← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 Rolnummer: C.02.0572.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 978 - laatst gezien 2026-07-04 21:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het staat aan de rechter, aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van art. 70, ,§ 1, B.T.W.-Wetboek te toetsen, te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang daarbij in acht nemend in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie; dit toetsingsrecht houdt echter niet in dat hij op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen

(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Administratieve sancties met repressief karakter Wettelijkheid van de sanctie Evenredigheid met de inbreuk Toetsingsrecht van rechter Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-01-1987 - Art.1 Fiche 2 Conclusie adv.-gen. Thijs, Cass., 21 jan. 2005, AR C.02.0572.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Administratieve sancties met repressief karakter Wettelijkheid van de sanctie Evenredigheid met de inbreuk Toetsingsrecht van rechter Nota: C.02.0572.N Conclusies van het openbaar ministerie:
  1. Uit verklaringen die door verschillende betrokkenen werden afgelegd in een strafdossier in verband met fictieve uitvoer van electroapparatuur naar het Groot-Hertogdom- Luxemburg bleek dat goederen die door een firma Delcon als onherroepelijk bestemd voor het buitenland werden aangewezen, in werkelijkheid het Belgisch grondgebied nooit hadden verlaten: de goederen werden opgehaald door verweerster onder dekking van een CMR-vrachtbrief die een buitenlandse bestemming aangaf, maar naar haar magazijnen te Leuven vervoerd, waar ze nadien door de firma Delcon terug werden opgehaald om naar Belgische afnemers te worden gebracht. Op grond van artikel 6 van het K.B. nr. 18 werd verweerster hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de op de leveringen in België verschuldigde B.T.W., intresten en de boeten. Uit hoofde van die feiten werd een dwangbevel uitgevaardigd lastens verweerster tot vordering van de ontdoken B.T.W. en bijhorigheden, waaronder de wettelijke boete, berekend in toepassing van artikel 70, ,§ 1, van het B.T.W.- Wetboek op tweemaal het bedrag van de ontdoken rechten. Verweerster tekende tegen dit dwangbevel verzet aan dat bij vonnis van 12 november 1996 door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven gegrond werd verklaard. Ingevolge eisers hoger beroep oordeelde de appelrechter dat de door de administratie aangevoerde inbreuk bewezen is, zodat het verzet van verweerster tegen het dwangbevel wordt verworpen wat de gevorderde belasting betreft. De appelrechter herleidt echter de op grond van artikel 70, ,§ 1, van het B.T.W.-Wetboek opgelegde boete van het dubbele van de ontdoken belasting tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de ontdoken rechten. Tegen deze laatste beslissing heeft eiser zich in cassatie voorzien.
  2. In het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat de door het arrest uitgesproken vermindering van de opgelegde boete strijdig is met het voorschrift van art. 70, ,§ 1, van het B.T.W.-Wetboek, alsook met de bepalingen van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 nu het toetsingsrecht van de administratieve geldboete niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit, en tegen wettelijke voorschriften in, de opgelegde boeten kan kwijtschelden of verminderen. Uit de in het arrest aangenomen verzachtende omstandigheden kan volgens eiser niet afgeleid worden dat de toepassing van de door de wet vastgestelde boete onverenigbaar is met dwingende bepalingen van intern of internationaal recht.
