← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.30

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.30 Rolnummer: C.04.0179.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2005-04-28 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-07-04 12:41 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de curator de verdeling doet en aan de werknemers een bedrag uitbetaalt ingevolge een aangifte van schuldvordering voor de vergoeding verschuldigd ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, moet hij zelf het deel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing berekenen, inhouden en in voorkomend geval aan de Staat storten, ook al heeft de Staat voor dat bedrag nog geen aangifte gedaan van schuldvordering. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Faillietverklaring van de werkgever Bevoorrechte schuldvordering van de werknemer Opzeggingsvergoeding Bedrijfsvoorheffing Berekening, inhouding en doorstorting Verplichtingen curator Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Artt.88en90, Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Bedrijfsvoorheffing Faillietverklaring van de werkgever Te betalen opzegvergoedingen Verplichtingen curator Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Artt.88en90, Tekst van de beslissing Nr. C.04.0179.N D.S., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van BVBA TELSTAR , met vennootschapszetel te 8980 Beselare, Proostdiestraat, 13, ingeschreven in het handelsregister te Ieper, nummer 22.048, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Brugge, wiens kantoor gevestigd is te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerder, en ten aanzien van

  1. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1000 Brussel, Waterloolaan 76,
  2. C.H.,
  3. C.F.,
  4. F.R., tot bindendverklaring opgeroepen partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 5 mei 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Feiten Het arrest omschrijft de feiten als volgt. De blijvende betwisting betreft de rangregeling die de curator uitwerkte betreffende de aangiftes van de werknemers C., C., F. en V. in het faillissement van de BVBA Telstar, dat uitgesproken werd op 18 juli
  5. De curator rekent het beschikbaar actief in eerste orde toe op het nettoloon, waarvoor de werknemers het voorrecht van artikel 19, 3°bis, en 19, 4°, van de Hypotheekwet genieten. Na deze toerekening rest een saldo van 392.112 BEF, dat hij pondspondsgewijze verdeelt tussen de ontvanger van de directe belastingen en de RSZ. - De curator plaatst deze schuldeiser voor hun schuldvordering in gelijke rang bij toepassing van artikel 19, 4° ter, van de Hypotheekwet en de artikelen 422 en 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. - Wat de schuldvordering van de fiscus betreft houdt hij alleen rekening met het bedrag van de aangifte van schuldvordering die de fiscus deed voor de bedrijfsvoorheffing op lonen, die de werkgever verschuldigd was vóór het vonnis van faillietverklaring (hetzij : 2.138.591 BEF). Hij houdt geen rekening met de bedrijfsvoorheffingen die de curator overeenkomstig het standpunt van de fiscus bij toepassing van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen

(1992)zou moeten verrekenen op de nettoloonvergoeding die hij de werknemers kan uitbetalen ingevolge hun aangifte voor de bruto-opzeggingsvergoeding, waarop zij gerechtigd werden ingevolge de faillietverklaring en de beëindiging van hun arbeidsovereenkomsten. Voor deze laatste bedrijfsvoorheffingen deed de fiscus geen afzonderlijke aangifte. - Hij verrekende de bedrijfsvoorheffing die het Fonds voor sluiting van ondernemingen inhield bij zijn uitbetaling van het nettoloon, van de werknemers op de bedrijfsvoorheffing, waarvan de fiscus een aangifte in het faillissement deed. Aldus houdt hij bij de pondspondsgewijze verdeling alleen rekening met een schuldvordering van 1.252.812 BEF aan de zijde van de fiscus, waar de fiscus stelt dat hij rekening moet houden met een schuldvordering van (2.138.592 + 493.743) = 2.632.335 BEF. IV. