id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041224.6 Rolnummer: F.02.0071.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 205 - laatst gezien 2026-07-03 16:08 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Art. 377, tweede lid, W.I.B.
(1992), volgens hetwelk de eiser aan het hof van beroep nieuwe bezwaren kan voorleggen voor zover zij onder meer een overtreding van de wet inroepen, beperkt dat begrip niet tot bezwaren die betrekking hebben op het voorwerp van de oorspronkelijke betwisting
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Nieuwe bezwaren Overtreding van de wet Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.377,tweede Fiche 2 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 24 dec. 2004, AR F.02.0071.N, A.C., 2004, nr Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORZIENING VOOR HET HOF VAN BEROEP Nieuwe bezwaren Overtreding van de wet Nota: F.02.0071.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE.
- De fiscale betwisting over de aj. 1994 betreft de vraag of eiseres voor het eerst in haar besluiten voor het hof van beroep vermocht aan te voeren dat het bedrag van 130.000 BEF dat zij ingevolge een verkeersongeval van de N.V. De Vaderlandsche ontving voor een blijvende invaliditeit van 3% niet haalbaar was. Het bestreden arrest oordeelt dat bedoelde nieuwe grief, welke niet voor de directeur werd aangevoerd in de loop van de bezwaarprocedure, ontvankelijk is en gegrond, en vernietigt op die grond de ambtshalve aanslag.
- In het enig middel tot cassatie voert eiser schending aan van de artikelen 372, 375 en 377 van het W.I.B.
- Het gegeven dat er sprake is van een wetschending doet volgens eiser geen afbreuk aan de wettelijke regeling dat het geschil voor het hof van beroep beperkt is tot het oordeel omtrent de feitelijke gegevens die aan het oordeel omtrent de feitelijke gegevens die aan het oordeel van de gewestelijke directeur werden onderworpen. In casu, zo argumenteert eiser, beoordeelde het hof van beroep een feitelijk gegeven, zijnde de vergoeding wegens blijvende invaliditeit, dat niet aan het oordeel van de directeur werd onderworpen. "Door te beslissen dat er een overtreding van de wet heeft plaatsgehad, heeft het hof van beroep bijgevolg het geschil, zoals dit werd voorgelegd aan het oordeel van de gewestelijke directeur, uitgebreid met een nieuw feitelijk gegeven (...), wat in strijd is met (voormelde) bepalingen zodat ten onrechte de vernietiging van de aanslag werd uitgesproken".
- Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie in de periode vóór de Wet van 16 maart 1976 tot wijziging van de rechtspleging betreffende de geschillen inzake directe belastingen kon het hof van beroep geen kennis nemen van de betwistingen die niet in het bezwaarschrift werden ingeroepen en die niet ambtshalve door de directeur werden onderzocht (Zie o.m. Cass., 16 sept. 1976, A.C., 1977, 57 en de noten 1 en 4; Cass., 17 okt. 1977, A.C., 1978, 215, noot
- Er werd wel een uitzondering gemaakt voor grieven m.b.t. de verjaring of het rechterlijk gewijsde of voor de grieven die wegens overmacht niet vroeger konden ingeroepen worden). De belastingplichtige kon derhalve niet voor het eerst voor het hof van beroep een tevoren niet bestreden deel van de belasting aanvechten. Deze stelling steunde o.m. op de overweging dat de saisine van het hof van beroep niet verder kon reiken dan deze van de gewestelijke directeur.