  3. Artikel 70, ,§ 1 van het B.T.W.-Wetboek schrijft voor dat "voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting". De krachtens dat artikel opgelegde boete kan verminderd worden in de gevallen en onder de voorwaarden omschreven in het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en in de daarbij gevoegde schalen. Krachtens het laatste lid van artikel 1 van dit koninklijk besluit zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Het arbitragehof oordeelde bij arrest van 24 februari 1999 dat artikel 70 van het B.T.W.-Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, toestaat op de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen (Arbitragehof nr. 22/99, 24 februari 1999, B.S., 30 april 1999; T.F.R., 1999, 388). Inzake administratieve sancties houdt "de volle rechtsmacht" in dat de rechter minstens de feiten, de correcte toepassing van het recht en de evenredigheid tussen overtreding en sanctie moet kunnen controleren en in voorkomend geval alle feitelijke en juridische onderdelen van de beslissing ongedaan moet kunnen maken. De rechterlijke controle is ter zake een volledige rechtmatigheidscontrole die minstens moet slaan op de feiten (bv. de werkelijkheid van de overtreding), de overeenstemming met de wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen en de evenredigheid tussen de overtreding en de sanctie (Advies R.v.St. nr. 28.776, Parl. St. Kamer, 1998-99, nr. 2O31/1, p. 15-16). Inzake de rechterlijke toetsing van administratieve sancties opgelegd aan een B.T.W.-plichtige, oordeelde Uw Hof in een arrest van 5 februari 1999 dat de rechter de mogelijkheid moet hebben om de werkelijkheid na te gaan van de sanctionering en eveneens te beoordelen of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, en inzonderheid of zij niet indruist tegen specifieke wettelijke bepalingen of tegen algemene rechtsbeginselen, en of zij niet in strijd is met de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur. De uitoefening van dit toetsingsrecht houdt evenwel niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid de belastingplichtige zou kunnen bevrijden van verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid (Cass., 5 februari 1999, A.C., 1999, nr. 67). De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet voor gevolg hebben dat de boete niet kan worden verminderd, zelfs niet bij onevenredigheid met de overtreding. Met de rechtsleer kan worden aangenomen dat een dergelijke lezing van geciteerd arrest niet in overeenstemming te brengen is met de eis van volle rechtsmacht van artikel 6 van het E.V.R.M. die tevens tot uiting komt in voormelde rechtspraak van het Arbitragehof (o.m. J. PUT, "Rechtshandhaving door administratieve sancties in het recht", R.W., 2001-2002, nr. 34, 20 april 2002, 1204, nr. 27; M. MAUS, "Kritische bemerkingen bij de arresten van het Hof van Cassatie van 5 februari 1999 inzake de fiscaal-administratieve sancties", A.J.T., 1998-99, 985-986). De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en in voorkomend geval de opgelegde administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen (W. LAMBRECHTS, "Het zorgvuldigheidsbeginsel", in I. OPDEBEEK (red.), Algemene beginselen van behoorlijk bestuur, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1993, 30-31). De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstelling, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. Bedoeld cassatiearrest moet dan zo worden gelezen dat de beslissing wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) kan worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bv. verzachtende omstandigheden). De evenredigheid wordt dan een onderdeel van de rechtmatigheidscontrole (J. PUT, o.c., 1204, nr. 27, in fine). In arresten van 24 januari 2002 heeft Uw Hof overigens expliciet bevestigd dat het toetsingsrecht van administratieve sancties in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld. Uw Hof wees er andermaal op dat dit toetsingsrecht niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass., 24 januari 2002, A.R. nrs. C.00.0234.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.8-C.00.0442.N; C.00.0307.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.10-C.00.0599.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.10; F.00.0099.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.9, www.cass.be). Eiser in cassatie gaat er in zijn voorziening terecht van uit dat onevenredigheid tussen een sanctie en de bestanddelen van een inbreuk wijst op een objectieve verhouding waarbij de feiten ten opzichte van de sanctie afgewogen worden, daarbij abstractie makend van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige. Aangaande de door verweerster begane inbreuken stelt het bestreden arrest het volgende vast: "Uit de vaststaande feiten blijkt dat (verweerster) haar medewerking heeft verleend aan een mechanisme dat er op gericht was btw-fraude te organiseren. Het is immers niet aannemelijk dat (verweerster), die een professioneel is inzake vervoer, er kon aan twijfelen dat de praktijk die met haar medeweten werd toegepast geheel ongeoorloofd was. De na te leven rechtsregels waren eenvoudig, goed gekend en trouwens niet voor misverstand vatbaar: vrijstelling van btw was slechts mogelijk indien de in ontvangst genomen goederen werden uitgevoerd. (Verweerster) nu stemde in met een (voorgewende) vervoeropdracht waarvan bij voorbaat vaststond dat ze deze niet zou uitvoeren, ze liet goederen uit haar magazijn halen terwijl ze die moest uitvoeren en factureerde aan een bestemmeling fictieve vervoerprestaties. De tekortkoming doet kwade trouw blijken en is dus zeer ernstig" (bestreden arrest, p. 9, nr. 18). Het bestreden arrest neemt aldus enerzijds aan dat de overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, in de zin van voormeld artikel 1 van het K.B. nr. 41 van 30 januari
