id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.3 Rolnummer: C.03.0120.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-04-28 Raadplegingen: 485 - laatst gezien 2026-07-04 00:39 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter die op grond van de omstandigheden van de zaak onaantastbaar in feite oordeelt dat er bij de beëindiging van de concessie sprake is van een aanzienlijke meerwaarde van cliënteel die de concessiehouder tijdens de duur van de concessie heeft opgebouwd en waarvan redelijk kan worden aangenomen dat zij de concessiegever trouw zal blijven, hoeft voor de raming van de billijke bijkomende vergoeding de meerwaarde inzake cliënteel niet noodzakelijk te bepalen op grond van een vergelijking van het cliëntenbestand bij het begin en bij het einde van de concessieovereenkomst
(1).
(1)Zie B. Goossens, Commentaar Bijzondere Overeenkomsten, "Concessie van alleenverkoop, Commentaar bij artikel 3", 135, nr
- Thesaurus CAS: KOOP Vrije woorden: KOOP Concessie van alleenverkoop voor onbepaalde tijd Eenzijdige beëindiging Billijke bijkomende vergoeding Meerwaarde inzake cliënteel Wijze van berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 27-07-1961 - Art.3,1° Tekst van de beslissing Nr. C.03.0120.N CARROSSERIE BREM, naamloze vennootschap, met zetel te 2630 Aartselaar, Leugstraat 89, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer 212.640, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VEHICULES FRIGORIFIQUES LAMBERET SA, vennootschap naar Frans recht, met zetel te 1380 Saint-Cyr-Sur-Menthon, Frankrijk, B.P. 43, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest berekent de billijke vergoeding, verschuldigd krachtens artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961, op 148.736,11 euro op basis van de hierna volgende overwegingen : "De berekening van deze vergoeding op 99.157,41 euro per jaar door de eerste rechter is correct en het hof neemt de overwegingen van de eerste rechter ter zake integraal over. (Eiseres) toont niet aan dat deze berekening onjuist is. De billijke vergoeding overeenkomstig art. 2 van de Wet van 27 juli 1961 wordt dan ook bepaald op 148.736,11 euro" (arrest, p. 10). De eerste rechter had in zijn vonnis van 24 juni 1994 beslist dat "Partijen twisten ook over de berekening van de vergoeding. De gerechtelijke deskundige is van mening dat het 'gemiddeld gewogen bedrijfsresultaat op jaarbasis', dat volgens hem 4.935.917 BEF bedraagt, in aanmerking moet worden genomen. Het 'niet gewogen gemiddeld bedrijfsresultaat' bepaalt hij op 3.912.031 BEF. De berekening van het 'netto bedrijfsresultaat' wordt als volgt toegelicht : 'Bij het bepalen van het bedrijfsresultaat van (eiseres) hebben we ons gebaseerd op de ons voorgelegde jaarrekeningen. Vervolgens werden op het resultaat van het boekjaar een aantal verbeteringen uitgevoerd (zie tabel blz. 34) : - de vergoeding aan de bestuurder wordt beschouwd als een manier van beschikking over bedrijfsresultaten, net zoals dit het geval is met het aanleggen van reserves of de uitkering van dividenden ; - het resultaat van het boekjaar wordt verhoogd met de niet samendrukbare kosten (vaste kosten), welke de afschrijvingen zijn van het boekjaar, het zijn de kosten die verband houden met de investeringen die (eiseres) gedaan heeft m.b.t. de uitbating van de verkoopsconcessie. Het verbeterd bedrijfsresultaat wordt elk boekjaar vermenigvuldigd met het percentage dat het aandeel weergeeft van de Lamberet omzet ten opzichte van de totale omzet. Vervolgens wordt het bedrijfsresultaat uit de Lamberet activiteit omgerekend op jaarbasis (maal 12/9), om rekening te houden met het derde boekjaar dat loopt van 01.01.1990 tot 31.09.