- De Wet van 16 maart 1976 maakte een uitzondering op deze regel door grieven die niet in het bezwaarschrift werden ingeroepen en die niet ambtshalve door de directeur werden onderzocht ontvankelijk te verklaren, in zoverre zij steunden op een overtreding van de wet of een schending van een op straf van nietigheid voorgeschreven procedurevorm. Artikel 278 W.I.B. 1964 werd aangevuld met de volgende bepaling: "De eiser mag aan het hof van beroep bezwaren onderwerpen die noch in het bezwaarschrift werden geformuleerd, noch ambtshalve door de directeur werden onderzocht, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straf van nietigheid voorgeschreven procedurevormen inroepen". De nieuwe grieven moeten wel worden geformuleerd in de voorziening of in een geschrift dat, op straffe van verval, ter griffie van het hof van beroep moest worden neergelegd binnen zestig dagen na neerlegging van het administratief dossier (artikel 279, tweede lid W.I.B. 1964; thans artikel 378, tweede lid W.I.B. 1992).
- De wetgever inspireerde zich bij de redactie van artikel 278, tweede lid W.I.B. 1964 (thans artikel 377, tweede lid W.I.B. 1992) op artikel 608 van het Gerechtelijk Wetboek, dat in dezelfde bewoordingen handelt over de algemene bevoegdheid van het Hof van Cassatie (Verslag DAMSEAUX, Parl. St. Kamer, 1972-73, nr. 423/2, p. 3; Voorstel van wet tot wijziging van de rechtspleging betreffende geschillen inzake directe belastingen Amendementen van de regering, Parl. St. Senaat, 1972-73, nr. 18, p. 2; Zie nader P. VAN ORSHOVEN, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, Kluwer, 1987, 400 e.v.). In de parlementaire voorbereiding staat te lezen dat "er geen sprake is dat de eiser het stadium van de voorziening in beroep mag afwachten om nieuwe bezwaren te formuleren met betrekking tot bepaalde feitelijke gegevens van de door hem betwiste aanslag, maar wel dat de eiser voor de eerste maal voor het hof van beroep bezwaren mag inroepen die uitsluitend betrekking hebben op juridische punten die verband houden met de uitlegging van de wetsbepalingen in kwestie of op een schending door de administratie van op straf van nietigheid voorgeschreven vormen" (Parl. St. Senaat, 1072-1073, nr. 18, 2; Zie ook Parl. Hand. Senaat, 25 okt. 1972, 131-133).
- Uw Hof heeft over de ten dezen gestelde rechtsvraag reeds uitspraak gedaan in een arrest van 29 november
- Toen was de vraag aan de orde of het verzoek tot kwijtschelding van de opgelegde belastingverhogiongen dat voor het eerst in beroep werd ingediend, zonder schending van artikel 278 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)door het hof van beroep ontvankelijk kon worden verklaard. Uw Hof oordeelde dat het begrip "overtreding van de wet" in artikel 278, tweede lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1964)niet beperkt was tot bezwaren die betrekking hebben op het voorwerp van de oorspronkelijke betwisting. Zo verkeert de belastingplichtige in de mogelijkheid om een verzoek tot kwijtschelding van verhogingen voor het eerst voor het Hof van Beroep aan te voeren. In deze zaak voerde de Administratie aan dat het begrip "overtreding van de wet" moest worden uitgelegd in het kader van de ratio legis van de wet van 16 maart 1976 tot wijziging van de rechtspleging betreffende geschillen inzake directe belastingen, volgens welke in beginsel geen nieuwe bezwaren mogen worden aangevoerd, en enkel doelt op de overtredingen van de wet die betrekking hebben op de oorspronkelijke betwisting, zonder dat nieuwe feiten buiten verband met die oorspronkelijke betwisting, voor het eerst voor het Hof van Beroep kunnen worden aangevoerd. Het arrest van het Hof is duidelijk: een dergelijk middel faalt naar recht (Cass., 29 november 1990, A.C., 1990-91, nr. 168; A.F.T., 1991, 238, noot W. D'HAESE). Het standpunt van het Hof vond bijval in de rechtsleer (Zie P. BELLEN, "Fiscale bevoegdheid van het hof van beroep", A.F.T., 1993,
(15), 17). In een arrest van 10 juni 1993 specifieerde Uw Hof dat artikel 278, tweede lid, W.I.B. 1964 (artikel 377, tweede lid W.I.B. 1992), "nu de tekst geen enkel onderscheid maakt, niet alleen toepasselijk is wanneer het nieuwe bezwaar tegen de aanslag is gericht, die het voorwerp van het bezwaar uitmaakt, maar ook wanneer het de beslissing van de directeur zelf bekritiseert" (Cass., 10 juni 1993, A.C., 1993, nr. 278; zie ook Cass., 28 juni 1996, A.C., 1996, nr. 268). Uit dat arrest kan worden afgeleid dat het voor de toepassing van deze wetsbepaling volstaat dat de nieuwe bezwaren gericht zijn tegen de betwiste aanslag.