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 62 en 72 van de Faillissementswet van 3 augustus 1997 ; de artikelen 496 en 508 van de Wet van 18 april 1851 op het faillissement, de bankbreuk en de opschorting van betaling ; de artikelen 270, 6°, en 272 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Aangevochten beslissingen In het bestreden arrest verklaart het hof van beroep het hoger beroep van verweerder tegen het vonnis van 11 februari 2002 gewezen door de Rechtbank van Koophandel te Ieper gedeeltelijk gegrond en beveelt eiser de afrekening tussen de partijen op te maken overeenkomstig de door het hof van beroep in het arrest aangegeven verrekeningswijze. Aldus vernietigt het hof van beroep het vonnis van 11 februari 2002 en oordeelt het dat de naleving door eiser van diens verplichting om de bedrijfsvoorheffing in te houden op de aan de werknemers uit te keren bezoldigingen, niet vereist dat verweerder voor deze bedrijfsvoorheffing een aangifte van schuldvordering neerlegt. De appèlrechter steunt deze beslissing op de volgende gronden : "2.4. (Verweerder) en de R.S.Z. zullen alleen een dividend ontvangen in de mate dat hun schuldvordering nuttig gerangschikt staat bij de verdeling van het gerealiseerd actief. Bij de uitbetaling van het beschikbaar actief en de uitvoering van hun opdracht moet de curator wel rekening houden met de bepalingen van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. - De Faillissementswet omschrijft de taak, die de curator moet nakomen. Zo bepaalt artikel 561 van de wet van 18 april 1851, dat hernomen werd in artikel 99 van de wet van 8 augustus 1997, dat de curator het gerealiseerd actief aan alle schuldeisers naar evenredigheid van hun bevestigde en geverifieerde schuldvorderingen moet uitdelen. - De bepaling van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bepaalt alleen op welke wijze de curator deze taak uitvoeren. Zij stelt geen voorrecht in. Zij houdt alleen in, dat de curator binnen de uitoefening van deze taak de dividenden die beschikbaar zijn voor de bedrijfsvoorheffing na uitbetaling van de nettoloonvergoeding waarop de werknemers bij toepassing van artikel 19, 3°bis, en 19, 4°, van de Hypotheekwet gerechtigd zijn aan de Belgische Staat moet afdragen en niet langer aan de werknemer mag uitbetalen, zoals in het verleden gebeurde. 2.5 Het komt de werknemers en niet (verweerder) toe, om hun loonaanspraken voor achterstallige lonen, opzeggingsvergoeding, eindejaarspremie en vakantiegeld in het faillissement in te dienen. De rechten van (verweerder) op de bedrijfsvoorheffing zijn volledig ondergeschikt en afhankelijk van deze aangiftes en van de aanvaarding ervan door de curator. De curator heeft als taak het gerealiseerd actief op de aanvaarde schuldvordering van de werknemer toe te rekenen overeenkomstig de rangregeling vastgelegd in de Hypotheekwet en artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen. En zoals hierboven gesteld, moet hij bij de uitbetaling van deze schuldvordering rekening houden met de verplichting, die artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)inhoudt. De naleving van deze verplichting vereist niet dat (verweerder) zelf een aangifte van schuldvordering zou neerleggen. Ook voor de arbeidsrechtbank bekomt de werknemer de volledige veroordeling van de werkgever voor de hem verschuldigde brutolonen, wat niet inhoudt dat de werknemer in zijn handen betaling kan bekomen van de bedrijfsvoorheffing, die zijn werkgever aan (verweerder) verschuldigd is. De werkgevers, zowel als (eiser), moet zich schikken naar artikel 270 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). 2.
