id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.2 Rolnummer: C.03.0129.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-04-28 Raadplegingen: 740 - laatst gezien 2026-07-04 13:14 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter kan inzake handelsverrichtingen uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden putten en het bewijs erin vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis; dit geldt ook wanneer de aanvaarde factuur is gestuurd in uitvoering van een schriftelijke overeenkomst maar daarvan afwijkende verbintenissen inhoudt
(1).
(1)Zie Cass., 27 jan. 2000, AR C.98.0114.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000127.4, nr
- Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Handelsverbintenissen Factuur Aanvaarding Feitelijk vermoeden Tekst van de beslissing Nr. C.03.0129.N OLINGER OIL, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te 8700 Tielt, Marialoopsesteenweg 5, ingeschreven in het handelsregister te Brugge, nummer 87.744, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen AUTOBEDRIJF DEWINTER, naamloze vennootschap, met zetel te 8700 Tielt, Pittemsesteenweg 22, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 12 maart 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel ; artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissing De zesentwintigste kamer van het Hof van Beroep te Gent verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in die mate gegrond dat de verkoopsovereenkomst van 23 juli 1993 ontbonden wordt verklaard in het nadeel van eiseres met ingang van 15 februari 1999, dat eiseres wordt veroordeeld tot terugbetaling aan verweerster van een bedrag van 3.569,67 euro voor de betaalde facturen vanaf 17 maart 1995 tot en met 27 oktober 1997, dat verweerster wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de onbetaalde facturen van 28 februari 1998 tot en met 25 februari 1999, zijnde een bedrag van 2.974,72 euro, en dat voor recht wordt gezegd dat, na compensatie, eiseres een bedrag van 594,94 euro verschuldigd blijft aan verweerster, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf de datum van ingebrekestelling van 15 januari
- Verder wordt eiseres veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen en wordt het anders of meer gevorderde afgewezen als ongegrond. Na op correcte wijze te hebben vastgesteld dat de overeenkomst tussen partijen deze partijen tot wet strekt, zodat er niet eenzijdig kan worden van afgeweken zonder de instemming van de wederpartij (arrest, p. 6, eerste alinea) en deze overeenkomst bovendien te goeder trouw dient te worden uitgevoerd tussen partijen (arrest, p. 6, vierde alinea), besluit het hof van beroep op basis van de voorliggende gegevens en de vaststelling dat minerale olie minstens de helft minder kost dan half synthetische olie, dat verweerster slechts de reële en niet de conventionele prijs van de geleverde "Penta" olie verschuldigd is aan eiseres (arrest, p. 6, onderaan). Na in feite te hebben vastgesteld dat "Stratus" een halfsynthetische olie is terwijl "Penta" een minerale olie is, dat de "Stratus" olie gemiddeld bij diverse olieleveranciers meer dan tweemaal de prijs kost van een minerale olie en dat synthetische olie gemiddeld op de markt 2,5 maal de prijs kost van minerale olie (arrest, p. 5, derde alinea), oordeelt het hof van beroep in dit verband dat in casu geen bewijs voorligt van het feit dat de wijziging van de aard van het geleverde product (in onderling overleg) werd overeengekomen (arrest, p. 5, eerste en tweede alinea), dat de stelling van eiseres dat een andere kwaliteit van olie werd geleverd op uitdrukkelijk verzoek van tegenpartij "niet geloofwaardig overkomt" (arrest, p. 6, derde alinea), en dat een uitvoering te goeder trouw betekent dat de leverancier, wetende dat hij een andere kwaliteit leverde (aan een voor hem aanzienlijk mindere aankoopprijs en afgezien van de mogelijke schadelijke gevolgen voor de motoren van de voertuigen), de plicht had zijn afnemer in te lichten nopens de gewijzigde kwaliteit en prijs (wat niet gebeurde), welke informatie in handelszaken niet alleen de goede uitvoering van het contract doch bovendien de aansprakelijkheid van de leverancier voor mogelijke schadelijke gevolgen zou hebben gegarandeerd/gedekt (arrest, pp. 5-6). Verder steunt het hof zijn beslissing dat geen bewijs voorligt van een verzoek tot en akkoord over de wijziging van het te leveren product, op de motiveringen dat de wijziging in de aard van het product niet wordt gedekt door een andere benaming, noch door het protestloos betalen van de facturen (arrest, p. 5, voorlaatste alinea), dat er geen prijsaanpassing geschiedde bij de facturatie (arrest, p. 6, derde alinea) en dat een zeer aanzienlijk prijsverschil van minstens 50 pct. aan de afnemer onmiddellijk zou zijn opgevallen als niet toegepast bij de facturatie (arrest, p. 6, vierde alinea ; waarmee het hof allicht bedoelt te stellen dat, indien het verzoek tot levering van een andere olie daadwerkelijk zou zijn uitgegaan van tegenpartij, deze een facturatie aan een ongewijzigde prijs onmiddellijk zou hebben opgemerkt aangezien er een prijsverschil van minstens 50 pct. moest zijn). Grieven 1.