  4. Anderzijds vermindert het hof van beroep de boete tot het bedrag van de ontdoken rechten op grond dat "als enige verzachtende omstandigheid in aanmerking kan worden genomen dat niet blijkt dat geïntimeerde de fraude mee bedacht heeft en ze er schijnbaar slechts een beperkt voordeel uit gehaald heeft. Ze heeft prestaties gefactureerd die ze niet heeft dienen uit te voeren (haar facturen werden niettemin per cheque betaald door Rosier), maar de gezamenlijke waarde ervan beliep hooguit enkele tienduizenden franken". De appelrechter stelt aldus niet vast dat de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang gelet op de aard van de feiten, doch hij beperkt zich ertoe zijn subjectieve beoordeling in plaats te stellen van de wettelijk omschreven sanctie. Bij deze appreciatie verliest de appelrechter daarenboven uit het oog dat het litigieus dwangbevel niet werd uitgevaardigd tot invordering van de door verweerster verschuldigde B.T.W. wegens het factureren van beperkte (fictieve) vervoerprestaties van 'enkele tienduizenden franken', doch wel tot invordering van de door derden ontdoken B.T.W. waartoe hij als commissionair-expediteur of vervoerondernemer hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld ingevolge de fictieve uitvoer van electroapparatuur op grond van artikel 6 van het K.B. nr.
  5. Het middel komt dan ook gegrond voor. Besluit: VERNIETIGING van het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de administratie geldboete en de kosten. Tekst van de beslissing Nr. C.02.0572.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, de registratie en de domeinen, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te 3000 Leuven, Vaartstraat 4-6, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen CUSTOMS AND TRAFFIC DAVA, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Vaartkom 3, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 16 april 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. Feiten De feiten worden in het verzoekschrift als volgt samengevat : In het arrest wordt vastgesteld dat verweerster, onder dekking van een vrachtbrief met buitenlandse bestemming, goederen naar een Belgisch adres heeft vervoerd, waar ze door Belgische afnemers werden opgenomen en aldus de B.T.W. op die levering werd ontdoken. Uit hoofde van die feiten werd een dwangbevel uitgevaardigd tot vordering van de belasting en bijhorigheden, waaronder de wettelijke boete, berekend in toepassing van artikel 70, ,§1, Wb. B.T.W., op tweemaal het bedrag van de ontdoken rechten. Verweerster tekende tegen dit dwangbevel verzet aan. Dit verzet werd door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven bij vonnis van 12 november 1996 gegrond verklaard. Deze uitspraak werd echter door het bestreden arrest hervormd. De appèlrechter oordeelt dat de door de administratie aangevoerde inbreuk bewezen is, en verwerpt het verzet van verweerster tegen het dwangbevel, wat de gevorderde belasting betreft. Hij herleidt echter de boete tot een bedrag gelijk aan het bedrag van de ontdoken rechten. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 70 tot en met 72, inzonderheid 70, ,§1, en 72, en voor zoveel als nodig 84 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (Wb. BTW) ; artikel 1, inzonderheid de laatste alinea, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ; voor zoveel als nodig, het zogenoemd beginsel dat evenredigheid tussen een inbreuk en haar sanctie oplegt. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep zegt dat het door eiser ingesteld hoger beroep als volgt gegrond is. Het arrest : "Bevestigt het bestreden vonnis enkel waar het verzet wordt ontvangen, de vergoedingseis van (verweerster) wordt verworpen en de kosten worden begroot, Opnieuw beslissend voor het overige, Zegt dat het verzet enkel gegrond is wat de in het dwangbevel van 12 februari 1986 opgelegde boete betreft, maar ongegrond voor het overige ; Doet het dwangbevel enkel teniet waar het een boete oplegt van 2.576.354 frank en zegt dat de boete ten laste van (verweerster) op grond van artikel 70 BTW-Wetboek vastgesteld wordt op 31.933,07 euro. Veroordeelt (verweerster) in 4/5 van de gedingskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, deze laatste begroot op 490,83 euro voor haarzelf en op 490,83 euro voor (eiser), en laat het overige 1/5 ten laste van laatstgenoemde". Deze uitspraak is gemotiveerd met de volgende overwegingen : "
  6. De boete die met toepassing van artikel 70 BTW-Wetboek werd opgelegd beloopt het dubbel van het bedrag van de ontdoken rechten. Desbetreffend stelt (verweerster) dat ze kan bogen op verzachtende omstandigheden die een kwijtschelding of minstens een vermindering van de boete tot 20 pct. wettigen. Artikel 70 van het BTW-Wetboek sluit rechterlijke toetsing van de opgelegde boete niet uit.