  1. Het hof draagt de curatoren dan ook op, om overeenkomstig de hierna vastgelegde berekeningen de rangregeling onder partijen uit te werken en het gerealiseerd actief op de schuldvorderingen toe te rekenen. - Het saldo op het nettoloon geniet het voorrecht van artikel 19, 3°bis, en 19, 4°, van de Hypotheekwet en gaat in de rangregeling de ingehouden RSZ (13,07 pct.) en bedrijfsvoorheffing (aan het eenvormig tarief van 27,25 pct. waarin het KB van 30 juli 1994 voorziet) vooraf. - De bedrijfsvoorheffingen kunnen alleen verrekend worden op de brutolooninkomsten en geen tweede keer op het nuttig gerangschikt nettoloon, zoals (verweerder) voorstaat. Artikel 88 van het KB van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het W.I.B 1992 en zijn bijlage III bepalen, dat de bedrijfsvoorheffing wordt berekend op de toegekende bruto-inkomsten. - Eens het nettoloon, de R.S.Z. en de bedrijfsvoorheffing bepaald is, moet (eiser) het gerealiseerd actief toekennen op deze schuldvorderingen. Hierbij moet hij rekening houden met de tussenkomst van het Fonds voor sluiting van ondernemingen. Het Fonds treedt bij toepassing van artikel 8 van de wet van 30 juni 1967 immers van rechtswege in de rechten en vorderingen van de werknemers tegenover de werkgever-schuldenaar voor de inning bij deze laatste van de lonen, vergoedingen en voordelen die het bij toepassing van artikel 2 heeft betaald. - Waar de 'schuldvordering voor het netto-loon' de schuldvordering van (verweerder) en de R.S.Z voorafgaat, moet (eiser) met de eerste dividenden de schuldvordering van de werknemers aanzuiveren. Slechts in het geval dat hij daarna nog over dividenden beschikt voor de schuldvorderingen in rang waarin de bedrijfsvoorheffingen en de R.S.Z. gerangschikt staan, kan hij het verder beschikbaar actief toerekenen op de schuldvorderingen die (verweerder) en de R.S.Z. hebben. - Zoals hierboven (...) gesteld, maakt het niet uit of de schuldvordering van (verweerder) betrekking heeft op de bedrijfsvoorheffing die de werkgever verschuldigd bleef vóór het vonnis van faillietverklaring (zij : 2.138.592 BEF) of op de bedrijfsvoorheffing die verrekend werd op de bruto-opzeggingsvergoeding, waarop de werknemers gerechtigd werden ingevolge de faillietverklaring en de beëindiging van hun arbeidsovereenkomsten. - Waar het beschikbare actief (eiser) toelaat om de schuldvordering van (verweerder) en de R.S.Z. aan te zuiveren, moet hij op hun schuldvordering eerst de bedrijfsvoorheffing en de R.S.Z.-afhoudingen die het Fonds voor sluiting van ondernemingen hen uitbetaalde in mindering brengen, om vast te stellen wat zij nog verschuldigd zijn. Het saldo van hun schuldvordering zal hij pondspondsgewijze met de nog beschikbare dividenden aanzuiveren". Grieven Krachtens artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen is eiser bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de aan de werknemers van de gefailleerde vennootschap nog verschuldigde bezoldigingen. Eiser heeft overeenkomstig artikel 272, 1°, van hetzelfde wetboek het recht om deze bedrijfsvoorheffing in te houden op de uitkeringen aan de werknemers. Ten onrechte oordeelt het hof van beroep in het bestreden arrest evenwel dat "de naleving van deze verplichting (niet) vereist dat (verweerder) zelf een aangifte van schuldvorderingen zou neerleggen." Aldus geven de appèlrechters aan de artikelen 270, 6°, en 272, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen een reikwijdte die deze wetsbepalingen niet hebben. Geen van beide wetsbepalingen bevat immers een uitdrukkelijke of stilzwijgende afwijking van het fundamentele beginsel, verwoord in de artikelen 62 en 72 van de nieuwe Faillissementswet en voorheen in de artikelen 496 en 508 van de wet van 18 april 1851, dat elk schuldeiser aangifte moet doen van zijn schuldvordering om voor een uitkering uit het faillissement in aanmerking te komen. Door aldus te beslissen dat eiser, bij de verdeling van het saldo van het actief van de gefailleerde vennootschap, rekening moet houden met de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de aan de werknemers uit te keren bezoldigingen, deze bedrijfsvoorheffing moet inhouden en uitkeren aan verweerder, overeenkomstig de rangregeling voorgeschreven door de artikelen 19, 3°bis, en 19, 4°, van de Hypotheekwet en 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen hoewel voor deze bedrijfsvoorheffing door verweerder geen aangifte werd gedaan. V. Beslissing van het Hof