- Eerste onderdeel Ter staving van de stelling dat de wijziging (van het type olie) in onderling overleg geschiedde, voerde eiseres het volgende aan (zie de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 11 oktober 2000, pp. 3-4, en de (aanvullende) besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 28 maart 2001, p. 3) : "Dat de wijziging qua type olie wel degelijk gebeurde met uitdrukkelijk akkoord, meer zelfs op uitdrukkelijk verzoek van (verweerster) kan toch niet worden betwist. Dit werd wel niet in een nieuwe schriftelijke overeenkomst gezet, doch anderzijds wordt dit meer dan afdoende bewezen door volgende gegevens : 2.
- Vanaf 1995 neemt (verweerster) olie van een ander type nl. type PENTA 2002 SAE 15W40 API in ontvangst. Zij verwerkt die olie van 1995 tot 1997 zonder de minste opmerking te maken. Als vakman is (verweerster) toch wel verondersteld het verschil te zien/ondervinden tussen de soorten olie. Geen enkel garagist zal gedurende 4 jaar met olie werken waarvan hij de kwaliteiten niet kent en die niet zou voldoen aan zijn kwaliteitsvraag Gezien (verweerster) de olie in kwestie van 95 tot 97 zonder enige opmerking heeft in ontvangst genomen en verwerkt, vormt dit een eerste bewijs dat (verweerster) wel degelijk zulke olie had besteld en m.a.w. dat het kontrakt van 1993 qua voorwerp in onderling akkoord van partijen, was veranderd. 2.
- Bovendien staat de naam van het type olie uitdrukkelijk vermeld op alle vaten die werden geleverd. Zelfs zo (verweerster) (als garagist) niet gemerkt zou hebben aan de olie zelf dat het om een ander type olie ging (hetgeen onmogelijk is), dan had zij dit toch minstens moeten/kunnen zien aan de vermelding op de vaten olie die zij in ontvangst nam. Op de eerste vaten stond er vermeld dat het ging om stratus, op de later geleverde vaten staat er in koeien van letters dat het gaat om penta. Dit is het tweede bewijs dat (verweerster) wist dat het om een ander type olie ging. 2.
- Tenslotte vermelden zowel de leveringsbons als de facturen vanaf 1995 dat het gaat om olie van het type penta 2002 SAE 15W 40 API. (Verweerster) ontkent niet dat zij deze facturen heeft ontvangen, meer nog heeft die facturen allemaal protestloos betaald dit zowel in 1995, 1996 als in
- In totaal betaalde (verweerster) 7 facturen waarop penta-olie vermeld wordt. (zie stukken 116 tot 1112). Dit vormt het derde bewijs dat (verweerster) akkoord was dat dit het type olie was dat moest geleverd worden. 2.
