id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art.2
Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vereffening Vertrouwen van schuldeisers Faillissement Wettelijke bepalingen:
Art.2
Fiches 7 - 8 Een vennootschap in vereffening waarvan de vereffenaar binnen de wettelijk toegelaten grenzen de eisbare schulden afbetaalt en die het vertrouwen bewaart van de schuldeisers, heeft in beginsel niet duurzaam opgehouden te betalen. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEGRIP. VEREISTEN VAN HET FAILLISSEMENT Ophouden van betalen Vennootschap in vereffening Wettelijke bepalingen:
Art.2
Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vrije woorden: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Vereffening Ophouden van betalen Faillissement Wettelijke bepalingen:
Art.2Tekst van de beslissing Nr.
C.03.0468.N D.J., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Temse en Hoboken Rederij, in vereffening, met zetel te 9140 Temse, Dijkstraat 6, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- TEMSE EN HOBOKEN REDERIJ, naamloze vennootschap, in vereffening, met zetel te 9140 Temse, Dijkstraat 6, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas, nummer 41.648, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE DENDERMONDE, woonst kiezende op zijn parket, Justitieplein 1, gerechtsgebouw, 9200 Dendermonde, verweerder, minstens opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 2 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 ; de artikelen 183, ,§1, en 190 van het Wetboek van de Vennootschappen (W.Venn.). Aangevochten beslissingen De appèlrechters oordelen dat niet voldaan is aan de voorwaarden bepaald in artikel 2 van de Faillissementswet en verwerpen om die reden de vordering tot faillietverklaring. Dit gebeurt op grond van de volgende overwegingen : "7.1 Bij het beoordelen van de voorwaarden tot faillissement van een vennootschap in vereffening, moet rekening gehouden worden met de specifieke situatie van de vereffening om de 'staking van betaling' en het 'geschokt zijn van het krediet' te beoordelen. Vooreerst is er de betaaltoestand van de debiteur, waarbij het de vereffenaar juist wettelijk is opgelegd om de betalingen te schorsen, gelet op de toestand van samenloop tussen de schuldeisers en de gelijkheid die tussen hen zal heersen (art. 190 W. Venn (thans 199 W. Venn.)). 'De enkele omstandigheid dat de vereffening deficitair is, laat evenwel nog niet toe het faillissement te weerhouden. De wetgever hield uitdrukkelijk rekening met de mogelijkheid van een deficitaire vereffening (zie het artikel 184 van de Vennootschapwet thans 190, ,§1, W. Venn. dat een evenredige verdeling onder de schuldeisers voorschrijft).' (Gent, 19 juni 1997, T.B.H. 1997, 609) Er is geen automatisme tussen deficitaire vereffening en faillissement. (zie o.a. Luik, 16 maart 2000, onuitgegeven, 1999/RG/1117 ; Gent, 22 mei 1997, onuitgegeven, 1997/AR/676). Om 'staking van betaling' te beoordelen m.b.t. een vennootschap in vereffening, dient bewezen te worden dat het onbetaald blijven van een schuld niet het gevolg is van de toepassing van art. 190 W. Venn. (thans 199 W. Venn.), maar te wijten is aan het niet diligent uitvoeren door de vereffenaar van zijn opdrachten bv. wanneer hij in gebreke zou blijven om het actief te realiseren of de betalingen aan te vatten met de opbrengst van de realisatie. In casu zijn er geen aanwijzingen dat de vereffenaar zijn opdracht niet naar behoren zou uitvoeren. 