,§2 Fiches 2 - 4 In een overeenkomst voor zelfstandige arbeid kan het bedrag van de door de opdrachtgever aan de zelfstandige arbeider te betalen vergoeding mede bepaald zijn met inachtneming van de door de zelfstandige arbeider te betalen bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen; het gedeelte van de oorspronkelijke bepaalde vergoeding dat voor de partijen er toe strekte de zelfstandige werknemer toe te laten zijn bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen te betalen, heeft specifiek betrekking op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid en niet op een dienstbetrekking; dit gedeelte kan ingevolge de herkwalificatie, niet beschouwd worden als voordeel of loon waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft; dat dit gedeelte dienvolgens geen basis kan zijn voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen voor werknemers
,§2 Thesaurus CAS: LOON - ALGEMEEN Vrije woorden: LOON - ALGEMEEN Overeenkomst voor zelfstandige arbeid Gerechtelijke herkwalificatie Arbeidsovereenkomst Loonbasis Sociale zekerheidsbijdragen werknemers Herberekening Mogelijke kosten van zelfstandige Wettelijke bepalingen:
,§2 Thesaurus CAS: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALGEMEEN Vrije woorden: ARBEIDSOVEREENKOMST - ALGEMEEN Overeenkomst voor zelfstandige arbeid Gerechtelijke herkwalificatie Arbeidsovereenkomst Loonbasis Sociale zekerheidsbijdragen werknemers Herberekening Mogelijke kosten van zelfstandige Wettelijke bepalingen:
S.03.0039.N.- RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Waterloolaan 76, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BRUURS Marc, advocaat, handelend in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de NV INEXCO-BOUWSERVICE, met zetel te 2200 Herentals, Atealaan 10, wiens kabinet gevestigd is te 2387 Baarle-Hertog, Alphenseweg 2, verweerder. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 14 november 2002 gewezen door het Arbeidshof te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 2, inzonderheid het eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ; - artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ; - artikel 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ; - artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 2, 3 en 20,3°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeids-overeenkomsten ; Aangevochten beslissing Na te hebben beslist dat eiser het bewijs heeft geleverd dat V. O. bij het leveren van prestaties voor verweerster onder diens gezag, leiding en toezicht stond, oordeelt het bestreden arrest dat : "sociale zekerheidsbijdragen zijn verschuldigd door (verweerster) voor de arbeidsprestaties van V. O. (die) dienen te worden berekend op het loon waarop de betrokkene recht heeft (artikel 14 van de R.S.Z.-wet dd. 27 juni 1969 en artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers) ; (V. O. ) heeft geen recht op een uurloon van 700 BEF (17,35 euro) voor prestaties als werknemer, zodat de berekeningsbasis voor sociale bijdragen beduidend lager zal liggen en (eiser) een nieuwe berekening dient uit te voeren rekening houdend met de lonen van de werknemers voor dezelfde prestaties bij (verweerster) in die betreffende periode". In afwachting van de nieuwe berekening door eiser van het bedrag van de sociale-zekerheidsbijdragen verzendt het bestreden arrest vervolgens de zaak naar de bijzondere rol. Grieven Overeenkomstig artikel 14 van de R.S.Z.-wet en 23, eerste en tweede lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, worden de bijdragen voor de sociale zekerheid berekend op basis van het loon van de werknemer, zoals omschreven in artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965. Luidens artikel 2 van de wet van 12 april 1965 wordt onder loon verstaan : "het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever". Een aan de werknemer toegekend voordeel maakt deel uit van het loon, omschreven in artikel 2 van de wet van 12 april 1965, wanneer de individuele werknemer, onder de overeengekomen voorwaarden, aanspraak kan maken lastens zijn werkgever op de toekenning van dat voordeel en hij zijn recht stoelt op de dienstbetrekking. Wanneer wordt vastgesteld dat een zelfstandige in werkelijkheid prestaties als werknemer heeft geleverd voor zijn opdrachtgever, m.a.w. krachtens een arbeidsovereenkomst, dan dient het sociale-zekerheidsstatuut van de betrokkene te worden herzien en dient eiser, gelet op het feit dat de sociale-zekerheidswetgeving de openbare orde raakt, die toestand op het vlak van de sociale-zekerheidsbijdragen retroactief te regulariseren. Deze herkwalificatie van de sociale-zekerheidspositie van de betrokkene heeft tot gevolg dat zijn opdrachtgever, die als werkgever van de schijnzelfstandige moet worden beschouwd, sociale-zekerheidsbijdragen is verschuldigd uit hoofde van die tewerkstelling. Als basis voor de berekening van de sociale-zekerheidsbijdragen die zijn verschuldigd, komen alle voordelen in aanmerking die de schijnzelfstandige als tegenprestatie heeft ontvangen voor de arbeid verricht in uitvoering van de overeenkomst met zijn opdrachtgever-werkgever. Het arbeidshof stelde in casu vast dat de partijen een vast uurloon van 700 BEF (17,35 euro) waren overeengekomen, ongeacht