- Als handelaar is de houding van (verweerster) dan ook omstandig: Een garagehouder die gedurende 3 jaar protestloos een ander type olie in ontvangst neemt en verwerkt, die vaten geleverd krijgt waarop de naam van de soort olie uitdrukkelijk vermeld staat en die de overeenstemmende facturen protestloos betaalt, kan niet ernstig meer voorhouden dat hij pas voor het eerst in 1999 ( ) tot de constatatie komt dat hem niet werd geleverd conform hetgeen contractueel was bedongen. Waar het korrekt is dat de door (eiseres) in 1995, 1996 en 1997 geleverde olie niet meer het type olie was dat in het kontrakt van 1993 vermeld stond, is het anderzijds duidelijk dat uit de jarenlange levering van een ander type olie en de jarenlange protestloze aanvaarding, verwerking van de olie en betaling van de facturen vaststaat dat partijen in onderling akkoord (mondeling) zijn afgeweken van het type olie dat moest worden geleverd.", en "(Verweersters) verwijt (..) dat (eiseres) een type olie zou geleverd hebben dat afweek van het type olie dat in de overeenkomst vermeld staat en dat zij dit eenzijdig had gedaan zonder akkoord van (verweerster), is volkomen onterecht. Zoals reeds in vorige besluiten uiteengezet, werd in 1993 schriftelijk overeengekomen dat olie Stratus 10 W 40 SG/CD zou worden afgeroepen en geleverd. Dit gebeurde ook zo in 1993 en in
- In 1995 gaf (verweerster) te kennen dat zij liever een andere soort olie zou afnemen met name Penta 2002 SAE 15W40 API. Dit werd niet schriftelijk overeengekomen, doch niets dwingt partijen om een akkoord van partijen waarbij ze de oorspronkelijke overeenkomst wijzigen, in een geschrift neer te zetten. De instemming van partijen kan mondeling gegeven zijn en moet niet geschreven zijn en kan worden bewezen door alle middelen van recht, inclusief vermoedens en getuigen. Het bewijsmiddel bij uitstek is de uitvoering van de overeenkomst. Welnu, vanaf 1995 heeft (eiseres) olie van het type Penta 2002 SAE 15 W 40 API geleverd aan (verweerster) op afroep, gefactureerd aan (verweerster) en heeft (verweerster) deze olie aanvaard, deze fakturen aanvaard en deze facturen betaald zonder enig protest dit van1995 tot
- (Eiseres) verwijst naar haar vorige besluiten waar zij in extenso heeft uiteengezet dat uit alle handelingen van (verweerster) in de periode 1995 tot 1997 duidelijk blijkt dat zij jarenlang protestloos het ander type olie heeft aanvaard, verwerkt en betaald. Zo deze olie niet conform was met hetgeen tussen partijen was overeengekomen, dan had (verweerster) als handelaar - garagist (vakman) de plicht te protesteren. De bewering dat 'de olie ondermeer moest dienen voor turbo- en injectiemotoren' en de bewering dat de geleverde kwaliteit Penta hiervoor niet dienend is, is een bewering die (verweerster) nu pas voor het eerst naar voor brengt. Als dit zo zou zijn, dan kan (verweerster) geen 3 jaar lang (van 95 tot 98) de volgens haar verkeerde olie hebben gekregen zonder dat ze ooit een schadegeval had of problemen... - de olievaten vermelden dat het gaat om Penta. - de olie zelf wordt 3 jaar lang door (verweerster)-vakman gebruikt en verwerkt zonder enige opmerking. Dit bewijst dat de olie voldeed aan zijn bestelling, zoniet zou hij als vakman toch allang geprotesteerd (hebben). - de bestelbons en de fakturen vermelden allemaal dat het gaat om Penta-olie. - De fakturen werden van 1995 tot 1997 zonder enige opmerking betaald. - De olie werd gedurende 3 jaar verwerkt. Voor een garagist is een produkt als olie zeer belangrijk en geen enkel garagist zal olie gebruiken waarvan hij de kwaliteit niet kent. Een garagist ziet direct als een ander soort olie wordt geleverd, en (verweerster) kan dan ook niet ernstig voorhouden dat zij 3 jaar lang olie zou gebruikt en verwerkt hebben zonder te weten om welke soort kwaliteit van olie het ging. Dit is compleet ongeloofwaardig. Het feit dat (verweerster) bovendien al de facturen (alle betaalde en pas voor het eerst protesteerde nopens de 'kwaliteit' van de olie op het moment dat zij 5 facturen onbetaald had staan bij (eiseres), is nog maar eens een bewijs te meer dat haar protest veeleer ingegeven is door haar eigen wanprestatie dan door het feit dat er sprake zou zijn van verkeerd geleverde olie Samengevat voerde eiseres bijgevolg aan
(1)dat verweerster, als vakman, de betreffende olie van 1995 tot 1997 zonder enige opmerking verwerkte,
(2)dat de naam van de olie (het type olie) uitdrukkelijk werd vermeld op alle geleverde vaten,
(3)dat alle leveringsbons en alle facturen vermeldden dat het om "Penta" olie ging en
(4)dat zeven facturen probleemloos werden betaald. Deze vier pertinente en op omstandige wijze uiteengezette argumenten inzake het akkoord (minstens het verzoek van tegenpartij) tot wijziging van het geleverd product worden door het hof van beroep niet beantwoord. Daartoe volstaan niet de feitelijke vaststellingen inzake het verschil tussen beide oliën, noch de loutere vaststelling dat een gewijzigde benaming en het protestloos aanvaarden van de facturen de wijziging in de aard van het product niet "dekken". Minstens wordt niet op afdoende wijze geantwoord op deze middelen, zodat het arrest niet regelmatig met redenen is omkleed (miskenning van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet). 1.