7.2 Het 'geschokt zijn van het krediet' krijgt eveneens een andere invulling bij een vennootschap in vereffening. Het kan worden omschreven als het gebrek aan vertrouwen vanwege de schuldeisers in de organisatie en het verloop van de vereffeningswerkzaamheden. (Gent, 7 oktober 2002, onuitgegeven, 2001/AR/2116 ; Luik, 26 juni 1997, R.P.S. 1998, 112) Vereffenaars dienen vanwege de schuldeisers het vertrouwen te genieten en te behouden met betrekking tot hun werkzaamheden om de activa van de vennootschap in het belang van allen en in het bijzonder in het belang van de schuldeisers te gelde te maken. In casu wordt nergens aangetoond dat de schuldeisers van de vereffende vennootschap hun vertrouwen in de vereffenaar en de omstandigheden van het verloop van de vereffening zouden hebben verloren. Geen enkele schuldeiser van de NV Temse en Hoboken Rederij in vereffening heeft een vordering in faillissement ingesteld. De bewijslast omtrent het gegeven dat de schuldeisers niet langer hun vertrouwen schenken aan de organisatie en het verloop van de vereffening, ligt bij de eisende partij die aanstuurt op faillissement. Aan deze bewijslast is in casu niet voldaan. In zijn beroepsconclusie stelt het openbaar ministerie zelf : 'Anderzijds staat niet vast dat de schuldeisers van betrokken vennootschap in vereffening weigeren aan deze vennootschap een uitstel van betaling of een vermindering van hun schuldvordering toe te staan'. In dit verband blijft het argument van (de verweerders) overeind 'dat alle schuldeisers hun vertrouwen in de NV Temse en Hoboken Rederij in vereffening behouden en geen enkele schuldeiser aandringt op faillissement' (hoe onbegrijpelijk dit ook voorkomt). De vordering zoals geformuleerd door Seascope Shipping Ltd/R.S. Platou Offshore A.S., werd als ongegrond afgewezen in het kader van de procedure aldaar (zie het arrest d.d. 23 december 2002 van de 7de Kamer van dit Hof zaak 1997/AR/2867). De partijen Seascope & Platou hebben trouwens geen schuldvordering ingediend in het faillissement van de N.V. Temse en Hoboken Rederij in vereffening. Het zijn niet eens schuldeisers, zodat hun oordeel omtrent de vereffeningswijze (waarop de curatele zich baseert) geenszins relevant is. Het louter stilzitten van de schuldeisers, die op transparante wijze geïnformeerd worden en juridisch correct behandeld worden door de vereffenaar, bewijst ook géénszins hun gebrek aan vertrouwen in de vereffening. 7.3 Uit het voorgaande blijkt dat in casu niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in art. 2 Faill.W. De vaststelling dat de vereffening deficitair zal zijn is op zichzelf onvoldoende om te zeggen dat de voorwaarden tot faillissement vervuld zijn, nu ook deze vaststelling de credibiliteit van de vereffening bij de schuldeisers niet ondergraven heeft. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. De gedingkosten van het hoger beroep vallen lastens de oorspronkelijke eiser met inbegrip van de kosten en eventuele erelonen van de curatoren". Grieven
- Eerste onderdeel Luidens artikel 2 van de Faillissementswet bevindt de koopman die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, zich in staat van faillissement. De ontbonden rechtspersoon kan failliet worden verklaard tot zes maanden na het sluiten van de vereffening. Indien deze voorwaarden vervuld zijn, moet de rechtbank het faillissement uitspreken. De vennootschap in vereffening die haar eisbare schulden niet kan betalen of op korte termijn niet zal kunnen voldoen, aan wie haar schuldeisers weigeren een uitstel van betaling of een vermindering van hun schuldvordering toe te staan en die geen nieuw krediet kan krijgen, is in staat van faillissement. Door in casu te beslissen dat de voorwaarden van staking van betaling en geschokt zijn van het krediet bij een vennootschap in vereffening "een andere invulling" moeten krijgen, schenden de appèlrechters artikel 2 van de Faillissemenswet.
