507.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.