- Om rekening te houden met de belangrijkheid van de verschillende boekjaren werd de omzet uit de Lamberet activiteit van de laatste vijf boekjaren (462.300.000 BEF) procentueel verdeeld over deze vijf jaren (Lamberet omzet boekjaar/totaal Lamberet omzet vijf boekjaren)' (rapport, pp. 30 en 35). (Verweerster) betoogt : 'Volgens bedrijfsrevisor C. zou men verwachten dat het werkelijke winstcijfer een belastingslast zou dragen van 40 pct. en niet de kleine bedragen die in de berekeningen van de gerechtsdeskundige worden gehanteerd' (...). Aangezien de vergoeding belastbaar is, mag er geen rekening worden gehouden met de belasting, de belasting mag m.a.w. niet van de omzet worden (...). Zoals (verweerster) stelt, had de gerechtelijke expert rekening moeten houden met het feit dat de omzet in 1990-1991 uitzonderlijk hoog is geweest doordat 50 pct. van de goederen, tengevolge van het wegvallen van de 'Duitse concessie', doorverkocht zijn in Duitsland. (verweerster) heeft het over een 'eenmalige en uitzonderlijke situatie' (...). Gelet op het vorenoverwogene kent de rechtbank, ex aequo et bono, een vergoeding van 4.000.000 BEF toe" (vonnis, p. 8-9). Grieven Het aangevochten arrest neemt de overwegingen van de eerste rechter terzake de berekening van de billijke vergoeding op grond van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961, integraal over. De eerste rechter nam op zijn beurt de redenering van de gerechtelijke expert over die in extenso in het vonnis werd geciteerd. De gerechtsdeskundige nam als uitgangspunt van de berekening van de billijke vergoeding het resultaat van het boekjaar van eiseres. Bij dit resultaat telde de expert de vergoedingen aan de bestuurders en de afschrijvingen op. Dit aldus verbeterd resultaat werd elk boekjaar vermenigvuldigd met het percentage dat het aandeel weergaf van de Lamberet-omzet in de totale omzet van eiseres. Dit bedrijfsresultaat uit de Lamberet activiteit werd dan op jaarbasis omgerekend om rekening te houden met de omstandigheid dat het laatste jaar onvolledig was. Tenslotte, werd door de gerechtsdeskundige het gemiddelde van de vijf laatste jaren berekend. Verder beantwoordde de eerste rechter de middelen die partijen in de debatten voor hem hadden laten gelden. De eerste rechter besliste dat geen rekening mocht worden gehouden met de belasting die dus niet van de omzet van eiseres diende te worden afgetrokken en verwierp het middel van verweerster dat het tegendeel aanvoerde maar nam daarbij desalniettemin als uitgangspunt voor de berekening van de billijke vergoeding het gemiddeld gewogen bedrijfsresultaat op jaarbasis van de Lamberet activiteiten in aanmerking zoals berekend door de gerechtsdeskundige om tot het bedrag van 99.157,41 euro of 4.000.000 BEF op jaarbasis te komen of omgerekend op de door het hof toegekende opzegtermijn van 18 maanden, 148.736,11 euro. De eerste rechter besliste verder dat de gerechtelijke expert rekening had moeten houden met het feit dat de omzet in 1990-1991 uitzonderlijk hoog was doordat eiser, door het wegvallen van de Duitse concessie van verweerster, uitzonderlijk veel goederen had kunnen verkopen in Duitsland. 1.