- Tweede onderdeel De duurzame staking van betaling zoals bedoeld in artikel 2 van de Faillissementswet bestaat erin dat de koopman zijn zekere, vaststaande en opeisbare schulden niet meer kan betalen, wat ook de oorzaak van deze onmogelijk is. Hetzelfde geldt voor een vennootschap in vereffening. De vennootschap in vereffening die haar eisbare schulden niet kan betalen of op korte termijn niet zal kunnen voldoen, en aan wie haar schuldeisers weigeren een uitstel van betaling of een vermindering van hun schuldvordering toe te staan, heeft opgehouden te betalen in de zin van artikel 2 van de Faillissementswet. Artikel 190 W. Venn. doet geen afbreuk aan artikel 2 van de Faillissementswet. Door niettemin enerzijds te beslissen dat de staking van betaling bij een vennootschap in vereffening anders moet worden beoordeeld, gelet op artikel 190 W. Venn., en anderzijds te beslissen dat bij een vennootschap in vereffening dient bewezen te worden dat het onbetaald blijven van een schuld niet het gevolg is van de toepassing van artikel 190 W. Venn., voegen de appèlrechters voor vennootschappen in vereffening een voorwaarde toe aan artikel 2 van de Faillissementswet, zodat zij deze wetsbepaling schenden.
- Derde onderdeel De duurzame staking van betaling in de zin van artikel 2 van de Faillissementswet bestaat erin dat het voor de koopman niet meer mogelijk is om zijn zekere, vaststaande en eisbare schulden te betalen, wat de oorzaak van deze onmogelijkheid ook is. Hetzelfde geldt voor een vennootschap in vereffening. De vennootschap in vereffening die haar eisbare schulden niet kan betalen of op korte termijn niet zal kunnen voldoen, en aan wie haar schuldeisers weigeren een uitstel van betaling of een vermindering van hun schuldvordering toe te kennen, heeft opgehouden te betalen in de zin van artikel 2 van de Fallissementswet. Opdat er bij een vennootschap in vereffening sprake zou zijn van staking van betaling, is niet vereist dat het onbetaald blijven van een schuld het gevolg is van het niet diligent uitvoeren door de vereffenaar van zijn opdrachten. Door niettemin te oordelen dat, om staking van betaling te beoordelen met betrekking tot een vennootschap in vereffening, dient bewezen te worden dat het onbetaald blijven van een schuld "te wijten is aan het niet diligent uitvoeren van de vereffenaar door zijn opdrachten bv. wanneer hij in gebreke zou blijven om het actief te realiseren of de betalingen aan te vatten met de opbrengst van de realisatie", schenden de appèlrechters artikel 2 van de Faillissementswet door daaraan een voorwaarde toe te voegen die in deze wetsbepaling niet is vervat.
- Vierde onderdeel Het geschokt zijn van het krediet in de zin van artikel 2 van de Faillissementswet betekent dat de vennootschap geen vertrouwen of krediet meer geniet bij haar schuldeisers, leveranciers en fondsenverstrekkers. Hetzelfde geldt voor een vennootschap in vereffening. Indien de vennootschap in vereffening geen nieuw krediet kan krijgen, is haar krediet geschokt in de zin van artikel 2 van de Faillissementswet. Door te oordelen dat het geschokt zijn van het krediet bij een vennootschap in vereffening "een andere invulling" krijgt en moet worden omschreven als het "gebrek aan vertrouwen vanwege de schuldeisers in de organisatie en in het verloop van de vereffeningswerkzaamheden", schenden de appèlrechters bijgevolg artikel 2 van de Faillissementswet.
- Vijfde onderdeel Op grond van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. De partij die de faillietverklaring vordert van een vennootschap in vereffening, moet aantonen dat de vennootschap in vereffening op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en dat haar krediet geschokt is, noch meer, noch minder. In voorliggend geval beslissen de appèlrechters echter dat de partij die de faillietverklaring vordert, enerzijds, wat de staking van betaling betreft, dient te bewijzen dat het onbetaald blijven van een schuld niet het gevolg is van een toepassing van artikel 190 W. Venn., maar te wijten is aan het niet diligent uitvoeren door de vereffenaar van zijn opdrachten, en, anderzijds, wat het geschokt zijn van het krediet betreft, dat de schuldeisers van de vereffende vennootschap hun vertrouwen in de vereffenaar en de omstandigheden van het verloop van de vereffening hebben verloren. Aldus schenden de appèlrechters de regels omtrent de bewijslast (schending van de artikelen 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 1315 van het Burgerlijk Wetboek).