het soort werk of de moeilijkheidsgraad, wat betekent dat J. V. O. krachtens deze overeenkomst recht heeft lastens verweerster op de toekenning van het vermelde uurloon voor al zijn prestaties die hij voor verweerster heeft verricht (cf. de artikelen 2, 3 en 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978). Overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, strekken degenen die deze hebben aangegaan, tot wet (artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Het arbeidshof oordeelde bijgevolg ten onrechte dat J. V. O. geen recht heeft op een uurloon van 700 BEF (17,35 euro). De redenering dat J. V. O. voor deze prestaties als werknemer veel minder zou hebben verdiend dan als zelfstandige, doet immers geen afbreuk aan het feit dat het overeengekomen uurloon hem contractueel is verschuldigd en ook effectief was uitbetaald. Het feit dat de lonen van de reguliere werknemers van verweerster voor dezelfde prestaties veel lager liggen dan 700 BEF per uur (17,35 euro), verhindert bijgevolg niet dat sociale-zekerheidsbijdragen zijn verschuldigd op de vergoedingen die J. V. O. krachtens de bestaande overeenkomst toekomen, ook al werd deze overeenkomst inmiddels geherkwalificeerd. Het is niet omdat de rechter tot herkwalificatie van het sociaal-zekerheidsstatuut is overgegaan dat hij niet moet respecteren wat partijen zijn overeengekomen op het gebied van de vergoeding van de arbeidsprestaties. Waar de rechter m.a.w. niet gebonden is door de wijze waarop partijen hun overeenkomst hebben gekwalificeerd, is hij wel gebonden door hetgeen in de overeenkomst is bepaald omtrent de verloning voor geleverde prestaties. Deze overeenkomst strekt partijen, op dat vlak, tot wet (artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek) en verplichtte verweerster in casu om het overeengekomen loon te betalen (artikel 20, 3°, van de Arbeidsovereen-komstenwet van 3 juli 1978). Door te oordelen dat J. V. O. als werknemer geen recht heeft op een uurloon van 700 BEF (17,35 euro) voor prestaties als werknemer zodat eiser een nieuwe berekening dient uit te voeren rekening houdend met de lonen van de werknemers voor dezelfde prestaties bij verweerster in de betreffende periode, miskent het bestreden arrest bijgevolg de verbindende kracht van de overeenkomst waarin een vast uurloon van 700 BEF (17,35 euro) voor alle prestaties was bepaald (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 2, 3 en 20, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978). In zoverre het arrest zodoende tevens oordeelde dat het overeengekomen bedrag van 700 BEF (17,35 euro) per uur geen loon is waarop hij als werknemer aanspraak kan maken lastens verweerster, miskende het arbeidshof eveneens het wettelijk loon-begrip (schending van de artikelen 2 van de wet van 12 april 1965, 14 van de wet van 27 juni 1969 en 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 14, ,§2, van de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969, het begrip loon, dat voor de berekening van de socialezekerheids-bijdragen in aanmerking wordt genomen, bepaald wordt bij artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965, dit is het geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ten laste van zijn werkgever recht heeft ingevolge de dienstbetrekking ; Overwegende dat de herkwalificatie door de rechter van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid in een arbeidsovereenkomst, omdat uit de uitvoering van de overeenkomst is gebleken dat de arbeid onder gezag werd gepresteerd, de toepassing van het sociale-zekerheidsstatuut voor werknemers tot gevolg heeft ; Overwegende dat in een overeenkomst voor zelfstandige arbeid het bedrag van de door de opdrachtgever aan de zelfstandige arbeider te betalen vergoeding mede kan bepaald zijn met inachtneming van de door de zelfstandige arbeider te betalen bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen ; Dat het gedeelte van de oorspronkelijk bepaalde vergoeding dat voor de partijen er toe strekte de zelfstandige werknemer toe te laten zijn bijdrage voor de sociale zekerheid voor zelfstandigen te betalen, specifiek betrekking heeft op een overeenkomst voor zelfstandige arbeid en niet op een dienstbetrekking ; dat dit gedeelte ingevolge de herkwalificatie, niet beschouwd kan worden als voordeel of loon waarop de werknemer "ingevolge de dienstbetrekking" recht heeft ; dat dit gedeelte dienvolgens geen basis kan zijn voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen voor werknemers ; Dat het middel dat de wettigheid van de beslissing van de appèlrechters omtrent de verschuldigde socialezekerheidsbijdragen aanvecht op de enkele grond dat de voor de zelfstandige arbeid bedongen vergoeding noodzakelijk de basis moet zijn voor de berekening van de in het kader van de tot een arbeidsovereenkomst geherkwalificeerde overeenkomst verschuldigde sociale-zekerheidsbijdragen, faalt naar recht ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van honderd tachtig euro vier cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van tien J. uari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050110.10 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051121.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.