  2. Middel Overwegende dat, krachtens artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 22 juli 1993, de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door diegenen die als curators in faillissementen, schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 van het wetboek ; Dat, krachtens artikel 272 van hetzelfde wetboek, de curators het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden ; dat, krachtens artikel 273 van dat wetboek, de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is uit hoofde van het betalen of het toekennen van belastbare bezoldigingen ; Dat, met toepassing van artikel 88 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), en van zijn bijlage III, nummers 1 tot 3, de bedrijfsvoorheffing op de beroepsinkomsten wordt vastgesteld op grondslag van de werkelijke betaalde of toegekende bruto-inkomsten, verminderd met de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving ; dat, krachtens de te dezen toepasselijke bepalingen van bijlage III, hoofdstuk II, afdeling 3, voor de schuldvorderingen met de hoedanigheid van bezoldigingen die worden gehonoreerd door curators in faillissementen, de bedrijfsvoorheffing eenvormig zonder vermindering wordt vastgesteld op 27,25 pct. ; Dat, krachtens artikel 90, ,§1, van voornoemd koninklijk besluit van 27 augustus 1993, de curator die schuldvorderingen honoreert met de hoedanigheid van bezoldigingen binnen de in artikel 412 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)gestelde termijn een aangifte moet overleggen bij de krachtens artikel 297 van hetzelfde wetboek aangewezen ontvanger van de directe belastingen en de verschuldigde bedrijfsvoorheffing bij dezelfde ambtenaar moet betalen volgens de regels van hoofdstuk III, afdeling III van dit besluit ; Dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 1993 blijkt dat de wetgever de effectieve inning van de bedrijfsvoorheffing heeft willen bevorderen zowel wat betreft schuldvorderingen van werknemers, ontstaan vóór het faillissement van hun werkgever, als wat betreft loon uitbetaald door een curator na het faillissement ; dat het voormeld uitvoeringsbesluit ertoe strekt de taak van de curators te vereenvoudigen door de vaststelling van een eenvormig tarief ; Overwegende dat, in de regel, het bij artikel 19, 3°bis, van de Hypotheekwet gevestigde voorrecht niet van toepassing is op de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemer en de bedrijfsvoorheffing die betrekking hebben op het loon waarop de werknemer recht had ingevolge prestaties geleverd vóór het faillissement ; dat de werknemer immers geen vorderingsrecht heeft om in eigen handen betaling te verkrijgen van de bedragen die op het loon zijn ingehouden om te worden overgemaakt aan het bestuur en aan de betrokken instellingen ; Dat hieruit volgt dat de curator de schuldvordering van de werknemer voor vorderingen ontstaan vóór het faillissement moet berekenen op grond van het brutoloon, verminderd met de sociale-zekerheidsbijdrage van de werknemer en met de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing ; Overwegende dat uit al die bepalingen volgt dat de curator, wanneer hij de verdeling doet en aan de werknemers een bedrag uitbetaalt ingevolge een aangifte van schuldvordering voor de vergoeding verschuldigd ingevolge de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zelf het deel van de verschuldigde voorheffing moet berekenen, inhouden en in voorkomend geval aan de Staat storten, ook al heeft de Staat voor dat bedrag nog geen aangifte gedaan van schuldvordering ; Overwegende dat de appèlrechter die oordeelt dat de naleving van de verplichting van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, niet vereist dat de fiscus zelf een aangifte van schuldvordering zou neerleggen voor bedrijfsvoorheffing die de curator moet verrekenen op vergoedingen uitgekeerd ten titel van opzeggingsvergoedingen na faillissement, zijn beslissing naar recht verantwoordt ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; 2. Vordering tot bindendverklaring Overwegende dat gelet op de verwerping van het cassatieberoep, de vordering tot bindendverklaring geen bestaansreden meer heeft ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd vijfentachtig euro eenenvijftig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.