- Zesde onderdeel Eiser had in zijn regelmatig aan de appèlrechters voorgelegde conclusie betoogd dat in zoverre de stelling zou worden aanvaard dat er slechts sprake is van staking van betaling bij een vennootschap in vereffening, indien aangetoond wordt dat het onbetaald blijven van een schuld te wijten is aan het niet diligent uitvoeren door de vereffenaar van zijn opdrachten een correcte en diligente uitvoering door de vereffenaar van zijn opdracht in casu, objectief gezien, niet mogelijk was, omdat de vereffenaar drie andere hoedanigheden met de functie van vereffenaar cumuleerde (met name curator van de NV Boelwerf, bestuurder van de NV Temse en Hoboken Rederij, en bestuurder van de NV Yatzy, een dochtervennootschap van de NV Temse en Hoboken Rederij). Eiser betoogde meer bepaald hetgeen volgt : "In de mate dat de stelling van (verweerster) volgens de welke er enkel sprake kan zijn van een staking van betaling aan de zijde van vennootschappen in vereffening indien bewezen wordt dat de stopzetting van betaling te wijten is aan een andere oorzaak dan de vereffeningsprocedure, meer bepaald de niet-diligente uitvoering van de vereffening navolging verdient, quod non, kan men niet anders besluiten dat de NV Temse en Hoboken Rederij haar betalingen heeft gestaakt. De stopzetting van betaling is in casu niet het gevolg van de vereffeningsprocedure maar is te wijten aan de algehele toestand van illiquiditeit van de NV Temse en Hoboken Rederij, een situatie waarin deze vennootschap zich reeds geruime tijd voor de beslissing tot ontbinding en vereffening bevond. Een tekort aan middelen is de enige en directe oorzaak van de staking van betaling. Opnieuw volstaat het in dit verband te verwijzen naar de ontnuchterende realiteit van de cijfers, zoals weergegeven in het deskundigenverslag. Daarnaast stelt (eiser) zich de vraag of in de huidige zaak, objectief gezien, een correcte en diligente vervulling van de vereffeningsopdrachten überhaupt wel mogelijk is nu vaststaat dat Mr. V.B. drie hoedanigheden in één en dezelfde persoon cumuleert, te weten die van curator van de failliete NV Boelwerf, die van bestuurder van de NV Temse en Hoboken Rederij dochtervennootschap van de NV Boelwerf en die van vereffenaar van de NV Temse en Hoboken Rederij. Daarnaast is hij ook nog bestuurder en vereffenaar van de NV Yatzi, dochter van de NV Temse Hoboken Rederij, kleindochter van de NV Boelwerf. (Eiser) betwist dat een persoon curator kan zijn van een failliete vennootschap indien, zoals in casu, vaststaat dat deze tegelijkertijd bestuurder en vereffenaar is van meerdere vennootschappen die nauw verweven zijn met die boedel en een tegenstrijdig belang met deze boedel hebben. Zo is het bijvoorbeeld evident en niet voor betwisting vatbaar dat de noodzakelijke onafhankelijkheid en objectiviteit van een faillissementscurator in het gedrang komt onder meer bij de beoordeling van de bestuurderaansprakelijkheid wanneer hij enerzijds mandaten als bestuurder in dochtervennootschappen van de gefailleerde opneemt en anderzijds later mandaten van vereffenaar in diezelfde vennootschappen opneemt. Alleen al omwille van het verbod op belangenvermenging is dergelijke cumul vanuit objectief standpunt onaanvaardbaar. Het feit dat men aanvaardt dat er één curator wordt aangesteld voor de vereffening van onderlinge afhankelijke faillissementen is evident omdat de curator onder controle van de rechter en de rechter-commissaris opereert. Deze vaststelling gaat echter niet op voor de vereffenaar. De rechtsleer is op dit punt unaniem : één en dezelfde persoon kan niet curator zijn van een boedel wanneer hij tegelijkertijd mandaten als bestuurder of vereffenaar opneemt in vennootschappen die nauw verbonden zijn met de failliete boedel. De reden hiervoor is voor de hand liggend : vereffenaars en bestuurders zijn organen van de vennootschap en vereenzelvigen zich bijgevolg met de vennootschap. Een persoon, die zelf schuldenaar is van de gefailleerde, behoort niet als curator te fungeren. Indien deze persoon een rechtspersoon is, moet deze onverenigbaarheid uitgebreid worden tot de leden van het bestuurorgaan. (Ph. Ernst, De organen van het Faillissement, in X. Faillissement en gerechtelijk akkoord, 1998, Kluwer, p. 317, rn. 11 