  7. Uit de vaststaande feiten blijkt dat (verweerster) haar medewerking heeft verleend aan een mechanisme dat er op gericht was BTW-fraude te organiseren. Het is immers niet aannemelijk dat (verweerster), die een professioneel is inzake vervoer, er kon aan twijfelen dat de praktijk die met haar medeweten werd toegepast geheel ongeoorloofd was. De na te leven rechtsregels waren eenvoudig, goed gekend en trouwens niet voor misverstand vatbaar ; vrijstelling van btw was slechts mogelijk indien de in ontvangst genomen goederen werden uitgevoerd. (Verweerster) nu stemde in met een (voorgewende) vervoeropdracht waarvan bij voorbaat vaststond dat ze deze niet zou uitvoeren, ze liet goederen uit haar magazijn halen terwijl ze die moet uitvoeren en factureerde aan een bestemmeling fictieve vervoerprestaties. De tekortkoming doet kwade trouw blijken en is dus zeer ernstig.
  8. Als enige verzachtende omstandigheid kan in aanmerking worden genomen dat niet blijkt dat (verweerster) de fraude mee bedacht heeft en ze er schijnbaar slechts een beperkt voordeel uit gehaald heeft. Ze heeft prestaties gefactureerd die ze niet alleen heeft dienen uit te voeren (haar facturen werden niettemin per cheque betaald door R.), maar de gezamenlijke waarde ervan beliep hooguit enkele tienduizenden franken. In de gegeven omstandigheden acht het hof een boete gelijk aan het bedrag van de ontdoken rechten, hetzij 1.288.177 BEF thans 31.933,07 euro dan ook adequaat". Grieven In artikel 70, ,§1, Wb. B.T.W., wordt voorgeschreven : "Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting". De tekst zegt niet "mag worden", of "een boete gaande tot het dubbele". Het vaststellen van de boete op het dubbele is dus wel een formeel voorschrift van de wetgever. Dit voorschrift bindt eveneens de rechter die geadieerd wordt om een geschil over het bestaan van de inbreuk of de daarop toepasselijke sanctie te beslechten. De door de vermelde bepalingen van de artikelen 70 tot en met 72, Wb. B.T.W., opgelegde boete wordt in de regel opgelopen door het enkele feit van de overtreding, ongeacht de goede trouw, de kwade trouw of de feitelijke vergissing van de overtreder of van een eventuele rechtsdwaling. De krachtens artikel 70, ,§1, Wb. B.T.W. opgelegde boete kan weliswaar verminderd worden in de gevallen en onder de voorwaarden omschreven in het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en in de daarbij gevoegde bijlage. Krachtens het laatste lid van artikel 1 van dit koninklijk besluit mogen de in de bijlage vermelde verminderingen echter niet toegepast worden in geval van opzettelijke fraude. In het arrest wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat verweerster in casu deel heeft genomen aan een georganiseerde fraude, en dat kwade trouw bewezen is. De toegestane vermindering van de opgelegde wettelijke boete is derhalve met het voorschrift van (het koninklijk besluit nr. 41) artikel 1, laatste lid, van het vermelde koninklijk besluit onverenigbaar. Daarbij mag benadrukt worden dat dit voorschrift zowel de administratie als de rechter bindt. De rechter, voor wie een administratieve geldboete opgelegd op grond van de artikelen 70 tot 72 van het B.T.W.-Wetboek wordt bestreden, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken, en mag in het bijzonder nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie, en of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht kan in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf al dan niet evenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kan overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zulkdanige omvang. Dit toetsingsrecht houdt daarentegen niet in dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit, en tegen wettelijke voorschriften in, de opgelegde boeten kan kwijtschelden of verminderen. Onevenredigheid tussen een sanctie en de bestanddelen van een inbreuk wijst op een objectieve verhouding : daartoe moeten de feiten ten opzichte van de sanctie afgewogen worden, los van de bijzondere omstandigheden eigen aan elk individueel geval. Een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden, eigen aan elk individueel geval, kan voor het beoordelen nopens het al of niet bestaan van onevenredigheid niet in aanmerking komen. In de onderhavige zaak wordt door de appèlrechter vastgesteld, enerzijds dat verweerster haar medewerking heeft verleend aan een mechanisme dat erop gericht was B.T.W.