- Tweede onderdeel Indien er, zoals het hof van beroep in dezen oordeelt, geen bewijs zou voorliggen van het feit dat de wijziging van de aard van het geleverde product (in onderling overleg) werd overeengekomen, kan in dit verband het protestloos aanvaarden van alle facturen en het protestloos betalen van verschillende facturen niet als irrelevant worden bestempeld. Artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel bepaalt te dezen dat koop en verkoop kunnen worden bewezen door een aangenomen factuur (onverminderd de overige door de handelswet toegelaten bewijsmiddelen). Ingevolge de betaling van een factuur, ontstaat een vermoeden van aanvaarding van de facturen (en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen). De rechter kan overigens inzake handelsverrichtingen uit de aanneming van de factuur een feitelijk vermoeden putten en er het bewijs in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis. Dit is eveneens het geval wanneer, zoals in casu, de aangenomen factuur is gestuurd in uitvoering van een schriftelijke overeenkomst, maar daarvan afwijkende verbintenissen inhoudt. Bijgevolg kan het hof van beroep niet oordelen dat de wijziging in de aard van het product niet wordt gedekt door het protestloos betalen van de facturen (arrest, p. 6, voorlaatste alinea) en diende het hof van beroep rekening te houden met het protestloos aanvaarden en betalen van de facturen (schending van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel). Hierbij moet worden benadrukt dat indien de facturen als aanvaard dienen te worden beschouwd (en de oorspronkelijke overeenkomst aldus minstens stilzwijgend werd gewijzigd), de ontstentenis van uitvoering te goeder trouw van de "oorspronkelijke" overeenkomst geen rol meer speelt. De door artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek opgelegde verplichting overeenkomsten te goeder trouw ten uitvoer te brengen geldt immers slechts ten aanzien van de verbintenissen zoals zij, op het ogenblik van de uitvoering ervan, tussen partijen gelden. Te dezen kon, zoals gezegd, de wijziging van de oorspronkelijk tussen partijen getekende overeenkomst, worden bewezen door de aanvaarding en betaling van de facturen waaruit de levering van een andere olie bleek dan deze die oorspronkelijk was bepaald. Bijgevolg kan niet wettig worden geoordeeld dat het beweerdelijk laattijdig protest van verweerster het gebrek aan uitvoering te goeder trouw niet kon dekken (arrest, p. 6, zesde alinea) (schending van artikel 1134, derde lid van het Burgerlijk Wetboek).
