id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.4 Rolnummer: C.03.0186.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 568 - laatst gezien 2026-07-04 09:46 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van een gemeente dat beslist hoger beroep in te stellen tegen een vonnis en daartoe aan de gemeenteraad de nodige machtiging te vragen is geen bestuurshandeling in de zin van de Wet Motivering Bestuurshandelingen
(1).
(1)Zie Parl. St. Senaat 1990-91, nr 215-3, 29-
- De beslissing om hoger beroep in te stellen wijzigt in se niets aan de rechtspositie van de bestuurde; zie ook R.v.St., Matthieu, nr 30.216, 2 juni 1988, en C.E., nr 44.833, 5 november
- Thesaurus CAS: GEMEENTE Vrije woorden: GEMEENTE College van burgemeester en schepenen Besluit om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis Bestuurshandeling Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Art.2 Thesaurus CAS: MACHTEN - ALLERLEI Vrije woorden: MACHTEN - ALLERLEI Wet Motivering Bestuurshandelingen Bestuurshandeling Besluit van het college van burgemeester en schepenen Besluit om hoger beroep in te stellen tegen een vonnis Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - Art.2 Fiche 3 Uit de omstandigheid dat de notulen van de vergadering van het college van burgemeester en schepenen niet de uitslag van de stemming vermelden kan niet worden afgeleid dat het besluit niet is genomen met de wettelijk vereiste meerderheid
(1).
(1)Zie R.v.St., Verstrepen, nr 40.156, 27 augustus
- Thesaurus CAS: GEMEENTE Vrije woorden: GEMEENTE College van burgemeester en schepenen Besluit Wettelijk vereiste meerderheid Notulen Vereiste vermeldingen Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Art.108bis Annotaties Publicaties: R.W. - X; Noot - 2007-2008, 146 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0186.N
- B.G.
- B.G. 3.H.C. 4.a. B.L. 4.b. B.M. erfgenamen van wijlen K.B.
- B.F.
- D.H.
- C.M.
- D.R.
- D.M.
- D.A.
- D.Y. erfgenaam van wijlen A.D.
- G.H.
- J.J.
- D.L.
- L.M.
- N.E.
- P.Y. 18.a. S.E. 18.b. S.L. erfgenamen van wijlen J.S.
- S.J.
- V.F. 21.a. V.A. 21.b. V.T. erfgenamen van wijlen D.V.
- A.M. 23.a. C.S. 23.b. V.R. 23.c. V.G. 23.d. V.B. 23.e. V.M. 23.f. V.L. erfgenamen van wijlen V.V.
- V.M.
- D.A.
- B.F.
- A.E.
- R.J.
- S.H. eisers, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, aan de Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen STAD ANTWERPEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Stadhuis, Grote Markt 1, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 maart 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ; voor zoveel als nodig, de artikelen 123, 2°, 8° en 9°, zoals vernummerd bij artikel 2, ,§3, van de wet van 27 mei 1989, en 270, voor de wijziging bij artikel 210 van de wet van 7 december 1998, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 ; voor zoveel als nodig, de artikelen 23, 24, 25, 26, 27, 28, 556, 602, 1°, 616 en 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en dit onder meer op de volgende gronden : "dat (de eisers) concluderen tot de onontvankelijkheid (...) van het hoger beroep ; (...) dat (de eisers) inroepen dat geen geldig mandaat werd gegeven om hoger beroep in te stellen en hun exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep steunen op volgende gronden : het besluit van het college van burgemeester en schepenen d.d. 24 juni 1999 en het besluit van de gemeenteraad van (verweerster) d.d. 14 september 1999 zijn niet rechtsgeldig om volgende redenen : ze zijn niet deugdelijk gemotiveerd gelet op de voorschriften van de formele motiveringsplicht in toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen ; dat voormeld besluit van het college van burgemeester en schepenen d.d. 24 juni 1999 dat beslist voormeld hoger beroep in te stellen en aan de gemeenteraad hiervoor machtiging te vragen niet beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur en dienvolgens evenmin een rechtshandeling is waarop die wet van 29 juli 1991 van toepassing is ; dat de exceptie van onontvankelijkheid, gesteund op de motiveringsplicht, ongegrond is" (blz. 5, voorlaatste alinea, - 7, eerste alinea, van het bestreden arrest), om te besluiten : (...) dat uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ontvankelijk is" (blz. 8, vierde alinea, van het bestreden arrest). Grieven Krachtens artikel 123, 2°, 8° en 9°, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 is het college van burgemeester en schepenen belast met de bekendmaking en uitvoering van de gemeenteraadsbesluiten, met