- Eerste onderdeel Eiseres had in haar synthesebesluiten in hoger beroep uitdrukkelijk gesteld dat het ten onrechte was dat verweerster "beweert dat de stijging van de omzet in de jaren 1990-1991 uitsluitend te wijten was aan het open vallen van de Duitse markt, waar zich op dat ogenblik geen concessiehouder meer bevond en (eiseres) tijdelijk de kans kreeg die markt te bedienen" omdat "zowel in 1990 als in 1991 (verweerster) zelf spreekt van haar filiaal te Keulen, Lamberet GmbH à Cologne, en voor 1991 (...) zij ook nog melding (maakt) van haar filiaal Lamberet H.+ R. à Ulen" en had daarbij uitdrukkelijk verwezen naar de stukken 104 en 105 van haar dossier die in graad van beroep voor het eerst werden geproduceerd teneinde de grief gericht tegen het vonnis van de eerste rechter te substantiëren (synthesebesluiten in hoger beroep, p. 13, nr. 9). Met dit middel beoogde eiseres, in graad van beroep, de redenering van de eerste rechter te bekritiseren door aan te voeren dat de stijging van haar omzet in die jaren niet het gevolg kon zijn van het open vallen van de Duitse markt wegens het verdwijnen van verweersters Duitse concessionaris omdat verweerster gedurende die jaren verder een Duitse concessionaris had hetgeen eiseres aantoonde met de overtuigingstukken 104 en 105 van haar bundel. Door louter de overwegingen van de eerste rechter over te nemen, antwoordt het hof derhalve niet op het middel van eiseres dat op precieze wijze aangaf waarom de beslissing van de eerste rechter, die de door de gerechtelijke expert bepaalde basis voor de berekening van de billijke vergoeding had gereduceerd omwille van de omstandigheid dat de expert rekening had moeten houden met het feit dat de omzet in de jaren 1990-1991 uitzonderlijk hoog is geweest wegens de omzet van eiseres in Duitsland, fout was, zodat het mitsdien artikel 149 van de Grondwet miskent. 1.
- Tweede onderdeel Eiseres had in haar synthesebesluiten in hoger beroep eveneens aangevoerd dat de eerste rechter "ten onrechte rekening (...) (hield) met de belasting die niet van de omzet zou mogen worden afgetrokken" alhoewel "op blz. 34 van het rapport van de gerechtsdeskundige vertrokken wordt -eerste lijn- van het resultaat van het boekjaar" zodat "dit al het resultaat is na belastingen" waarbij eiseres verwees naar het verslag van de gerechtsdeskundige op pagina 33, voorlaatste lijn, waar de belastingen van de omzet reeds werd afgetrokken. Met dit middel beoogde eiseres, in hoger beroep, de tegenstrijdige redenering van de eerste rechter te bekritiseren die ondanks zijn beslissing de belasting niet van de omzet af te trekken desalniettemin de berekeningen van de gerechtsdeskundige, die de belastingen wel van de omzet had afgetrokken, tot de zijne maakt met als gevolg dat de billijke vergoeding toekomende aan eiseres werd berekend op grond van een gemiddeld gewogen bedrijfsresultaat dat andermaal aan belastingen is onderworpen alhoewel bij de berekening ervan al rekening werd gehouden met de belastingen in de mate dat ze van de omzet reeds werden afgetrokken. Door de tegenstrijdige overwegingen van de eerste rechter integraal over te nemen, neemt het hof aldus deze tegenstrijdige overwegingen in zijn motivering over met een schending van artikel 149 van de Grondwet tot gevolg. Door de overwegingen van de eerste rechter over te nemen zonder verdere motivering antwoordt het hof bovendien niet op het middel door eiseres in haar synthesebesluiten in hoger beroep aangevoerd en dat er precies toe strekte het hof te wijzen op de tegenstrijdige beslissing van de eerste rechter die, na te hebben beslist dat de belastingen van de omzet niet mochten worden afgetrokken desalniettemin de berekeningen van de gerechtelijke expert, die wel de belastingen van de omzet had afgetrokken, overneemt, zodat artikel 149 van de Grondwet andermaal wordt geschonden.
