← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.25

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.25 Rolnummer: P.04.1225.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2005-05-03 Raadplegingen: 958 - laatst gezien 2026-07-04 22:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het hernemen voor het Hof van een in appèlconclusie aangevoerd verweer is geen regelmatig cassatiemiddel en bijgevolg niet ontvankelijk, aangezien dit verweer niet gericht kan zijn tegen de beslissing die de appèlrechters daarover hebben genomen

(1).
(1)Zie Cass., 26 maart 1991, AR 4393, nr 402; 25 feb. 1992, AR 6251, nr 335; 17 mei 1995, AR P.95.0536.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12, nr 242; 17 april 1996, AR P.96.0470.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.4, nr 118; 3 okt. 2000, AR P.99.0437.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001003.12, nr 508. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - ALGEMEEN Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - ALGEMEEN Herneming van in appèlconclusie aangevoerd verweer Ontvankelijkheid Fiches 2 - 6 Een advocaat geniet geen strafrechtelijke immuniteit voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek en het feit dat een advocaat kan veroordeeld worden wegens een der misdrijven bepaald in dat artikel wanneer hij voor de verdediging van een beklaagde gelden heeft ontvangen die uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen zijn, levert geen miskenning van het recht van verdediging, van het recht op een eerlijk proces of van het vermoeden van onschuld van die beklaagde op. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: ADVOCAAT Strafzaken Ontvangen van gelden van criminele oorsprong voor de verdediging Mogelijke veroordeling voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Advocaat Ontvangen van gelden van criminele oorsprong voor de verdediging Mogelijke veroordeling voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Recht op een eerlijk proces Advocaat Ontvangen van gelden van criminele oorsprong voor de verdediging Mogelijke veroordeling voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vermoeden van onschuld Advocaat Ontvangen van gelden van criminele oorsprong voor de verdediging Mogelijke veroordeling voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Artikel 6.3.c Recht van verdediging Recht op bijstand van een raadsman naar keuze Advocaat Ontvangen van gelden van criminele oorsprong voor de verdediging Mogelijke veroordeling voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek Fiche 7 Het recht op een eerlijk proces, waarvan de processuele gelijkheid tussen de partijen deel uitmaakt, houdt niet in dat de rechter moet ingaan op het verzoek van een partij tot overlegging van stukken die aan een andere partij in haar bezit heeft; de rechter kan oordelen dat die stukken niet nuttig zijn voor de vorming van zijn overtuiging en daarom niet moeten worden overgelegd
(1).
(1)Zie Cass., 24 sept. 2002, AR P.02.0718.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020924.13, nr 473. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Recht op een eerlijk proces Beginsel van wapengelijkheid Processuele gelijkheid Draagwijdte Verzoek van een partij tot overlegging van stukken in het bezit van een andere partij Opdracht van de rechter Fiches 8 - 9 Het enkel feit dat de rechter met opgave van redenen oordeelt dat niet moet worden ingegaan op het verzoek van de beklaagde om getuigen à charge te doen verhoren, houdt niet in dat hem hierdoor elke mogelijkheid is ontnomen om de geloofwaardigheid van de verklaringen van die getuigen afgelegd tijdens het gerechtelijk onderzoek aan te vechten, zodat hieruit alleen geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of van het recht om getuigen op te roepen kan worden afgeleid
(1).
(1)Zie Cass., 8 april 1998, AR P.97.1692.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980408.11, nr
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Artikel 6.3.d Recht op getuigenverhoor Draagwijdte Verzoek van de beklaagde om getuigen te doen verhoren Afwijzing van het verzoek onder opgave van redenen Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Recht op een eerlijk proces Beginsel van wapengelijkheid Draagwijdte Verzoek van de beklaagde om getuigen te doen verhoren Afwijzing van het verzoek onder opgave van redenen Fiches 10 - 11 Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie, hoeft de rechter de misdaden of wanbedrijven die het oogmerk van de criminele organisatie zijn, niet specifiek aan te duiden. Vrije woorden: VERENIGING VAN BOOSDOENERS Criminele organisatie Constitutieve bestanddelen Misdrijven beoogd met de criminele organisatie Aanduiding van deze misdrijven Verplichting REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Criminele organisatie Constitutieve bestanddelen Misdrijven beoogd met de criminele organisatie Aanduiding van deze misdrijven Verplichting Tekst van de beslissing Nr. P.04.1225.N I. (cassatieberoep 187/2004) B C A L J M, eiser, beklaagde. II. (cassatieberoep 189/2004) D A, eiser, beklaagde, met als raadslieden Mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie te Gent, Mr. Wim Van Caeneghem, advocaat bij de balie te Antwerpen en Mr. Reinhold Tournicourt, advocaat bij de balie te Brussel, ter terechtzitting bijgestaan door Mr. Jan Kerkhofs, advocaat bij de balie te Gent, voor Mr. Hans Rieder, tegen BELGISCHE STAAT, MINISTER VAN FINANCIËN, Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen, die woonplaats kiest op het kantoor van advocaat André Van Lidth de Jeude te Antwerpen, Van Breestraat 21, verweerder, burgerlijke partij. III. (cassatieberoep 190/2004) D A, reeds vermeld, eiser, burgerlijke partij, tegen