het voeren van de rechtsgedingen waarbij de gemeente hetzij als eiser, hetzij als verweerder betrokken is en met het beheer van de eigendommen van de gemeente, alsmede met de vrijwaring van haar rechten. Artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 bepaalt dat bij elke tegen de gemeente ingestelde rechtsvordering het college van burgemeester en schepenen als verweerder optreedt. Het stelt de vorderingen in kort geding en de bezitsvorderingen in ; het verricht alle handelingen tot bewaring van recht of tot stuiting van verjaring en van verval. Alle andere rechtsvorderingen waarbij de gemeente als eiser optreedt, mogen door het college slechts worden ingesteld na machtiging van de gemeenteraad. Uit de gecombineerde lezing van de artikelen 128, 8°, en 270 van de Nieuwe Gemeentewet volgt dat de beslissing in rechte op te treden moet genomen worden door het college van burgemeester en schepenen, na machtiging van de gemeenteraad. Hoewel machtiging van de gemeenteraad is vereist, is het, krachtens artikel 123, 8 ° en 9°, van de Nieuwe Gemeentewet, het college dat de rechtsgedingen voert en de rechten van de gemeente vrijwaart, ook al bepaalt artikel 123, 2°, van de Nieuwe Gemeentewet dat dit orgaan de besluiten van de gemeenteraad uitvoert. Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden. Krachtens artikel 1 moet voor de toepassing van die wet worden verstaan onder : - Bestuurshandeling : de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur ; - Bestuur : de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ; - Bestuurde : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur. Het college van burgemeester en schepenen van een gemeente is een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en de handelingen die dat college verricht met het oog op het creëren van rechtsgevolgen of het beletten van de totstandkoming van bepaalde rechtsgevolgen, zijn bestuurshandelingen in de zin van dit artikel
- Volgens de vaststellingen van de eerste rechter, overgenomen door het hof van beroep waren de eisers of hun rechtsvoorganger personeelsleden van het stedelijk onderwijs van verweerster aan wie verweerster een bijpensioen toekende ter compensatie van het nadeel dat zij leden door op verzoek van verweerster met vervroegd pensioen te gaan. De eisers zijn in dat opzicht dan ook te beschouwen als bestuurden in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bij vonnis van 15 april 1995 verklaarde de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen de vordering van de eisers ontvankelijk en gegrond. Krachtens de artikelen 23, 24, 25 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek heeft iedere eindbeslissing gezag van gewijsde, dat verhindert dat de vordering opnieuw wordt ingesteld en dat blijft bestaan zolang de beslissing niet ongedaan is gemaakt. Artikel 28 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat iedere beslissing in kracht van gewijsde gaat zodra zij niet meer voor verzet of hoger beroep vatbaar is, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt en onverminderd de gevolgen van de buitengewone rechtsmiddelen. Krachtens de artikelen 556, 602, 1°, 616 en 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kan tegen beslissingen in eerste aanleg gewezen door de rechtbanken van eerste aanleg hoger beroep worden ingesteld. Het besluit van 24 juni 1999 waarmee het college van burgemeester en schepenen van verweerster, volgens vaststellingen van het hof van beroep, beslist hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de eerste rechter, beoogt ten aanzien van de eisers te verhinderen dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van 15 april 1995, dat hun aanspraken tegen verweerster erkent, gezag en kracht van gewijsde krijgt en dus definitief de rechten vastlegt die de eisers in deze zaak vorderen en beoogt dat vonnis aan te vechten. Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van verweerster van 24 juni 1999 is dan ook een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden, in deze zaak de eisers. Het is aldus wel degelijk een te motiveren bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig het hoger beroep van verweerster ontvankelijk verklaart op grond van de overweging dat op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 24 juni 1999 de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is (schending van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en voor zoveel als nodig de artikelen 123, 2°, 8° en 9°, zoals vernummerd bij artikel 2, ,§3, van de wet van 27 mei 1989, en 270, voor de wijziging bij artikel 210 van de wet van 7 december 1998, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 en voor zoveel als nodig de artikelen 23, 24, 25, 26, 27, 28, 556, 602, 1°, 616 en 1050, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 104, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 9 augustus 1988 en bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 30 mei 1989, 106, zoals gewijzigd bij artikel 21, ,§1, van het koninklijk besluit van 30 mei 1989, en, voor zoveel als nodig, 108, zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 17 oktober 1990 en gewijzigd bij artikel 17 van de wet van 11 juli 1994, 108bis, zoals ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 11 juli 1994 en 109 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 ; de artikelen 1317, zowel in de versie van vóór als in die van na de aanvulling door artikel 28 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, 1318, 1319, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 10 oktober 1967, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerster ontvankelijk en dit onder meer op de volgende gronden : "dat (de eisers) concluderen tot de onontvankelijkheid (...) van het hoger beroep ; (...) dat (de eisers) inroepen dat geen geldig mandaat werd gegeven om hoger beroep in te stellen en hun exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep steunen op volgende gronden : het besluit van het college van burgemeester en schepenen d.d. 24 juni 1999 en het besluit van de gemeenteraad van (verweerster) d.d. 14 september 1999 zijn niet rechtsgeldig om volgende redenen :(...) de uitslag van de stemming is niet vermeld zodat niet kan worden nagegaan of het besluit is genomen met de wettelijk vereiste meerderheid ; (...)" (blz. 5, onderaan, - 6, bovenaan, van het bestreden arrest), en verder : "(...) dat het voormeld besluit van het college van burgemeester en schepenen de uitslag der stemming niet vermeldt ; dat het college van burgemeester en schepenen een collegiaal orgaan is dat beslissingen in consensus neemt zodat wordt aangenomen dat het besluit met eenparigheid is genomen" (blz. 8, tweede alinea, van het bestreden arrest), om vervolgens te besluiten : "(...) dat uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ontvankelijk is" (blz. 8, vierde alinea, van het bestreden arrest). Grieven 2.
- Eerste onderdeel Artikel 104 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 bepaalt onder meer dat het college van burgemeester en schepenen alleen dan mag beraadslagen en besluiten, wanneer meer dan de helft van de leden tegenwoordig is, dat de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen niet openbaar zijn en dat beslissingen worden opgenomen in de notulen en in het register van de beraadslagingen bedoeld in artikel 108 en alleen zij rechtsgevolgen kunnen hebben. Artikel 106 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 bepaalt dat de besluiten van het college van burgemeester en schepenen in beginsel bij meerderheid van stemmen wordt genomen. Krachtens artikel 108 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 woont de secretaris de vergaderingen van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen bij. Hij stelt de notulen ervan op en zorgt voor de overschrijving ervan. De overgeschreven notulen worden door de burgemeester en door de secretaris getekend. Artikel 108bis van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 bepaalt dat de notulen, in chronologische volgorde, alle besproken onderwerpen vermelden, alsook het gevolg dat gegeven werd aan die punten waaromtrent de gemeenteraad geen beslissing genomen heeft. Zij maken eveneens duidelijk melding van alle beslissingen. Artikel 109 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 bepaalt dat de reglementen en verordeningen van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen, de bekendmakingen, de akten en de briefwisseling van de gemeente worden ondertekend door de burgemeester en mede-ondertekend door de secretaris. Uit de samenlezing van de voornoemde bepalingen volgt dat de notulen van de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen de vermeldingen dienen te bevatten die essentieel zijn voor de beslissingen van het college en die bestemd zijn om een externe wettelijke controle mogelijk te maken, vooral aangezien de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen niet openbaar zijn. De notulen van de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen dienen