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; artikel 3, inzonderheid 1°, van de Wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop zoals gewijzigd bij artikel 3 van de Wet van 13 april
- Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart de vordering van eiseres voor een billijke bijkomende vergoeding gesteund op artikel 3, 1°, van de Wet van 27 juli 1961 slechts gegrond ten belope van 24.789,35 euro op basis van de hierna volgende overwegingen : "Terecht heeft de eerste rechter ook vastgesteld dat de overgelegde cijfers niet toelaten cijfermatig juist te berekenen hoe het klantenbestand is geëvolueerd tussen het begin en het einde van de concessie. Het deskundigenverslag bevat slechts cijfers over de laatste vijfjaren, door de eerste rechter in het vonnis geciteerd. Uit deze cijfers volgt wel dat het gemiddeld bedrijfsresultaat van (eiseres) met betrekking tot de Lamberet - activiteiten in deze periode schommelde rond 79.325,93 euro (behoudens de uitschieter in het boekjaar 1 oktober 1990 tot 30 september 1991 : 158.640, 60 euro). Hieruit kan afgeleid worden dat over deze periode het klantenbestand slechts licht is toegenomen. De billijke vergoeding van 24.789,35 euro toegekend door de eerste rechter is dan ook verantwoord" (arrest, p. 11-12). De eerste rechter had aangaande de overgelegde cijfers geoordeeld dat : "Op grond van art. 3, lid 1, ,§1, maakt (eiseres) aanspraak op een vergoeding van 32.906.113 BEF. De gerechtelijke expert heeft dat bedrag als volgt berekend : 'Aangezien deze gegevens (bedoeld wordt: de administratie van de nieuwe 'concessiehouder') niet ter beschikking zijn kunnen we de waarde van het cliënteel bepalen aan de hand van de rendementswaarde. Hierbij gaan we uit van het gemiddeld gewogen bedrijfsresultaat op jaarbasis dat (eiseres) realizeerde uit de Lamberet-activiteit nl. 4.935.917 BEF. Dit bedrag wordt dan geactualiseerd om de rendementswaarde te bepalen. Het actualiseringspercentage kan bepaald worden aan de hand van het rendement van de laatste staatslening (duur : 7 jaren), namelijk 7,95 pct., te verhogen met een risicopremie tor 15 pct. Dit leidt tot een waarde van 32.906.113 BEF (4.935.917/0,015)'" (vonnis, p. 10). Grieven 2.
- Eerste onderdeel Krachtens artikel 3 van de Wet van 27 juli 1961 heeft de concessiehouder, ingeval van beëindiging van de concessieovereenkomst door de concessiegever op andere gronden dan de grove tekortkoming van de concessiehouder of ingeval deze laatste de concessieovereenkomst beëindigt wegens grove tekortkoming van de concessiegever, recht op een billijke bijkomende vergoeding. Deze bijkomende vergoeding wordt geraamd op grond van, onder meer, "de bekende meerwaarde inzake cliëntele die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract". De tekst zelf van artikel 3, 1 °, van de Wet van 27 juli 1961 legt, met het oog op de waardering van het door de concessiehouder aangebrachte cliënteel, aan de rechter een vergelijking op tussen, enerzijds, het cliënteel bestaand op het ogenblik van de aanvang van de concessieovereenkomst en, anderzijds, het cliënteelbestand zoals het bestond op het ogenblik van de beëindiging van de concessieovereenkomst. Immers de woorden "cliëntèle die door de concessiehouder is aangebracht" en "die (dit is de cliëntèle) aan de concessiegever verblijft na de beëindiging" duiden respectievelijk op cliëntèle die door de concessiehouder sedert het begin van de concessieovereenkomst werd aangebracht en op cliëntèle die op het einde van de concessieovereenkomst trouw blijft aan de concessiegever. Het verschil tussen beide vormt "de meerwaarde inzake cliëntèle" ten gunste van de concessiegever waarvoor de concessiehouder, krachtens artikel 3, 1°, van de Wet van 27 juli 1961, dient te worden vergoed. Het aangevochten arrest beaamt de hierboven uiteengezette lezing van artikel 3, 1°, van de Wet van 27 juli 1961 doch stelt vast dat de "overgelegde cijfers het niet toelaten cijfermatig juist te berekenen hoe het klantenbestand is geëvolueerd tussen het begin en het einde van de concessie" omdat "het deskundigenverslag (...) slechts de cijfers (bevat) over de laatste vijf jaren, door de eerste rechter in het vonnis geciteerd" (arrest, p. 11). Niettegenstaande het hof zelf stelt dat de meerwaarde inzake cliëntèle dient vastgesteld te worden op grond van een vergelijking tussen klantenbestand tussen begin en einde van de concessieovereenkomst, gaat het hof louter af op de cijfers van de laatste vijf jaren af om de meerwaarde inzake cliëntele te bepalen. Door de meerwaarde inzake cliënteel derhalve te bepalen op basis van andere gegevens dan op grond van een vergelijking van het cliënteel bestand bij het begin en bij het einde van de concessieovereenkomst, schendt het hof het wettelijk begrip "meerwaarde inzake cliëntèle" en mitsdien artikel 3, inzonderheid 1°, van de Wet van 27 juli
- 2.