  2. M L,
  3. D M,
  4. H B A,
  5. V R W D M,
  6. K A,
  7. O E M R,
  8. Z M,
  9. M E L L H J,
  10. M S,
  11. D D,
  12. B G,
  13. L S A,
  14. D V B C,
  15. C B,
  16. C M C G,
  17. V I,
  18. E M,
  19. D W T P C, verweerders, beklaagden. IV. (cassatieberoep 191/2004) D A, reeds vermeld, eiser, beklaagde. V. (cassatieberoep 192/2004) D A, reeds vermeld, eiser, beklaagde. VI. (cassatieberoep 193/2004) D A, reeds vermeld, eiser, beklaagde. VII. (cassatieberoep 194/2004) D A, eiser, beklaagde. I. Bestreden beslissingen Het cassatieberoep 187/2004 van eiser sub I en de cassatieberoepen 189/2004 en 190/2004 van eiser sub II zijn gericht tegen het arrest 1122/2004, op 25 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. Het cassatieberoep 191/2004 van eiser sub II is gericht tegen het arrest 453/2004, op 12 maart 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. Het cassatieberoep 192/2004 van eiser sub II is gericht tegen het arrest 2150/2003, op 18 december 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. Het cassatieberoep 193/2004 van eiser sub II is gericht tegen het arrest 2074/2003, op 11 december gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. Het cassatieberoep 194/2004 van eiser sub II is gericht tegen de processen-verbaal van de terechtzittingen van 4 september 2003, 11 december 2003 (voormiddag), 11 december 2003 (namiddag), 12 december 2003 (voormiddag), 18 december 2003, 11 maart 2004 (dossier 865 P 2003), 11 maart 2004 (dossiers 458 P 2003 866 P 2003 1260 P 2003) 11 maart 2004 (dossier 458 P 2003), 12 maart 2004 (voormiddag), 12 maart 2004 (namiddag), 18 maart 2004 (namiddag), 19 maart 2004 (voormiddag), 25 maart 2004 (namiddag), 1 april 2004 (voormiddag), 1 april 2004 (namiddag), 2 april 2004, 22 april 2004, 13 mei 2004, 10 juni 2004 en 25 juni
  20. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser B C stelt geen middel voor. De eiser D A stelt in een memorie vijf middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen Overwegende dat de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 december 2003, 18 december 2003, 11 maart 2004 in de zaak 865/P/2003, 11 maart 2004 in de zaken 458/P/2003, 866/P/2003 en 1260/P/2003, 11 maart 2003 in de zaak 458/P/2003 (tweede proces-verbaal), 12 maart 2004 (voormiddag), 12 maart 2004 (namiddag), 19 maart 2004, 25 maart 2004, 1 april 2004 (voormiddag), 1 april 2004 (namiddag), 2 april 2004, 13 mei 2004, 10 juni 2004 en 25 juni 2004 geen beslissing inhouden waarbij het hof van beroep uitspraak doet over enig geschil, die vatbaar is voor cassatieberoep; Dat het cassatieberoep 194/2004, in zoverre het tegen die processen-verbaal is gericht, niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
  21. Eerste middel Overwegende dat het hernemen voor het Hof van een in appèlconclusie aangevoerd verweer, geen regelmatig cassatiemiddel is; dat dit verweer immers niet gericht kan zijn tegen de beslissing die de appèlrechters daarover hebben genomen; Dat het middel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat een advocaat geen strafrechtelijke immuniteit geniet voor de misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek; dat het feit dat een advocaat kan veroordeeld worden wegens een der misdrijven bepaald in artikel 505 Strafwetboek wanneer hij voor de verdediging van een beklaagde gelden heeft ontvangen die uit een misdrijf verkregen vermogensvoordelen zijn, geen miskenning van het recht van verdediging, van het recht op een eerlijk proces of van het vermoeden van onschuld van die beklaagde opleveren; Dat het middel in zoverre faalt naar recht;
  22. Tweede middel Overwegende dat het arrest niet enkel oordeelt zoals in het middel weergegeven; dat het ook oordeelt dat het gepast is D A verbeurd te verklaren van de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit de bewezen verklaarde feiten zijn verkregen, op grond dat hij deze vermogensvoordelen in eerste instantie inde; dat het de omvang van die vermogensvoordelen en van de zaken die in de plaats ervan zijn gekomen bepaalt op 12.000.000 euro, op het Mercedes voertuig en op 927 gsm-toestellen; dat het daartoe rekening houdt met de ontdoken BTW (24.000.000 euro) en de verplichte verbeurdverklaring op basis van de feiten van de telastlegging E (geldwitwassen) en oordeelt dat het de door D A gemaakte kosten bij het plegen van de feiten niet in aanmerking kan nemen; Overwegende dat het middel berust op een onvolledige lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;
  23. Derde middel 3.
  24. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest de telastlegging A (criminele organisatie) bewezen verklaart zoals in de vordering van het openbaar ministerie omschreven en aldus vaststelt dat de strafbare periode van die telastlegging gelegen is tussen 8 maart 1999 en 19 april 2002; dat het arrest oordeelt dat in het geheel van de periode van de telastleggingen een bedrag van bijna 25.000.000 euro aan de Belgische fiscus onttrokken werd en dat om op grote schaal over een lange periode deze winstgevende verkopen ongestoord te kunnen blijven verrichten, een ogenschijnlijk wettelijk functionerende handelsfirma nodig is; dat het arrest met het geheel van deze redenen de duur in de tijd van de telastlegging criminele organisatie vaststelt en het bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 3.