- De rechtspraak van Uw Hof, krachtens dewelke uit de artikelen 273, 276, 279 en 281 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen moet worden afgeleid dat de belastingschuldige voor het hof van beroep geen bezwaren kan aanvoeren die berusten op feiten die niet voor de directeur der belastingen zijn aangebracht (Cass., 20 juni 1986, A.C., 1985-86, nr. 664; Cass., 8 februari 1990, A.C., 1989-90, nr. 356), is dan ook niet toepasselijk indien de aangevoerde nieuwe bezwaren een overtreding van de wet of een schending van de op straffe van nietigheid voorgeschreven procedurevormen tot voorwerp hebben. Het is inderdaad zo dat de tekst van artikel 377, tweede lid W.I.B. 1992 niet stelt dat de grieven die een overtreding van de wet of een schending van bedoelde procedurevormen aanvoeren ook gestoeld moeten zijn op feiten die reeds in de bezwaarprocedure ter sprake kwamen. Anderzijds blijkt uit de reeds geciteerde parlementaire voorbereiding dat er geen sprake is dat de belastingplichtige het stadium van de voorziening in beroep mag afwachten om nieuwe bezwaren te formuleren met betrekking tot bepaalde feitelijke gegevens van de door hem betwiste aanslag zonder het vereiste juridisch aanknopingspunt.
- In casu stelt het hof van beroep terecht vast dat verweerster, door de niet-belastbaarheid van de litigieuze vergoeding in te roepen, een nieuwe grief aanvoert die niet aan het oordeel van de gewestelijke directeur werd onderworpen, en die een overtreding van de wet, meer bepaald van artikel 34, ,§1, 1°, van het W.I.B. 1992 tot voorwerp heeft. Na te hebben vastgesteld dat deze grief werd aangevoerd binnen de termijn voorzien bij de artikelen 378, tweede lid en 381 van het W.I.B. 1992, konden de appelrechters hieruit naar recht afleiden dat de grief ontvankelijk was. Het middel dat ervan uitgaat dat artikel 377, lid 2, W.I.B. 1992 vereist dat de feitelijke gegevens van het fiscaal dossier die voor de beoordeling van de door de belastingplichtige voor het eerst voor het hof opgeworpen wetschending noodzakelijk zijn, voorafgaand aan het oordeel van de gewestelijke directeur moeten onderworpen geweest zijn in het kader van de bezwaarprocedure, faalt naar recht
(1). Besluit: VERWERPING. ___________________________
(1)Zie BELLEN, P., "Fiscale bevoegdheid van het hof van beroep in het licht van de recente cassatierechtspraak", A.F.T., 1993, 15-22; BARBIER, C., "Deel XI. Beroepsprocedure en cassatie", in Fiscale rechtspraakoverzichten. Inkomstenbelastingen 1980-98, relevante pagina's; CARDYN, C., DEPRET, H. en LOOCKX, M., Procédure fiscale contentieuse, Brussel, Bruylant, 1992 (relevante pagina's); CLAEYS BOUUAERT, I., "Wijziging van de rechtspleging betreffende geschillen inzake directe belastingen", T.Not., 1977, 225-250; COOREMAN, P., "De procedure inzake directe belastingen en de rechten van de belastingplichtige", A.F.T., 1987, 97-105; DASSESSE, M., MINNE, P. en FORESTINI, R., Droit fiscal. Principes généraux et impôts sur les revenus, Brussel, Bruylant, 1996 ; LEVAUX, M. " Griefs nouveaux Pièces nouvelles et caractère d'ordre public du droit fiscal ", Act. Dr., 1996, 663-754 ; MAGREMANNE, J.