- Tweede onderdeel De eerste rechter had vastgesteld dat de gegevens inzake de administratie van de nieuwe concessiehouder, met name de N.V. Carrosserie Matthijs, niet ter beschikking waren. Eiseres had in haar synthesebesluiten in hoger beroep echter gewezen op het feit dat "de bedrijfsresultaten ook van Matthijs bekend zijn" en verder dat "thans de cijfers van Carrosserie Matthijs wel bekend zijn en derhalve duidelijk is dat de klanten het merk Lamberet zijn trouw gebleven en alles wat nu in feite gerealiseerd wordt door Matthijs door (eiseres) zou zijn gerealiseerd" (synthesebesluiten in hoger beroep, p. 19). Daarmee beoogde eiseres in graad van beroep het hof aan te zetten tot het inachtnemen van de cijfers zoals deze bestonden in hoofde van de NV Carrosserie Matthijs op het einde van de concessieovereenkomst teneinde aldus tot de vergelijking over te gaan van het cliënteel bestand zoals het bestond in het begin en op het einde van de concessieovereenkomst. Door louter te stellen dat de eerste rechter terecht vastgesteld heeft dat de overgelegde cijfers niet toelaten cijfermatig juist te berekenen hoe het klantenbestand is geëvolueerd tussen het begin en het einde van de concessie, antwoordt het hof niet op het middel van eiseres dat uitlegde dat aan die onbeschikbaarheid van cijfers een einde was gekomen en schendt het zodoende artikel 149 van de Grondwet. 2.
- Derde onderdeel Het arrest houdt - evenmin als met de berekening van de billijke vergoeding van artikel 2 van de Wet van 27 juli 1961 - rekening met het omzetcijfer van 158.640,60 euro van het boekjaar gaande van 1 oktober 1990 tot 30 september 1991 ter berekening van de bijkomende billijke vergoeding van artikel 3, 1°, van dezelfde wet. Het hof steunt de berekening van de billijke bijkomende vergoeding inzake de cliënteel-meerwaarde op de omstandigheid dat het "gemiddelde bedrijfsresultaat van (eiseres) met betrekking tot de Lamberet - activiteiten in deze periode schommelde rond 79.325,93 euro" om te besluiten dat het klantenbestand "slechts licht is toegenomen" (arrest, p. 11-12). Het hof houdt daarbij geen rekening met het gemiddelde bedrijfsresultaat gerealiseerd gedurende het boekjaar gaande van 1 oktober 1990 tot 30 september 1991 van 158.640,60 euro. Eiseres had nochtans in haar synthesebesluiten in hoger beroep gesteld dat het ten onrechte was dat verweerster "beweert dat de stijging van de omzet in de jaren 1990-1991 uitsluitend te wijten was aan het open vallen van de Duitse markt, waar zich op dat ogenblik geen concessiehouder meer bevond en (eiser) tijdelijk de kans kreeg die markt te bedienen" omdat "zowel in 1990 als in 1991 (verweerster) zelf spreekt van haar filiaal te Keulen, Lamberet GmbH à Cologne, en voor 1991 (...) zij ook nog melding (maakt) van haar filiaal Lamberet H.+ R. à Ulen" en had daarbij uitdrukkelijk verwezen naar de stukken 104 en 105 van haar dossier die in de debatten voor de eerste rechter nog niet waren geproduceerd (synthesebesluiten in hoger beroep, p. 13, nr. 9). Met dit middel beoogde eiseres, in graad van beroep, de redenering van de eerste rechter te bekritiseren door aan te voeren dat de stijging van haar omzet in die jaren niet het gevolg kon zijn van het openvallen van de Duitse markt wegens het verdwijnen van verweersters Duitse concessionaris omdat verweerster gedurende die jaren verder een Duitse concessionaris had hetgeen eiseres aantoonde met de overtuigingstukken 104 en 105 van haar bundel. Door met betrekking tot het "gemiddelde bedrijfsresultaat" van eiseres betreffende de Lamberet activiteiten, geen rekening te houden met de cijfers van het boekjaar gaande van 1 oktober 1990 tot 30 september 1991 van 158.640,60 euro, antwoordt het hof derhalve niet op het middel van eiseres dat op precieze wijze aangaf waarom wel degelijk rekening diende te worden gehouden met deze cijfers zodat het mitsdien artikel 149 van de Grondwet miskent. IV. Beslissing van het Hof
