id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.32 Rolnummer: C.03.0569.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 464 - laatst gezien 2026-07-03 13:42 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Nu in de regel het bij art. 19, 3°bis, Hypotheekwet gevestigde voorrecht niet van toepassing is op de sociale-zekerheidsbijdragen van de werknemer en de bedrijfsvoorheffing die betrekking hebben op het loon waarop de werknemer recht had ingevolge prestaties geleverd voor het faillissement, volgt hieruit dat de curator de schuldvordering van de werknemer met betrekking tot voor het faillissement ontstane vorderingen dient te berekenen op grond van het brutoloon, verminderd met de sociale-zekerheidsbijdrage van de werknemer en met de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing, vastgesteld op grondslag van de bruto-inkomsten verminderd met de verplichte sociale inhoudingen, en de ingehouden bedrijfsvoorheffing doorstort aan het bestuur als de rang van de respectieve voorrechten dit toestaat
(1).
(1)Zie de conclusie van het O.M. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Faillietverklaring van de werkgever Bevoorrechte schuldvordering van de werknemer Berekening door de curator Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art.88enbijla Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Faillietverklaring van de werkgever Bevoorrechte schuldvordering van de werknemer Berekening door de curator Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art.88enbijla Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. Thijs, Cass., 21 jan. 2005, AR C.03.0569.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - BEVOORRECHTE EN HYPOTHECAIRE SCHULDEISERS Faillietverklaring van de werkgever Bevoorrechte schuldvordering van de werknemer Berekening door de curator Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Faillietverklaring van de werkgever Bevoorrechte schuldvordering van de werknemer Berekening door de curator Nota: C.03.0569.N Conclusie van het openbaar ministerie: 1. In het enig middel tot cassatie verwijten eisers het bestreden arrest te hebben beslist dat de Belgische Staat voor de bedrijfsvoorheffing uit hoofde van de aangifte van schuldvordering, die eerste verweerder voor het brutoloon in het faillissement Boelwerf N.V. deed, het voorrecht geniet in de rang waarin artikel 423 van het W.I.B.
(1992)bij het openvallen van het faillissement voorzag en dat de curatoren bij toepassing van artikel 270, 6° W.I.B.
(1992)verplicht zijn om de dividenden die binnen deze rang beschikbaar zijn, in handen van de Belgische Staat te vereffenen, en bijgevolg het gerealiseerd actief op de schuldvorderingen van eerste verweerder en de Belgische Staat moeten toerekenen overeenkomstig de hoger vastgestelde rangorde. Zodoende zou het Hof van Beroep de artikelen 7, 8, 9 en 15 van de Hypotheekwet evenals de artikelen 422 en 423 W.I.B.
(1992)hebben miskend. Tevens zou het bestreden arrest aldus aan artikel 270, 6° W.I.B.
(1992)een voorwaarde hebben toegevoegd en zou het derhalve niet naar recht zijn verantwoord.
- Uit het bestreden arrest blijkt dat eisers in de door hen voorgelegde afrekening, tweemaal de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing a rato van 27,25% in mindering brengen van de schuldvordering van eerste verweerder, een eerste maal voor de berekening van het nettoloon, dat met toepassing van de door Uw Hof gehuldigde stelling (Cass., 23 november 1992, Arr. Cass., 1991-92,1339) bevoorrecht is op grond van de artikelen 19.3bis en 19.4 Hypotheekwet, een tweede maal op het saldo van het nettoloon dat na aftrek van de nettotussenkomst van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, aan eerste verweerder toekomt. Deze berekeningswijze werd reeds door Uw Hof in zijn arrest van 23 mei 1996 als onwettig beschouwd (R.W. 1996-97, 563, met conclusie van advocaat-generaal M. De Swaef, T.B.H. 1996, 718, met noot Th. Werquin). Na onderzoek van de terzake toepasselijke fiscale wetsbepalingen en van de bepalingen van de Faillissementswet besliste Uw Hof in voornoemd arrest dat " de curator de schuldvordering van de werknemer voor vorderingen ontstaan vóór het faillissement moet berekenen op grond van het bruto-loon, verminderd met de sociale zekerheidsbijdrage van de werknemer en met de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing; (dat) de curator de forfaitaire bedrijfsvoorheffing vaststelt op grondslag van de bruto-inkomsten verminderd met de verplichte sociale inhoudingen; (dat) hij de ingehouden bedrijfsvoorheffing doorstort aan het bestuur, als de rang van de respectieve voorrechten dit toestaat", met andere woorden indien de schuldvordering van de fiscus uit hoofde van de bedrijfsvoorheffing in nuttige orde van verdeling komt. Uw Hof kwam tot dit besluit na de vaststelling dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 1993, die, met het oog op een betere inning van de bedrijfsvoorheffing, aan de curator bijkomende verplichtingen heeft opgelegd, waardoor hij aan dezelfde verplichtingen werd onderworpen als de werkgever, zijnde de verplichting tot inhouding aan de bron van de bedrijfsvoorheffing en de storting ervan aan de fiscus, "blijkt dat de wetgever de rangorde van de bestaande voorrechten en de door de wet opgelegde regels voor de verdeling bij de samenloop niet heeft willen wijzigen".