en rn. 14). Dat de verschillende boedels in de huidige zaak tegenstrijdige belangen hebben is bovendien niet voor discussie vatbaar. De failliete NV Boelwerf is hoofdaandeelhouder in de NV Temse en Hoboken Rederij, en is in die hoedanigheid de grootste verliezende partij. Zij kan in tegenstelling tot de schuldeisers weinig of niets meer verwachten van de vereffening. Haar belangen als meerderheidsaandeelhouder zijn niet te verzoenen met de belangen van de schuldeisers van de NV Temse en Hoboken Rederij. Het is immers vanzelfsprekend dat de failliete NV Boelwerf bij monde van haar curator de wijze zal trachten aan te geven waarop het actief het best gerealiseerd kan worden in haar voordeel. De beslissing tot ontbinding en vereffening van de NV Temse en Hoboken Rederij, in wetenschap dat deze deficitair zou zijn, en de aanstelling van Mr. V.B. als vereffenaar zijn enkel en alleen ingegeven door de belangen van haar hoofdaandeelhouder, de NV Boelwerf. (Verweerster) verliest echter uit het oog dat bij de deficitaire vereffening de belangen van de schuldeisers en niet die van de aandeelhouders centraal moeten staan. Bij wijze van besluit kan gesteld worden dat, in zoverre de beoordeling van de vervulling van de faillissementsvoorwaarden bij vennootschappen in vereffening anders en op beperkende wijze dient beoordeeld te worden, quod non, de redenering van de eerste rechter bevestigd dient te worden en dat het geboden is de permanente staking van betaling te onderscheiden van de tijdelijke stopzetting van betalingen. In casu kan niet betwist worden dat de vereffening deficitair is, dat de vennootschap zich in een permanente toestand van staking der betalingen bevindt, die volledig los staat van de vereffeningsprocedure. De NV Temse en Hoboken Rederij is immers niet in staat haar eisbaar passief en op korte termijn eisbaar passief volledig en binnen een redelijke termijn te betalen. In zoverre dat de beoordeling van de staking van betaling afhangt van de wijze waarop de vereffenaar zijn opdrachten vervult, kan niet in twijfel getrokken worden dat, gezien de verschillende hoedanigheden die Mr. V.B. cumuleert, een diligente vereffening objectief gezien onmogelijk is. Het strafrechtelijk onderzoek naar de vereffening en het verzet van een aantal belangrijke schuldeisers getuigen hiervan. De eerste rechter heeft in casu dan ook terecht geweigerd toe te staan dat de invereffeningstelling de faillietverklaring van de NV Temse en Hoboken Rederij zou verhinderen en geoordeeld dat het faillissement de enige mogelijke wettelijke oplossing was". De appèlrechters antwoorden noch met de hoger aangehaalde overwegingen, noch met enige andere overweging op het voorgaande middel, zodat zij artikel 149 van de Grondwet schenden. Beslissing van het Hof Middel van niet-ontvankelijkheid Over het door de verweerster sub 1 opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep : ingevolge de vernietiging door het hof van beroep van het faillissementsvonnis heeft de curator geen bevoegdheid meer om op te treden : Overwegende dat de aangevochten beslissing de vraag betreft of het faillissement al dan niet moest worden gehandhaafd en dus of de curator het beheer van de boedel moest blijven uitoefenen ; Dat een cassatieberoep tegen de beslissing die het faillissement intrekt moet kunnen worden bestreden door de curator die in het geding was ; Dat het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ;
- Middel zelf 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de rechter om te oordelen of de voorwaarden voor een faillissement verenigd zijn die voorwaarden in concreto moet onderzoeken ; Dat de omstandigheid dat een vennootschap reeds in vereffening is en dat er aldus reeds een samenloop is ontstaan met de eruit volgende beperkingen aan de vrijheid van de bestuurders onbeperkt schuldeisers te betalen of krediet op te nemen, tot gevolg heeft dat de beoordeling van de toestand van de onderneming op een specifieke wijze moet worden gedaan ; Dat het onderdeel dat aan de appèlrechters verwijt te hebben beslist dat de voorwaarden van staking van betaling en geschokt zijn van het krediet bij een vennootschap in vereffening een "andere invulling" moet krijgen dan die welke gebruikelijk is, faalt naar recht ; 2.
