id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050114.4 Rolnummer: C.02.0221.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 647 - laatst gezien 2026-07-04 13:17 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 6.1, E.V.R.M. vloeit voort dat aan de procespartijen de mogelijkheid wordt geboden om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Procespartijen Debat op tegenspraak Fiche 2 Bij de beoordeling of het recht van verdediging werd geëerbiedigd zoals dit voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces bedoeld in artikel 6.1, E.V.R.M. en uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, moet worden nagegaan of de zaak in haar geheel het recht van verdediging eerbiedigt
(1)Cass., 15 maart 1985, AR 4439, nr 428. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Recht op een eerlijk proces Recht van verdediging Beoordeling Fiches 3 - 4 Artikel 6, E.V.R.M. is in beginsel van toepassing op de procedures die overeenkomstig artikel 584 Gerechtelijk Wetboek in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg worden beslist. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Toepassingsveld Kort geding Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.584 Thesaurus CAS: KORT GEDING Vrije woorden: KORT GEDING Verdrag Rechten van de Mens Recht op een eerlijk proces Recht van verdediging Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.584 Fiches 5 - 6 Het recht van verdediging zoals dat voortvloeit uit artikel 6, E.V.R.M. staat er niet aan in de weg dat in geval van volstrekte noodzakelijkheid een procedure op eenzijdig verzoekschrift wordt ingesteld, op voorwaarde dat, enerzijds de wet in een dergelijke procedure voorziet en, anderzijds, belanghebbenden de mogelijkheid hebben om ter vrijwaring van hun rechten tegenspraak te voeren. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Recht van verdediging Procedure op eenzijdig verzoekschrift Bestaanbaarheid met het Verdrag Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.584 Thesaurus CAS: KORT GEDING Vrije woorden: KORT GEDING Verdrag Rechten van de Mens Recht op een eerlijk proces Recht van verdediging Procedure op eenzijdig verzoekschrift Bestaanbaarheid met het Verdrag Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.584 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0221.N GREENPEACE BELGIUM, vennootschap zonder winstoogmerk, met zetel gevestigd te 1030 Brussel, Vooruitgangstraat 317 ; eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. BAGGERWERKEN DE CLOEDT & ZOON, naamloze vennootschap, met zetel te 8400 Oostende, Slijkensesteenweg 2 ; 2. DREDGING INTERNATIONAL, naamloze vennootschap, met zetel te 2070 Zwijndrecht, Scheldedijk 30 ; 3. ONDERNEMINGEN JAN DE NUL, naamloze vennootschap, met zetel te 9300 Hofstade, Tragel 23 ; allen handelend in hun hoedanigheid van de tijdelijke vennootschap NOORDZEE EN KUST, met zetel te 8380 Zeebrugge, Tijdokstraat 24 ; 4. VLAAMSE BAGGERMAATSCHAPPIJ, naamloze vennootschap, met vennootschapszetel gevestigd te 9300 Hofstade, Katelijnestraat 2A ; verweersters. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 25 oktober 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 6, inzonderheid 6.1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ; het algemeen beginsel van het recht van verdediging. Aangevochten beslissingen Het aangevochten arrest verklaart het hoger beroep van eiseres ongegrond en bevestigt de bestreden beschikking uitgesproken op derdenverzet, die zelf de beschikking uitgesproken op eenzijdig verzoekschrift van verweersters gegrond had verklaard. Deze laatste beschikking beval eiseres de bezetting van het baggerschip "SHZ Galilei" binnen de Belgische territoriale wateren stop te zetten en het schip vrij te geven en te ontruimen binnen de twee uur na de betekening van de beschikking, met verbod nog op enigerlei wijze de werking van het baggerschip te verhinderen en dit onder verbeurte van een dwangsom. Het aangevochten arrest acht meer bepaald het inleiden van de procedure op eenzijdig verzoekschrift overeenkomstig artikel 584, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek niet in strijd met artikel 6.1 van het Verdrag van de rechten van de mens ingeroepen door eiseres in haar verzoekschrift in hoger beroep. Het arrest steunt deze beslissing op de volgende redenen : "Waar hoger reeds is aangenomen dat het ter zake in ieder geval geen procedure betreft die op definitieve wijze oordeelt omtrent het bestaan, de