- Overeenkomstig artikel 19.3°bis Hypotheekwet geniet de werknemer ten aanzien van zijn werkgever voor het loon, zoals bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965, van een algemeen voorrecht op roerende goederen. Naar luid van de rechtspraak van Uw Hof strekt het in artikel
- 3°bis Hypotheekwet ingestelde voorrecht zich niet uit tot de werknemersbijdragen inzake sociale zekerheid evenmin als tot de bedrijfsvoorheffing, die in mindering worden gebracht van het brutobedrag van het loon van de werknemer (Cass., 23 november 1992, Pas., 1992, I, 1295; E. Dirix, Overzicht Rechtspraak, Voorrechten en Hypotheken, T.P.R. 1998, 511 e.v., m.i.b. nr. 51). Met andere woorden, het in artikel 19.3° bis Hypotheekwet voorziene voorrecht is beperkt tot het nettoloon, dat door de werkgever aan de werknemer wordt uitbetaald.
(1)Deze stelling is gestoeld op het feit dat, zo de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemer en de bedrijfsvoorheffing deel uitmaken van het loon, de werknemer tegenover zijn werkgever of, ingeval van faillietverklaring dezer tegenover de gezamenlijke schuldeisers, geen vorderingsrecht kan doen gelden tot uitbetaling in zijn handen van de uit dien hoofde door de werkgever ingehouden bedragen. Voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemer en de bedrijfsvoorheffing hebben, naar de rechtspraak van Uw Hof, onder meer neergelegd in voornoemd arrest van 23 november 1992, de R.S.Z. en de fiscus, bij uitsluiting van de werknemer, een vorderingsrecht lastens de werkgever. 4. Uit voornoemde rechtspraak van Uw Hof volgt dat de schuldvordering, die de fiscus lastens de werkgever uit hoofde van bedrijfsvoorheffing bezit, een eigen bestaan kent, dat onderworpen is aan de bepalingen van de fiscale wet (onder meer artikelen 270-275 tot uitvoering van het W.I.B., 86 e.v. K.B. tot uitvoering van het W.I.B. en bijlage III aan voornoemd K.B.), waaraan ten voordele van de fiscus de voorrechten kleven, die door de fiscale wetgeving zijn ingevoegd, en waarvoor de fiscus beschikt over de bij de fiscale wet voorziene invorderingsmogelijkheden. Deze stelling wordt overigens ook in de rechtsleer gehuldigd.
(2)- Deze aan de fiscus uit hoofde van bedrijfsvoorheffing toegekende rechten dienen ten aanzien van de werkgever, zijnde de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing, te worden uitgeoefend. Het bestreden arrest heeft dan ook terecht, met bevestiging van het vonnis a quo, aangenomen dat na het faillissement van de werkgever de fiscus ten aanzien van dit faillissement zijn rechten, met inbegrip van het bij de fiscale wetten toegekend voorrecht, kan laten gelden uit hoofde van de niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing als een schuldvordering in de massa, die aan de uit het faillissement voortspruitende samenloopsituatie is onderworpen. Luidens artikel 422 W.I.B. 1992, zoals van kracht bij het openvallen van het faillissement van de N.V. Boelwerf, had de openbare schatkist voor de invordering van de directe belastingen in hoofdsom en opcentiemen, van de intresten en van de kosten een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van de belastingschuldige. Dit voorrecht nam, krachtens artikel 423 W.I.B. 1992, in zijn versie van toepassing ten tijde van het openvallen van het faillissement van de N.V. Boelwerf, rang onmiddellijk na de voorrechten vermeld in de artikelen 19 en 20 Hypotheekwet en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel. In dat verband laat het bestreden arrest terecht opmerken dat voornoemd artikel 422 W.I.B. 1992 geen onderscheid maakt tussen de bedrijfsvoorheffing en de directe belastingen, die vóór de faillietverklaring verschuldigd zijn en de bedrijfsvoorheffing en de directe belastingen, die eerst bij het openvallen van het faillissement verschuldigd worden.