  25. Tweede onderdeel Overwegende dat het bedoelde verweer enkel aanvoerde dat het onderlinge overleg dat tussen de leden van de organisatie vereist is opdat er sprake kan zijn van criminele organisatie, niet bewezen is; dat het daarentegen geen specifieke betwisting voerde betreffende de misdaden of wanbedrijven die het oogmerk van de criminele organisatie zijn; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie, het arrest de misdaden of wanbedrijven die het oogmerk van de criminele organisatie zijn, niet specifiek hoeft aan te duiden; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
  26. Vierde middel 4.
  27. Eerste, tweede en derde onderdeel Overwegende dat het arrest niet enkel oordeelt zoals in het middel weergegeven, maar ook dat: - het hof van beroep bij tussenarrest van 18 december 2003 bevolen heeft het dossier te vervolledigen door toevoeging van het volledig administratieve dossier ten laste van de NV Beric's, dit dossier bijgebracht is samen met dossiers bijgebracht door het openbaar ministerie en er geen reden is om te denken dat het volledig dossier van de NV Beric's er niet zou zijn; - eiser D A het hof van beroep vraagt de Belgische Staat te bevelen met toepassing van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek tal van bijkomende stukken bij te brengen maar dat de artikelen 877 tot 882 van dat wetboek betreffende de overlegging van stukken in burgerlijke geschillen niet als dusdanig van toepassing zijn in strafzaken; - het hof van beroep voldoende ingelicht is betreffende de elementen noodzakelijk om over de gestelde vorderingen uitspraak te doen; Overwegende dat het arrest met het geheel van die redenen het bedoelde verweer beantwoordt; Dat de onderdelen feitelijke grondslag missen; 4.
  28. Vierde onderdeel Overwegende dat het onderdeel, in zoverre het aanvoert dat de Belgische Staat als burgerlijke partij onbegrensd toegang had tot alle gegevens die verzameld werden ten laste van natuurlijke personen en de rechtspersonen die deze natuurlijke personen hebben aangewend in de criminele organisatie waarvan eiser beschuldigd wordt en dat de Belgische Staat de resultaten van de fiscale onderzoeken onbeperkt ter beschikking van de vervolgende partij heeft gesteld, het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is; Dat het onderdeel in zoverre niet ontvankelijk is; Overwegende dat het recht op een eerlijk proces, waarvan de processuele gelijkheid tussen de partijen deel uitmaakt, niet inhoudt dat de rechter moet ingaan op het verzoek van een partij tot overlegging van stukken die een andere partij in haar bezit heeft; dat de rechter kan oordelen dat die stukken niet nuttig zijn voor de vorming van zijn overtuiging en daarom niet moeten worden overgelegd; Overwegende dat het arrest oordeelt geen gevolg te moeten geven aan het verzoek bijkomende administratieve stukken over te leggen onder meer op grond dat het hof van beroep voldoende ingelicht is betreffende de elementen die noodzakelijk zijn om over de gestelde vorderingen uitspraak te doen; dat het aldus de beslissing naar recht verantwoordt; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen;
  29. Vijfde middel Overwegende dat het middel niet preciseert hoe en waardoor het arrest artikel 149 Grondwet schendt; Dat het middel in zoverre onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk is; Overwegende dat het enkel feit dat de rechter met opgave van redenen oordeelt dat niet moet worden ingegaan op het verzoek van de beklaagde om getuigen à charge te doen verhoren, niet inhoudt dat hem hierdoor elke mogelijkheid is ontnomen om de geloofwaardigheid van de verklaringen van die getuigen afgelegd tijdens het gerechtelijk onderzoek aan te vechten; dat hieruit alleen geen miskenning van het recht op een eerlijk proces of van het recht om getuigen op te roepen kan worden afgeleid; Dat het middel faalt naar recht; C. Ambtshalve onderzoek Overwegende dat, wat de strafvorderingen betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoep. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van zevenhonderd drieënvijftig euro zeven cent, waarvan:
  30. op de cassatieberoepen van B C : vierhonderd eenennegentig euro eenentwintig cent verschuldigd en
  31. op de cassatieberoepen van D A : tweehonderd eenenzestig euro zesentachtig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van achttien januari tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050118.25 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200915.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211005.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230601.1F.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950517.12 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960417.4 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980408.11 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001003.12 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020924.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.