omvang en de modaliteiten van uitoefening van de rechten en verplichtingen van partijen is er geen sprake van 'vaststelling' van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van art. 6 EVRM. Enkel zijn in het kader van de beschikkingen in geval van volstrekte noodzaak gewezen voorlopige maatregelen aan de orde, of nog voorlopige 'herstellingen' van voorafbestaande toestanden die ten gevolge van feitelijkheden of eenzijdige handelingen werd gewijzigd, zoals te dezen. Een algemeen beginsel inzake een recht op tegenspraak dat zich zou onderscheiden van het algemeen beginsel van het recht van verdediging bestaat niet (...). Het respect van de rechten van verdediging sluit geenszins uit dat zich uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen of omstandigheden van volstrekte noodzaak waarin de tegenspraak niet van in de onmiddellijke beginfase van de procedure kan/dient te worden gerealiseerd. Te dezen worden de rechten van de verdediging geëerbiedigd door de uitzonderlijke omstandigheden die zijn aangevoerd, beoordeeld, en op gemotiveerde wijze aangenomen door de voorzitter, evenals door de mogelijkheid om tegen de beslissing een rechtsmiddel aan te wenden. Overigens werd ook na de principiële wending in de cassatierechtspraak bij het (oude) ambtshalve faillissement nog steeds de hypothese van een niet-oproeping van de schuldenaar als mogelijk geacht in zaken van uitzonderlijke spoed (...). De ingeroepen beginselen verhinderen dan ook niet de mogelijkheid tot het voeren van een eenzijdige procedure bij volstrekte noodzaak zoals voorzien in art. 584, lid 3, Ger. W. De bemerking omtrent de mogelijke partijdigheid wanneer eenzelfde magistraat zou zetelen voor de beschikking op verzoek en bij de beoordeling van het rechtsmiddel is alhier niet aan de orde". Grieven 1. Eerste onderdeel Schending van artikel 6, inzonderheid 6.1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van het algemeen beginsel van het recht van verdediging. Artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dat het recht op een eerlijk proces waarborgt is van toepassing "bij het vaststellen van (
- de)burgerlijke rechten en verplichtingen (van eenieder) en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging". Er is sprake van het "vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen" wanneer die rechten en verplichtingen het voorwerp van het geschil zijn en de afloop van de procedure rechtstreeks bepalend is voor zodanige rechten en verplichtingen. Deze voorwaarden zijn vervuld wanneer een procedure tot gevolg heeft of kan hebben aan de betrokkene tijdelijk of definitief een burgerlijk recht te ontnemen. In dit geval had de procedure als voorwerp te beslissen of eiseres het baggerschip mocht bezetten en op deze manier haar recht tot vrije meningsuiting waarop zij de bezetting steunde (verzoekschrift in hoger beroep, pp. 7 t/m 10), mocht uitoefenen. Het aangevochten arrest bevestigt de jegens eiseres bevolen maatregel tot stopzetten van de bezetting van het baggerschip, gepaard gaande met het verbod om nog de werking ervan te verhinderen onder verbeurte van een dwangsom. Het arrest belet in die mate eiseres haar recht tot vrije meningsuiting uit te oefenen en ontneemt haar dit recht. Door vast te stellen dat het terzake geen procedure betreft die op definitieve wijze oordeelt omtrent het bestaan, de omvang en de modalitieten van de rechten van de partijen, verantwoordt het arrest zijn beslissing dat artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden niet van toepassing is, niet naar recht en schendt het bijgevolg deze bepaling en het recht van verdediging. 2. Tweede onderdeel Schending van artikel 6, inzonderheid 6.1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van het algemeen beginsel van het recht van verdediging. Artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden garandeert aan eenieder het recht op een eerlijk proces. Dit recht bevat onder meer het recht van verdediging, met name het recht om vooraf gehoord te worden en zijn middelen voor te dragen en het recht om de stukken en gegevens waarop de rechterlijke instantie haar beslissing steunt aan een contradictoir debat te onderwerpen. Artikel 584, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in de mogelijkheid om, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, de zaak bij verzoekschrift aanhangig te maken voor de Voorzitter van de rechtbank die uitspraak bij voorraad doet. In geval van inleiden van een