dan ook te vermelden dat de pleegvormen in acht zijn genomen waarvan de nakoming een noodzakelijke voorwaarde is voor de rechtsgeldigheid hetzij van de door het college van burgemeester en schepenen gehouden vergaderingen, hetzij van de tijdens die vergaderingen genomen beslissingen. Krachtens artikel 1317 van het Burgerlijk Wetboek is een authentieke akte een akte die in de wettelijke vorm is verleden voor openbare ambtenaren die daartoe bevoegd zijn ter plaatse waar zij is opgemaakt. De goedgekeurde en ondertekende notulen van de vergaderingen van het college van burgemeester en schepenen zijn authentieke akten die geacht moeten worden met de werkelijkheid overeen te stemmen en die een volledig bewijs vormen van de tijdens de vergaderingen van het college gehouden besprekingen en genomen beslissingen. Geen enkele wetsbepaling laat toe eventuele leemten in de notulen op te vullen met andere bewijsmiddelen. Het is derhalve noodzakelijk dat de uitslag van de stemming vermeld wordt in de notulen opdat zou kunnen worden nagegaan of de beslissing genomen is met de wettelijk vereiste meerderheid van stemmen. Die vermelding is een substantiële vormvereiste, waarvan de miskenning leidt tot ongeldigheid van de beslissing zelf. Het arrest stelt vast dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 24 juni 1999 de uitslag van de stemming niet vermeldt (blz. 8, tweede alinea van het arrest). Het bestreden arrest verwerpt de aanvoering van de eisers dat aldus geen geldig mandaat werd gegeven om hoger beroep in te stellen op de grond dat het college van burgemeester en schepenen een collegiaal orgaan is dat beslissingen in consensus neemt, zodat wordt aangenomen dat het besluit met eenparigheid is genomen. Evenwel bepaalt artikel 106 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 uitdrukkelijk dat de besluiten van het college bij meerderheid van stemmen worden genomen. Door uit het collegiaal karakter van het college van burgemeester en schepenen af te leiden dat het besluit van 24 juni 1999 met eenparigheid van stemmen werd genomen, geeft het bestreden arrest aan het begrip collegialiteit een inhoud die onverenigbaar is met artikel 106 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni
- Indien de notulen geen aanduiding geven van de uitslag van de stemming, verantwoordt niets de conclusie dat de beslissing bij eenparigheid werd genomen. Bij gebreke van vermelding van de uitslag van de stemming, is het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 24 juni 1999 niet rechtsgeldig en is het hoger beroep van verweerster niet ontvankelijk. 1.
- Conclusie Het bestreden arrest verklaart niet wettig het hoger beroep van verweerster ontvankelijk (schending van de artikelen 104, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 9 augustus 1988 en bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 30 mei 1989, 106, zoals gewijzigd bij artikel 21, ,§1, van het koninklijk besluit van 30 mei 1989, en, voor zoveel als nodig, 108, zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 17 oktober 1990 en gewijzigd bij artikel 17 van de wet van 11 juli 1994, 108bis, zoals ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 11 juli 1994, en 109 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 en, eveneens voor zoveel als nodig, de artikelen 1317, zowel in de versie van vóór als in die van na de aanvulling door artikel 28 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, 1318, 1319, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 10 oktober 1967, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). 2.
- Tweede onderdeel Het proces-verbaal van de zitting van het college van burgemeester en schepenen van verweerster van 24 juni 1999 vermeldt bovenaan dat twee schepenen, met name de heren L. D. en B. P., afwezig waren op die zitting, waarop de beslissing werd genomen hoger beroep in te stellen. Door te overwegen dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 24 juni 1999 om hoger beroep in te stellen, werd genomen met eenparigheid, miskent het bestreden arrest beroep de bewijskracht van dit proces-verbaal. Die vaststelling van het hof van beroep is inderdaad niet verenigbaar met de bewoordingen en de inhoud van die akte, aangezien daaruit blijkt dat twee schepenen niet aanwezig waren en derhalve hun goedkeuring niet verleenden aan de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het besluit van 24 juni 1999 is dan ook niet, in strijd met wat het bestreden arrest desbetreffend vaststelt, met eenparigheid genomen. 2.