- Gelet op voorgaande beschouwingen besliste het Hof van Beroep te Gent in het bestreden arrest dan ook wettig dat de curator slechts gehouden is tot het doorstorten aan de fiscus van de door hem op de schuldvorderingen van de werknemers ingehouden bedrijfsvoorheffing, voor zover de schuldvordering van de fiscus uit hoofde van deze bedrijfsvoorheffing in nuttige rangorde van verdeling komt en nam aldus in toepassing van de hiervoren aangehaalde beginselen wettig aan dat de dwingende bepalingen van de Faillissementswet een weerslag hebben op de verplichting van de curator inzake de doorstorting van de door hem op grond van artikel 272, 1 ° W.I.B. 1992 ingehouden bedrijfsvoorheffing.
- Voornoemde verplichting werd aan de curator opgelegd door de fiscale wetgever, die met het oog op een betere inning van de bedrijfsvoorheffing, na het faillissement van de werkgever, de curator aan dezelfde verplichtingen als de werkgever heeft willen onderwerpen (Senaat 1992-93, 762, 1, Memorie van Toelichting, p.9). Met dit oogmerk werden de artikelen 270 en 272 W.I.B. 1992 aangevuld door de wet van 22 juli
- Artikel 270 W.I.B., die een opsomming inhoudt van degenen, die de bedrijfsvoorheffing verschuldigd zijn, wijst thans ook als schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing sub 6° aan : "diegenen, die als curatoren in faillissementen, vereffenaars van gerechtelijke akkoorden, vereffenaars van vennootschappen of( ...) schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30". Teneinde de curatoren toe te laten de op hen rustende verplichting tot storting van de bedrijfsvoorheffing na te komen kent artikel 272, 1 ° W.I.B. aan de curatoren hetzelfde recht toe, waarover de werkgever beschikt, met name op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden. Volgens de Memorie van Toelichting van de wet van 22 juli 1993 (p. 9) drongen deze wijzigingen zich op om reden dat "ingeval van faillissement, gerechtelijk akkoord en vereffening de curatoren en de vereffenaars (stellen) dat zij geen belastingschuld hebben inzake bedrijfsvoorheffing aangezien zij geen brutolonen uitbetalen, doch schuldvorderingen honoreren ten bedrage van het nettoloon".
- Conform de bepalingen, neergelegd in het W.I.B. 1992, vormt het brutobedrag van de beroepsinkomsten verminderd met de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving, de grondslag voor de vaststelling van de bedrijfsvoorheffing. Deze regel is eveneens van toepassing op de door de curator van een faillissement in te houden bedrijfsvoorheffing op de schuldvorderingen die hij zal honoreren met de hoedanigheid van bezoldiging, behoudens het toepasselijke tarief van de bedrijfsvoorheffing dat eenvormig vastgesteld werd op 27,25%, nadien 27% sinds 1 januari 1991, thans 26,68%. Zulks blijkt onder meer uit de hierna aangehaalde wetsbepalingen: - luidens artikel 275 W.I.B.
(1992)wordt de bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens de aanduiding van forfaitaire schalen door de Koning opgesteld, die kunnen verschillen naar gelang de categorie van belastingplichtigen; - de regels inzake bedrijfsvoorheffing zijn neergelegd in de artikelen 86 e.v. van het K.B. tot uitvoering van het W.I.B.