- Vierde onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 2 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, hierna te noemen Faillissementswet, de koopman die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, zich in staat van faillissement bevindt ; dat het geschokt zijn van het krediet nauw verbonden is met het ophouden te betalen ; Dat inzonderheid de vennootschap die haar eisbare schulden niet betaalt of waarvan vaststaat dat zij haar schulden op korte termijn niet zal kunnen voldoen, omdat zij niet in staat is bij gebrek aan eigen middelen of krediet haar verbintenissen na te leven, in staat van faillissement is ; Dat een vennootschap in vereffening die haar eisbare schulden niet kan betalen of op korte termijn niet zal kunnen voldoen, aan wie haar schuldeisers weigeren een uitstel van betaling of een vermindering van hun schuldvordering toe te staan en die geen nieuw krediet kan krijgen, in staat van faillissement is ; Dat het feit dat de schuldeisers of een significant deel van de schuldeisers het vertrouwen behouden in de vereffenaar en de vereffening, een gegeven kan zijn waarop de rechter zijn oordeel laat rusten dat de vennootschap in vereffening nog haar krediet behoudt, mitsdien niet in staat van faillissement is ; Dat de appèlrechters derhalve, zonder schending van artikel 2 van de Faillissementswet vermochten te oordelen dat met het "geschokt zijn van het krediet" wordt bedoeld, wanneer de vennootschap in vereffening is, het gebrek aan vertrouwen vanwege de schuldeisers in de organisatie en het verloop van de vereffeningswerkzaamheden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2.
- Tweede en derde onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 2 van de Faillissementswet, de koopman die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, zich in staat van faillissement bevindt ; dat het geschokt zijn van het krediet nauw verbonden is met het ophouden te betalen ; Dat de koopman of vennootschap die nog over krediet beschikt, niet duurzaam heeft opgehouden te betalen ; dat een vennootschap in vereffening waarvan de vereffenaar in de wettelijk toegelaten grenzen de eisbare schulden afbetaalt en die het vertrouwen bewaart van de schuldeisers, in beginsel niet duurzaam opgehouden heeft te betalen ; Dat de appèlrechters oordelen dat verweerster niet failliet is op grond dat de wet aan de vereffenaar oplegde de betalingen te schorsen, dat die staking van betaling niet het gevolg was van het feit dat de vereffenaar zijn opdracht niet naar behoren vervulde en op grond van het vertrouwen van de schuldeisers in de vereffenaar en de vereffening ; Dat zij zodoende hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat de onderdelen niet kunnen worden aangenomen ; 2.
- Vijfde onderdeel Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, het arrest aan de eisende partij enkel het bewijs oplegt dat de faillissementsvoorwaarden vervuld zijn ; Dat het middel dat in wezen een kritiek inhoudt tegen de wijze waarop het arrest die faillissementsvoorwaarden invult, geen verband houdt met de als geschonden aangewezen wetsbepalingen ; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is ; 2.
- Zesde onderdeel Overwegende dat het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt met de reden dat in casu geen aanwijzingen zijn dat de vereffenaar zijn opdracht niet naar behoren zou uitvoeren ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van achthonderd tweeëntachtig euro twintig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Etienne Goethals, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050114.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030306.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051215.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div