-P. (e.a.), Le contentieux de l'impôt sur les revenus (relevante pagina's) ; PEETERS, B. en VANDEN BROECK, M., "Onderzoek en procedure", in Knelpunten in de fiscale rechtspraak, Antwerpen, Kluwer, 1993 (relevante pagina's); PIROTTE, N., "L'adéquation du droit judiciaire privé au niveau procès fiscal en matière d'impôts sur les revenus ", J.D.F., 1999, 129-142; TIBERGHIEN, A., Handboek voor Fiscaal Recht, 1998, 554-557; TOURNICOURT, R., "Nieuwe grieven en middelen: een oud zeer", A.F.T., 1981, 162-168; VANDEBERGH, H., "De bevoegdheid van de rechtbank in een fiscaal geding: moet de rechter ambtshalve grieven tegen een aanslag inroepen?", T.F.R., 2000, 715-722; VAN ORSHOVEN, P., Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen (relevante pagina's), Kluwer, Antwerpen, 38O-417; VAN ORSHOVEN, P., "Deel IV. Gerechtelijke geschillenregeling", in De hervorming van de fiscale procedure, Antwerpen, Maklu, 1999, 205-275. Tekst van de beslissing Nr. F.02.0071.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Gent, wiens kantoor gevestigd is te 9000 Gent, Savaanstraat 11, bus 1, eiser, tegen R.M. verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 juni 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 372, 375 en 377 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals die van toepassing waren voor het aanslagjaar 1994. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt vast dat verweerster in het inleidend verzoekschrift aanvoert dat de uitbetaling ten bedrage van 120.000 BEF die zij ingevolge verkeersongeval van de NV De Vaderlandsche ontving voor een blijvende invaliditeit van 3 pct., niet belastbaar is. Bovendien stelt het bestreden arrest dat het een nieuwe grief betreft die niet aan het oordeel van de gewestelijk directeur werd onderworpen ; dat mogelijks bij het onderhoud dat de gevolmachtigde van de eiseres op 3 mei 1996 met de controleambtenaar had (zie stuk 63) ter sprake is gekomen dat het bedrag van de vergoeding niet 130.000 BEF, zoals in het bericht van wijziging van aangifte opgenomen, maar 120.000 BEF bedroeg, maar er blijkt niet dat de niet-belastbaarheid van dergelijke vergoeding ooit aan bod kwam. Het bestreden arrest besluit tenslotte dat door de niet-belastbaarheid van dergelijke vergoeding in te roepen de eiseres een overtreding van de wet, meer bepaald van artikel 34, ,§1, 1, WIB 1992 aanvoert, dat deze grief verder werd aangevoerd binnen de termijn voorzien bij de artikelen 378, tweede lid, en 381 WIB 1992 en dat de grief ontvankelijk is. Grieven Overeenkomstig artikel 377, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen mag de eiser aan het hof van beroep bezwaren onderwerpen die noch in het bezwaarschrift werden geformuleerd, noch ambtshalve door de directeur of door de door hem gedelegeerde ambtenaar werden onderzocht, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straf van nietigheid voorgeschreven procedurevormen aanvoeren. Het eerste lid van voormeld artikel bepaalt dat tegen beslissingen van de directeurs der belastingen of van zijn gedelegeerde ambtenaar hoger beroep kan worden ingesteld bij het hof van beroep. Bezwaarschriften mogen slechts worden aangevuld met nieuwe schriftelijke geformuleerde bezwaren zolang geen beslissing is gevallen (artikel 372 WIB 1992) en de directeur doet uitspraak bij met redenen omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige (artikel 375 WIB 1992). Uit de samenlezing van bovenvermelde artikelen moet worden afgeleid dat de belastingschuldige voor het hof van beroep geen bezwaren kan aanvoeren die berusten op feiten die niet voor de directeur der belastingen zijn aangebracht (zie Cass. 8 februari 1990, Arr. Cass., 1989-1990, blz. 756). Een grief moet worden aangemerkt als zijnde niet aan de