- Conclusie Het bestreden arrest miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van de zitting van het college van burgemeester en schepenen van 24 juni 1999 en verklaart niet wettig het hoger beroep van verweerster ontvankelijk (schending van de artikelen 1317, zowel in de versie van vóór als in die van na de aanvulling door artikel 28 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, 1318, 1319, zoals gewijzigd bij artikel 3 van de wet van 10 oktober 1967, 1320 en 1322, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, de artikelen 104, zoals gewijzigd bij artikel 8 van de wet van 9 augustus 1988 en bij artikel 20 van het koninklijk besluit van 30 mei 1989, 106, zoals gewijzigd bij artikel 21, ,§1, van het koninklijk besluit van 30 mei 1989, 108, zoals vervangen bij artikel 21 van de wet van 17 oktober 1990 en gewijzigd bij artikel 17 van de wet van 11 juli 1994, 108bis, zoals ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 11 juli 1994, 109, 110, 111 van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1, uitdrukkelijk moeten gemotiveerd worden ; Dat, krachtens artikel 1 van dezelfde wet, voor de toepassing van deze wet moeten verstaan worden onder : - bestuurshandelingen : de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden of voor een ander bestuur ; - bestuur : de administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ; - bestuurde : elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen met het bestuur ; Overwegende dat blijkens de wetsgeschiedenis de bestuurshandeling enkel de handeling is die bewust wordt verricht met het oog op het creëren van rechtsgevolgen of het beletten van de totstandkoming van bepaalde rechtsgevolgen, met andere woorden de handeling die gericht is op de wijziging van een bestaande rechtstoestand of die integendeel erop gericht is een wijziging in die rechtstoestand te beletten ; Dat het besluit van een college van burgemeester en schepenen van een gemeente dat beslist hoger beroep in te stellen tegen een vonnis en daartoe aan de gemeenteraad de nodige machtiging te vragen, geen rechtsgevolg creëert of wijzigt voor een of meer bestuurden en aldus geen bestuurshandeling is in de zin van de wet van 29 juli 1991 ; Dat het middel dat ervan uitgaat dat een dergelijk besluit een bestuurshandeling is, faalt naar recht ;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet preciseert hoe en waardoor het arrest de artikelen 1317 en 1318 van het Burgerlijk Wetboek schendt ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat het college van burgemeester en schepenen een collegiaal orgaan is dat beslissingen in consensus neemt zodat wordt aangenomen dat het besluit met eenparigheid van stemmen is genomen ; Dat het onderdeel aanvoert dat het arrest aan het begrip collegialiteit een inhoud geeft die onverenigbaar is met artikel 106 van de Nieuwe Gemeentewet en daarvoor de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek als geschonden aanwijst ; Dat de omstandigheid dat een wet onjuist wordt uitgelegd, geen miskenning van de bewijskracht van die wet uitmaakt ; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ; Overwegende dat, krachtens artikel 104, tweede lid, van de Nieuwe Gemeentewet, het college van burgemeester en schepenen alleen mag beraadslagen en besluiten wanneer meer dan de helft van de leden tegenwoordig is ; Dat, krachtens artikel 106, eerste lid, van dezelfde wet, de besluiten van het college van burgemeester en schepenen bij meerderheid van stemmen worden genomen ; Dat, krachtens artikel 108bis van dezelfde wet, de notulen van de vergadering van het college van burgemeester en schepenen in chronologische volgorde alle besproken onderwerpen vermelden en duidelijk melding maken van alle beslissingen ; Overwegende dat deze bepalingen op zichzelf noch in samenhang genomen niet uitdrukkelijk opleggen dat de notulen van de vergadering van het college van burgemeester en schepenen steeds de uitslag van de stemming moeten vermelden ; Dat uit de afwezigheid van vermelding van de uitslag van de stemming niet kan worden afgeleid dat het besluit niet genomen is met de wettelijk vereiste meerderheid ; Dat het onderdeel in zoverre faalt naar recht ; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet verklaart hoe en waardoor het arrest de artikelen 1317 en 1318 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 104, 106, 108bis, 109, 110 en 111 van de Nieuwe Gemeentewet schendt ; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is ; Overwegende dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 24 juni 1999 vermeldt dat de schepenen L. D. en B. P. niet aanwezig zijn ; Dat het arrest dat oordeelt dat wordt aangenomen dat dat besluit met eenparigheid van stemmen is genomen een uitlegging geeft die met de bewoordingen van dat besluit niet onverenigbaar is en derhalve de bewijskracht ervan niet miskent ; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfenzestig euro drieënzestig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd vijfenveertig euro eenenveertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Ernest Waûters, Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeven januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050107.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100610.7 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170512.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051006.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div