- Tweede middel Geschonden bepalingen artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel ; voor zoveel als nodig, de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De zesentwintigste kamer van het Hof van Beroep te Gent verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in die mate gegrond dat de verkoopsovereenkomst van 23 juli 1993 ontbonden wordt verklaard in het nadeel van eiseres met ingang van 15 februari 1999, dat eiseres wordt veroordeeld tot terugbetaling aan verweerster van een bedrag van 3.569,67 euro voor de betaalde facturen vanaf 17 maart 1995 tot en met 27 oktober 1997, dat verweerster wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de onbetaalde facturen van 28 februari 1998 tot en met 25 februari 1999, zijnde een bedrag van 2.974,72 euro, en dat voor recht wordt gezegd dat, na compensatie, eiseres een bedrag van 594,94 euro verschuldigd blijft aan verweerster, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf de datum van ingebrekestelling van 15 januari
- Verder wordt eiseres veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen en wordt het anders of meer gevorderde afgewezen als ongegrond. Het hof van beroep besluit op basis van de voorliggende gegevens en de vaststelling dat minerale olie minstens de helft minder kost dan half synthetische olie, dat verweerster slechts de reële en niet de conventionele prijs van de geleverde "Penta" olie verschuldigd is aan eiseres (arrest, p. 6, onderaan). Het hof van beroep overweegt hiertoe dat overeenkomsten te goeder trouw dienen te worden uitgevoerd tussen partijen (arrest, p. 5, vierde alinea), dat minstens een halvering van de kostprijs van de bestelde olie ingevolge de levering van een andere soort, door de leverancier had dienen te worden medegedeeld aan de afnemer, te meer daar tussen partijen een contract bestond nopens de prijs en de kwaliteit van de olie (arrest, p. 5, vijfde alinea), dat een uitvoering te goeder trouw betekent dat de leverancier, wetende dat hij een andere kwaliteit leverde (aan een voor hem aanzienlijk mindere aankoopprijs en afgezien van de mogelijke schadelijke gevolgen voor de motoren van de voertuigen), de plicht had zijn afnemer in te lichten nopens de gewijzigde kwaliteit en prijs (wat niet gebeurde), welke informatie in handelszaken niet alleen de goede uitvoering van het contract doch bovendien de aansprakelijkheid van de leverancier voor mogelijke schadelijke gevolgen zou hebben gegarandeerd/gedekt (arrest, pp. 5-6), en dat het beweerdelijk laattijdig protest van verweerster het gebrek aan uitvoering te goeder trouw niet kan dekken (arrest, p. 6, zesde alinea). Grieven 2.
- Eerste onderdeel Indien zou moeten worden aanvaard dat het hof van beroep kon oordelen dat er geen verzoek tot noch akkoord over de wijziging van het te leveren product voorlag of bewezen werd, zodat gebeurlijk moet worden aangenomen dat de betrokken overeenkomst tussen partijen niet te goeder trouw werd uitgevoerd, dan kunnen hieraan niet de rechtsgevolgen worden gekoppeld die het hof van beroep er in casu aan verbindt, meer bepaald de 'aanpassing' van de overeenkomst, waarbij inzonderheid wordt gesteld dat verweerster slechts de reële en niet de conventionele prijs van de geleverde "Penta" olie verschuldigd is aan eiseres en zelfs de (protestloos aanvaarde en gedeeltelijk reeds betaalde) facturen worden "aangepast". Als de overeenkomst niet regelmatig zou zijn uitgevoerd (door het eenzijdig wijzigen van de geleverde producten), houdt dit niet in dat de hierin voorkomende verbintenissen van partijen zomaar kunnen worden "aangepast". Overeenkomstig artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, strekken wettig aangegane overeenkomsten partijen namelijk tot wet en het behoort niet aan de rechter overeenkomsten, weze het om redenen van billijkheid, aan te passen of te herzien. Derhalve is de beslissing tot aanpassing van de koopprijs ten gunste van tegenpartij niet naar recht verantwoord, dit zowel voor de reeds betaalde facturen als voor de nog onbetaald gebleven facturen, en miskent het hof van beroep artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek. 2.