directeur voorgelegd wanneer hij betrekking heeft op een belastbaar feit waaromtrent voor de directeur geen geschil aanhangig is gemaakt of door hem geen beslissing is genomen, waarbij als belastbaar feit moet worden beschouwd niet de grondslag van de aanslag in zijn geheel, maar elk zelfstandig onderdeel daarvan afzonderlijk (Cass. 27.09.1991, Arr. Cass. 1991-1992, blz. 104 ; Cass. 18.10.1985, Arr. Cass., 1985-1986, blz. 222). In casu stelt het hof van beroep vast dat de grief met betrekking tot de vergoeding wegens blijvende invaliditeit een nieuwe grief is die niet aan het oordeel van de gewestelijke directeur werd onderworpen en dat mogelijks bij het onderhoud dat de gevolmachtigde van de belastingplichtige op 3 mei 1996 (met ander woorden vóór het indienen van het bezwaarschrift van 23 december1996) met de controleambtenaar had ter sprake is gekomen dat het bedrag van de vergoeding niet 130.000 BEF maar 120.000 BEF bedroeg. Hieruit volgt dat het hof van beroep de artikelen 372, 375 en 377 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)schendt door te beslissen dat door de niet-belastbaarheid van de vergoeding in te roepen, een overtreding van de wet wordt aangevoerd en om deze reden de ontvankelijkheid van deze grief uit te spreken, schendt het hof bijgevolg de artikelen 372, 375 en 377 WIB 1992. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 377, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), de eiser aan het hof van beroep bezwaren mag onderwerpen die noch in het bezwaarschrift werden geformuleerd, noch ambtshalve door de directeur werden onderzocht, voor zover zij een overtreding van de wet of een schending van de op straf van nietigheid voorgeschreven procedurevormen inroepen ; Dat het begrip overtreding van de wet in voormeld artikel niet beperkt is tot bezwaren die betrekking hebben op het voorwerp van de oorspronkelijke betwisting ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat :
- verweerster in het inleidend verzoekschrift aanvoert dat de uitbetaling ten bedrage van 120.000 BEF die zij ingevolge een verkeersongeval van de NV De Vaderlandsche ontving voor een blijvende invaliditeit van 3 pct., niet belastbaar is ;
- het een nieuwe grief betreft die niet aan het oordeel van de gewestelijke directeur werd onderworpen ;
- mogelijks bij het onderhoud dat de gevolmachtigde van de verweerster op 3 mei 1996 met de controleambtenaar had ter sprake is gekomen dat het bedrag van de vergoeding niet 130.000 BEF, zoals in het bericht van wijziging van aangifte opgenomen, maar 120.000 BEF bedroeg, maar niet blijkt dat de niet-belastbaarheid van dergelijke vergoeding tijdens de bezwaarfase ooit aan bod kwam ;
- door de niet-belastbaarheid van dergelijke vergoeding in te roepen verweerster een overtreding van de wet, meer bepaald van artikel 34, ,§1, 1° van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)aanvoert ; 5. deze grief verder werd aangevoerd binnen de termijn voorzien bij de artikelen 378, tweede lid, en 381 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992); Dat de appèlrechters op grond hiervan oordelen dat de grief ontvankelijk is ; Dat zij aldus hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenentachtig euro negenenzeventig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vierentwintig december tweeduizend en vier uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041224.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div