id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.22 Rolnummer: P.04.1530.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2005-04-18 Raadplegingen: 406 - laatst gezien 2026-07-04 13:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak doet over het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen een beschikking van de raadkamer die de zaak voor regeling van de rechtspleging enkel op latere datum uitstelt, doet zij geen uitspraak met toepassing van de artikelen 135 en 235bis, Wetboek van Strafvordering; dergelijke beslissing is geen eindbeslissing en doet evenmin uitspraak in een van de andere gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zodat het cassatieberoep, gericht tegen die beslissing, niet ontvankelijk is
(1).
(1)Zie Cass., 24 april 2001, AR P.01.0482.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010424.10 - P.01.0483.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010424.10 en P.01.0494.N, nr
- Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Kamer van inbeschuldigingstelling Uitspraak over hoger beroep van inverdenkinggestelde Beschikking van raadkamer tot uitstel van regeling van rechtspleging Niet ontvankelijk cassatieberoep Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: ONDERZOEKSGERECHTEN Beschikking van raadkamer tot uitstel van regeling van rechtspleging Kamer van inbeschuldigingstelling Uitspraak over hoger beroep van inverdenkinggestelde Cassatieberoep Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.04.1530.N P L E E J, eiser, inverdenkinggestelde, met als raadsman Mr. Gerard Soete, advocaat bij de balie te Brugge. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 2 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Feitelijke gegevens Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat: - eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking van de raadkamer die de zaak voor regeling van de rechtspleging uitstelde op latere datum; - ter terechtzitting van 2 november 2004 de kamer van inbeschuldigingstelling de partijen de gelegenheid geboden heeft standpunt in te nemen over de ambtshalve opgeworpen exceptie van ontoelaatbaarheid, daar de aangevochten beschikking als loutere verdagingsbeslissing, waarbij geen enkel rechtsgeschil werd beslecht, enkel een beslissing van inwendige orde is, waartegen geen hoger beroep openstaat; - het bestreden arrest het hoger beroep niet ontvankelijk verklaart om de reden, eensdeels, dat eiser niet aannemelijk maakt dat hij voor de raadkamer zijn conclusie niet heeft mogen neerleggen en dat door de verdaging van de behandeling zijn recht van verdediging zou geschonden zijn, anderdeels, dat een beschikking van een onderzoeksgerecht waarbij louter een zaak wordt uitgesteld geen eindbeslissing maar een loutere beslissing van inwendige orde is en dienvolgens niet vatbaar voor enig rechtsmiddel; V. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling, zoals hier, uitspraak doet over het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen een beschikking van de raadkamer die de zaak voor regeling van de rechtspleging enkel op latere datum uitstelt, zij geen uitspraak doet met toepassing van de artikelen 135 en 235bis Wetboek van Strafvordering; dat dergelijke beslissing geen eindbeslissing is en evenmin uitspraak doet in een van de andere gevallen bepaald in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; Dat het cassatieberoep, in zoverre het tegen die beslissing is gericht, niet ontvankelijk is; Overwegende, daarentegen, dat het bestreden arrest met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering ook de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoekt, meer bepaald de door eiser opgeworpen miskenning van zijn recht van verdediging; Dat het cassatieberoep, in zoverre het tegen die beslissing is gericht, ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel Overwegende dat het middel dat slechts tegen een niet voor cassatie vatbaar onderdeel van het arrest opkomt zonder de ontvankelijkheid van het cassatieberoep zelf aan te voeren, geen antwoord behoeft;
- Tweede middel Overwegende dat de kamer van inbeschuldigingstelling onaantastbaar in feite vaststelt of het recht van verdediging voor de raadkamer werd geëerbiedigd; dat het middel, dat aanvoert dat bij afwezigheid van betwisting van de tegenpartij, de appèlrechters het desbetreffende verweer van de inverdenkinggestelde als geloofwaardig moeten aanvaarden, in zoverre faalt naar recht; Overwegende voor het overige, dat het middel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van de appèlrechters dat eisers recht van verdediging niet werd miskend; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiser in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van zesenzestig euro drieënvijftig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van achttien januari tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.22 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010424.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div