- Tweede onderdeel Het hof van beroep kon alleszins niet oordelen dat het beweerdelijk laattijdig protest het gebrek aan uitvoering te goeder trouw niet kan dekken (arrest, p. 6, zesde alinea). Overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel kunnen handelsverbintenissen, inzonderheid de koop en verkoop, bewezen worden door het aanvaarden van de factuur. Een factuur moet in beginsel als aanvaard worden beschouwd wanneer zij niet binnen een korte termijn na ontvangst wordt geprotesteerd. Als een overeenkomst niet regelmatig wordt uitgevoerd, neemt dit met name niet weg dat wanneer de facturen laattijdig worden geprotesteerd, men het recht verliest zich op de gebrekkige uitvoering van de overeenkomst te beroepen. Het laattijdig protest van een factuur kan met andere woorden de aanvaarding van de factuur niet meer ongedaan maken, wat onmiskenbaar een gevolg heeft ten aanzien van de contractuele tekortkoming waarvan men gewag wil maken. Hierbij moet te dezen worden herhaald dat, zoals in het eerste middel tot cassatie aangevoerd, indien de facturen als aanvaard dienen te worden beschouwd, de oorspronkelijke overeenkomst gewijzigd moet worden geacht en de uitvoering te goeder trouw van de oorspronkelijke overeenkomst geen rol meer speelt. Bijgevolg diende het hof van beroep rekening te houden met het protestloos aanvaarden (en betalen) van de facturen, minstens met het laattijdig protesteren ervan (schending van artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel). Minstens miskende het hof aldus de aan een aanvaarde factuur verleende bewijswaarde (schending van de artikelen 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel en, voor zoveel als nodig, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
- Derde middel Geschonden bepalingen de artikelen 1101, 1108, 1134, inzonderheid tweede lid, 1319, 1320, 1322, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 821, 823 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De zesentwintigste kamer van het Hof van Beroep te Gent verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in die mate gegrond dat de verkoopsovereenkomst van 23 juli 1993 ontbonden wordt verklaard in het nadeel van eiseres met ingang van 15 februari 1999, dat eiseres wordt veroordeeld tot terugbetaling aan verweerster van een bedrag van 3.569,67 euro voor de betaalde facturen vanaf 17 maart 1995 tot en met 27 oktober 1997, dat verweerster wordt veroordeeld tot betaling van de helft van de onbetaalde facturen van 28 februari 1998 tot en met 25 februari 1999, zijnde een bedrag van 2.974,72 euro, en dat voor recht wordt gezegd dat, na compensatie, eiseres een bedrag van 594,94 euro verschuldigd blijft aan verweerster, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf de datum van ingebrekestelling van 15 januari
- Verder wordt eiseres veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen en wordt het anders of meer gevorderde afgewezen als ongegrond. Het hof van beroep overweegt hiertoe onder meer dat, daar verweerster voor de niet-tijdige afname van het voorziene quotum (op afroep) nooit in gebreke werd gesteld en na de contractuele termijn van vier jaar nog olie werd afgeroepen en geleverd, de duur van de overeenkomst tussen partijen als niet essentieel werd aangezien en minstens stilzwijgend werd verlengd (arrest, p. 7, derde- en voorlaatste alinea), evenals dat, gelet op het feit dat op de inhoud van de aangetekende brief van 5 februari 1999 van verweerster, hernomen op 15 februari 1999 door haar raadsman, pas op 24 januari 2000 door de raadsman van eiseres werd gereageerd, in welke brief weliswaar aan verweerster de mogelijkheid werd geboden tegen 31 januari 2000 de (resterende 2.600 liter) olie tegen de overeengekomen prijs in één maal af te roepen en te ontvangen, waarbij aan verweerster de keuze werd gelaten tussen het type "Stratus" of het type "Penta", mag worden aangenomen dat in het handelsverkeer het uitblijven van enige reactie gedurende bijna één jaar op een duidelijke "ingebrekestelling tot stopzetting" van de handelsbetrekkingen tussen contractpartijen, als een aanvaarding van deze stopzetting mag worden aangezien (arrest, p. 7, vanaf het midden). Grieven 3.
- Eerste onderdeel Het hof van beroep bestempelt de brief van verweerster van 5 februari 1999, hernomen op 15 februari 1999 door haar raadsman, waarin gesproken wordt van de onmogelijkheid tot verdere samenwerking en het afzien van verdere olieafname, als een duidelijke "ingebrekestelling" tot stopzetting van de handelsbetrekkingen tussen contractpartijen. In de brief van 5 februari 1999 (vormend stuk 10 van eiseres' stavingsstukken) stelde verweersters zaakvoerder onder meer : "Door het niet opvolgen van het contract van uwentwege, zien wij ons genoodzaakt dit meteen stop te zetten en voorlopig af te zien van betaling van de openstaande fakturen". In de brief van 15 februari 1999, uitgaande van de raadsman van verweerster (vormend stuk 11 van eiseres' stavingsstukken) werd onder meer gesteld : "U zal begrijpen dat dergelijke praktijken een ernstige fout uitmaken en bovendien van aard zijn om iedere verdere samenwerking onmogelijk te maken. Mijn cliënte zal dan ook afzien van verdere olieafname van de BVBA Olinger". Deze brieven houden aldus niet zozeer een "ingebrekestelling tot stopzetting" van de overeenkomst in, doch vormen veeleer de uitdrukking van de wil tot beëindiging van de overeenkomst. Door deze brieven beëindigt verweerster de overeenkomst wegens de aan eiseres verweten tekortkomingen. Deze brieven kunnen enkel bestempeld worden als een (eenzijdige) beëindiging van de overeenkomst, doch niet als een "ingebrekestelling tot stopzetting" (wat daarmee ook moge worden bedoeld). Door deze stukken slechts als een "ingebrekestelling tot stopzetting" te beschouwen schendt het hof de bewijskracht van deze brieven, daar het hof aldus aan voornoemde brieven een betekenis geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). 3.