procedure op eenzijdig verzoekschrift op grond van artikel 584, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de persoon waartegen de maatrgel wordt gevraagd, niet vooraf gehoord en kan hij zijn middelen niet laten gelden in het kader van een tegensprekelijk debat. In casu hebben verweersters de procedure ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift op grond van artikel 584, lid 3, van het Gerechtelijk Wetboek teneinde maatregelen te horen bevelen ten laste van eiseres. Het aangevochten arrest kon niet wettig beslissen dat het inleiden door verweersters van de procedure op eenzijdig verzoekschrift en het opleggen van de kwestieuze maatregelen zonder dat verweerster werd gehoord en haar verweermiddelen kon voorbrengen, het recht van verdediging van eiseres niet heeft miskend. Het arrest schendt derhalve de verdragsbepaling en het beginsel die in het middel zijn ingeroepen. IV. Beslissing van het Hof 1. Tweede onderdeel Overwegende dat artikel 6.1 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de mens en de Fundamentele vrijheden (hierna te noemen : EVRM) aan eenieder het recht verleent op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie ; Dat uit deze regel voortvloeit dat aan de procespartijen de mogelijkheid wordt geboden om tegenspraak te voeren omtrent elk stuk of elk betoog dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden ; Dat bij de beoordeling of het recht van verdediging werd geëerbiedigd zoals dit voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces bedoeld in artikel 6.1 EVRM en uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, moet worden nagegaan of de zaak in haar geheel het recht van verdediging eerbiedigt ; Overwegende dat, krachtens artikel 584, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, een zaak bij volstrekte noodzakelijkheid, bij eenzijdig verzoekschrift voor de voorzitter van de rechtbank aanhangig kan worden gemaakt ; Dat artikel 6 EVRM in beginsel van toepassing is op de procedures die overeenkomstig artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek in kort geding door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg worden beslist ; Overwegende dat het recht van verdediging zoals dat voortvloeit uit artikel 6 EVRM niet eraan in de weg staat dat in het geval van volstrekte noodzakelijkheid een procedure op eenzijdig verzoekschrift wordt ingesteld, op voorwaarde dat, enerzijds, de wet in een dergelijke procedure voorziet en, anderzijds, dat belanghebbenden de mogelijkheid hebben om ter vrijwaring van hun rechten tegenspraak te voeren ; Dat artikel 584, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in een procedure op eenzijdig verzoekschrift waarbij een zaak kan worden aanhangig gemaakt bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in geval van volstrekte noodzakelijkheid ; Dat, overeenkomstig artikel 1033 van het Gerechtelijk Wetboek, al wie niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak op eenzijdig verzoekschrift is tussengekomen, derdenverzet kan doen tegen de beslissing die zijn rechten benadeelt ; Dat het arrest derhalve zonder miskenning van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen, kon beslissen dat het inleiden door verweersters van de procedure op eenzijdig verzoekschrift en het opleggen van de kwestieuze maatregelen zonder dat eiseres werd gehoord en haar verweermiddelen kon voorbrengen, het recht van verdediging van eiseres niet heeft miskend ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 2. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest de vordering van eiseres afwijst, niet enkel op grond van de in het onderdeel bekritiseerde reden maar ook op grond van de zelfstandige en vergeefs in het tweede onderdeel aangevochten reden dat het respect voor het recht van verdediging geenszins uitsluit dat zich uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen of omstandigheden van volstrekte noodzaak waarin de tegenspraak niet in de onmiddellijke beginfase van de procedure dient te worden gerealiseerd ; Dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van achthonderd zes euro drieënvijftig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door Ivan Verougstraete, de raadsheren Etienne Goethals, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050114.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20121102.8 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170519.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div