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat "de berekening van (de billijke vergoeding) op 99.157,41 EUR per jaar door de eerste rechter correct (is)", dat "het hof de overwegingen van de eerste rechter ter zake integraal (overneemt)" en dat "(eiseres) niet (aantoont) dat deze berekening onjuist is"; Dat het beroepen vonnis zijn beslissing met betrekking tot de billijke vergoeding liet steunen, onder meer, op de reden dat "zoals (verweerster) stelt, had de gerechtelijke expert rekening moeten houden met het feit dat de omzet in 1990 - 1991 uitzonderlijk hoog is geweest, doordat 50 pct. van de goederen, ten gevolge van het wegvallen van de 'Duitse concessie', doorverkocht zijn in Duitsland" ; Dat de appèlrechters aldus het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel er van uitgaat dat de motieven van het arrest tegenstrijdig zijn waar het, met overname van de redenen van het beroepen vonnis, enerzijds oordeelt dat de belasting niet dient afgetrokken van de omzet en anderzijds de besluiten van de deskundige overneemt die de belasting wel aftrekt van de omzet ; Overwegende evenwel dat het beroepen vonnis de billijke vergoeding ex aequo et bono bepaalt op 4.000.000 BEF en aldus de berekening van de deskundige afwijst ; Dat het arrest de aangevoerde tegenstrijdigheid niet bevat ; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat de appèlrechters die zelf op niet tegenstrijdige gronden hun beslissing laten steunen, niet nader hoefden in te gaan op de opwerping dat het beroepen vonnis op tegenstrijdige redenen berustte ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat overeenkomstig artikel 3, 1°, van de wet van 27 juli 1961 betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop, de billijke bijkomende vergoeding wordt geraamd, onder meer, op grond van de bekende meerwaarde inzake cliënteel die door de concessiehouder is aangebracht en die aan de concessiegever verblijft na de beëindiging van het contract ; Dat de rechter, op grond van de concrete omstandigheden van de zaak, onaantastbaar in feite oordeelt of er bij de beëindiging van de concessie sprake is van een aanzienlijke meerwaarde van cliënteel die de concessiehouder tijdens de duur van de concessie heeft opgebouwd en waarvan redelijk kan aangenomen worden dat zij de concessiegever trouw zal blijven ; Dat het onderdeel dat er van uitgaat dat de meerwaarde inzake cliënteel alleen kan bepaald worden op grond van een vergelijking van het cliëntenbestand bij het begin en bij het einde van de concessieovereenkomst, faalt naar recht ; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de in het onderdeel aangehaalde passus uit de syntheseconclusie de appèlrechters niet verplichtte nader in te gaan op de cijfers voorgelegd door de nieuwe concessiehouder waaruit eiseres geen preciese rechtsgevolgen afleidde ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2.
- Derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters met overname van de motieven van het beroepen vonnis oordelen : "dat de omzet in 1990-1991, uitzonderlijk hoog is geweest doordat 50 % van de goederen, tengevolge van het wegvallen van de 'Duitse concessie' doorverkocht zijn in Duitsland" ; Dat de appèlrechters op grond van eigen overwegingen tevens oordelen dat "(eiseres) niet aantoont dat deze berekening onjuist is" en "dat het gemiddelde bedrijfsresultaat van (eiseres) met betrekking tot de LAMBERET activiteiten in deze periode schommelde rond 79.325,93 EUR (behoudens de uitschieter in het boekjaar 1 oktober 1990 tot 30 september 1991 : 158.640,60 EUR). Hieruit kan afgeleid worden dat over deze periode het klantenbestand slechts licht is toegenomen" ; Dat de appèlrechters aldus het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd en twaalf euro drieënzestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeven januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100426.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div