- Tweede onderdeel Uit de omstandigheid dat gedurende bijna één jaar niet werd gereageerd op een duidelijke "ingebrekestelling tot stopzetting", leidt het hof van beroep de "aanvaarding" door eiseres van de stopzetting van de handelsbetrekkingen tussen contractpartijen af, waaruit vervolgens (het weze impliciet) de afwezigheid van noodzaak tot verdere uitvoering van de overeenkomst tussen partijen wordt afgeleid. Het hof van beroep kan ter zake, gesteld dat er sprake zou kunnen zijn van een "ingebrekestelling tot stopzetting van de handelsbetrekkingen tussen contractpartijen", uit het enkele "uitblijven van enige reactie gedurende bijna één jaar", geenszins een aanvaarding van de stopzetting afleiden. Het louter stilzitten van een partij kan niet worden opgevat als een rechtsgeldige toestemming, zoals vereist voor het ontstaan of beëindigen van een overeenkomst in de zin van de artikelen 1101, 1108 en 1134, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (schending van de artikelen 1101, 1108 en 1134, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). Uit het louter stilzitten van een partij kon evenmin bij wege van vermoedens besloten worden tot het voorhanden zijn van een toestemming. Waar de feitenrechter op onaantastbare wijze de feiten vaststelt op grond waarvan hij, bij wege van vermoedens, kon besluiten tot een onbekend feit, behoort het tot de bevoegdheid van het Hof na te gaan, wanneer eiser tot cassatie hierom verzoekt, of de feitenrechter het wettelijk begrip "feitelijk vermoeden" niet heeft miskend, met name door aan de door hem soeverein vastgestelde feiten een gevolg te verbinden dat erdoor niet kan worden verantwoord. Te dezen kan uit het louter stilzitten van een partij geen toestemming met een "ingebrekestelling tot stopzetting" van een overeenkomst worden afgeleid (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). Evenmin kan uit het loutere stilzitten van eiseres een afstand van het recht om de verdere uitvoering van de overeenkomst te eisen, worden afgeleid. Een afstand van een recht wordt namelijk niet vermoed en kan enkel worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn, waartoe het louter stilzitten van eiseres niet volstaat (schending van de artikelen 821, 823 en 824 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Tweede onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van het Wetboek van Koophandel, koop en verkoop kunnen bewezen worden door middel van een aanvaarde factuur, onverminderd de andere bewijsmiddelen die door de wetten op de koophandel zijn toegelaten ; Dat, krachtens die wetsbepaling, de rechter inzake handelsverrichtingen uit de aanvaarding van de factuur een feitelijk vermoeden kan putten en er het bewijs kan in vinden dat de schuldenaar zijn akkoord heeft gegeven met de in de factuur vermelde verbintenis ; Dat dit ook geldt wanneer de aanvaarde factuur is gestuurd in uitvoering van een schriftelijke overeenkomst maar daarvan gedeeltelijk afwijkende verbintenissen inhoudt ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat van 1995 tot 1997 de facturen voor Penta-olie door verweerster betaald zijn geworden, en dat de facturen slechts vanaf februari 1998 niet meer betaald werden ; dat zij evenwel die omstandigheid niet in hun beoordeling betrekken en oordelen dat eiseres haar verplichtingen niet is nagekomen ; Dat zij aldus hun beslissing niet naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Stassijns en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van zeven januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170127.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000127.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080124.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div