-fraude te organiseren, dat haar tekortkoming kwade trouw doet blijken en zeer ernstig is, anderzijds dat als verzachtende omstandigheid in aanmerking kan genomen worden dat niet blijkt dat zij de fraude mee bedacht heeft, en er schijnbaar slechts een beperkt voordeel uit gehaald heeft. Uit de in het arrest aangenomen verzachtende omstandigheid kan derhalve niet afgeleid worden dat de toepassing van de door de wet vastgestelde boete onverenigbaar is met dwingende bepalingen van interne of internationaal recht. De appèlrechter stelt niet vast dat de administratie niet naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij beperkt er zich toe, zijn subjectieve beoordeling in de plaats te stellen van de wettelijk omschreven sanctie. Besluit De door het arrest uitgesproken vermindering van de opgelegde boete derhalve strijdig is met het voorschrift van artikel 70, ,§1, Wb. B.T.W., alsook met de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en voor zoveel als nodig, van de andere in de aanhef van onderhavig middel vermelde wetsbepalingen. Deze uitspraak kan ten andere niet verrechtvaardigd worden door de toepassing van enig algemeen beginsel van interne of internationaal recht, en meer bepaald van het zogenoemd beginsel dat evenredigheid tussen een inbreuk en haar sanctie oplegt. De vermelde wetsbepalingen en rechtsbeginselen worden derhalve door het arrest geschonden. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 70, ,§1, van het BTW-Wetboek, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting ; Dat, krachtens artikel 84 van dat wetboek, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald wordt volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld ; Dat, krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken ; Overwegende dat belastingschuldigen tegen een dwangbevel van de invorderingsambtenaar verzet kunnen doen ; Dat de rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van het genoemde artikel 70 van het BTW-Wetboek, te toetsen, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken, en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen ; Dat dit toetsingsrecht in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang ; Dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hierbij in acht moet nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie ; Dat dit toetsingsrecht niet inhoudt dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen ; Overwegende dat het arrest, dat op dat punt niet wordt bekritiseerd, aanneemt dat "artikel 70 van het BTW-Wetboek rechterlijke toetsing van de opgelegde boete niet uit(sluit)" ; Dat de appèlrechter beslist dat de tekortkoming (van verweerster) kwade trouw doet blijken en dus zeer ernstig is ; dat hij aldus aanneemt dat de overtreding begaan werd met het oog op ontduiken van BTW of ontduiking ervan mogelijk te maken ; Dat de appèlrechter evenwel oordeelt : "Als enige verzachtende omstandigheid kan in aanmerking worden genomen dat niet blijkt dat (verweerster) de fraude mee bedacht heeft en ze er schijnbaar slechts een beperkt voordeel uit gehaald heeft. Ze heeft prestaties gefactureerd die ze niet heeft dienen uit te voeren (haar facturen werden niettemin per cheque betaald door R.), maar de gezamenlijke waarde ervan beliep hooguit enkele tienduizenden franken" ; Dat de appèlrechter op grond van die gegevens niet mocht beslissen dat de door het bestuur opgelegde boete moest worden verminderd tot het bedrag van de ontdoken rechten ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het oordeelt over de geldboete en de kosten ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.31 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2026:ARR.20260420.1 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081104.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.2 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090213.4 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100311.1 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110311.3 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.5 ECLI:BE:CASS:2018:CONC.20180921.6 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190117.1 ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190117.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220516.3F.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230302.1F.6 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230324.1N.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250425.1N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.10 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020124.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061130.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.2 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070216.5 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070216.3 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20070216.5 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081212.8 ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20081212.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.