(1992); - krachtens artikel 87.1 van voornoemd K.B. is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de beroepsinkomsten, als vermeld in artikel 23 ,§ 1, 4° en 5° W.I.B.; - overeenkomstig artikel 88 van dit K.B. wordt het bedrag van de aan de bron verschuldigde bedrijfsvoorheffing vastgesteld volgens de schalen en de erbij horende regels vermeld in bijlage III; - deze bijlage III houdt in haar hoofdstuk I, houdende de voorafgaande begrippen, onder "Afdeling 1 Grondslag, 1A", als algemene regel aan dat de bedrijfsvoorheffing op de beroepsinkomsten (hoofdstukken II tot V) vastgesteld wordt op grondslag van de werkelijk betaalde of toegekende bruto-inkomsten, verminderd met de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving of van een ermede gelijkgesteld wettelijk of reglementair statuut; - hoofdstuk II met als hoofdding "Bezoldigingen van werknemers en ermede gelijkgestelde inkomsten", waarop voorgaande regel van toepassing is, stipt sub afdeling 3, nr. 23 aan : "Voor de schuldvorderingen met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in art. 30 W.I.B., die worden gehonoreerd door curatoren in faillissementen ... wordt de bedrijfsvoorheffing eenvormig (zonder vermindering) vastgesteld op 27,25%, vervolgens op 27% sinds 1 januari 1991, thans op 26,68%".
- Tot deze vaststelling kwam reeds zowel Uw Hof in zijn voornoemd arrest van 23 mei 1996 als de heer Advocaat-Generaal De Swaef in zijn conclusie, die dit arrest voorafgaat, waarbij hij na de uiteenzetting van onder meer de fiscale bepalingen tot het besluit komt dat de door de curatele voorgelegde berekeningswijze, waarbij, zoals in onderhavig geval, tweemaal bedrijfsvoorheffing op eenzelfde schuldvordering met de hoedanigheid van bezoldiging in mindering wordt gebracht - de eerste maal ter berekening van het nettoloon, dat conform artikel 19.3°bis Hypotheekwet bevoorrecht is, een tweede maal op het saldo van het nettoloon, dat na aftrek van de tussenkomst van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen, aan de werknemer toekomt - , strijdt met de fiscale wetgeving.
- Met toepassing van de fiscale wetsbepalingen is derhalve, in navolging van de door Uw Hof gehuldigde regel, die in onderhavig geval door de appelrechters werd toegepast, de curator, net als de werkgever, wanneer hij overgaat tot uitkering van een schuldvordering met de hoedanigheid van bezoldiging aan een werknemer, gehouden tot inhouding van de bedrijfsvoorheffing, berekend op de bruto-inkomsten, verminderd met de verplichte sociale uitkeringen, en tot doorstorting ervan aan de fiscus in de hiervoren bepaalde mate. Door de invoeging in de wet van 22 juli 1993 van voornoemde verplichtingen in hoofde van de curator, heeft de fiscale wetgever immers, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van deze wet, de gelijkstelling van de curator met de werkgever beoogd. Het was echter geenszins de bedoeling van de wetgever om dezelfde beroepsinkomsten tweemaal te onderwerpen aan een inhouding uit hoofde van bedrijfsvoorheffing. Een dergelijke dubbele aftrek is overigens, zoals reeds gesteld, onverenigbaar met de fiscale wetsbepalingen. Tevens wordt hierbij voorbijgegaan aan de vaststelling dat het niet de door de curator te honoreren schuldvordering is, die het voorwerp van de fiscale inhoudingsplicht uitmaakt, maar wel de bezoldigingen als bedoeld in art. 30 W.I.B., die de curator geheel of gedeeltelijk zal hebben te honoreren aan de werknemers die in het faillissement een schuldvordering hebben ingediend. Luidens artikel 272, 1 ° W.I.B. hebben onder meer de in artikel 270, 6° W.I.B. vermelde belastingschuldigen (d.i. de curator van een faillissement) het recht de bedrijfsvoorheffing in te houden op de belastbare inkomsten, dit zijn de inkomsten die de grondslag vormen van de personenbelasting, zoals zij worden vastgesteld op grond van de fiscale wetgeving (artikelen 6, 23 ,§ 2, 49 e.v., m.i.b. 52, 7° W.I.B.), dit is wat betreft de beroepsinkomsten het bedrag dezer inkomsten, vóór de aftrek van de bedrijfsvoorheffing. Het in voornoemde bepalingen door de fiscale wetgever gehanteerd begrip bezoldiging stemt immers niet overeen met het begrip loon, dat bevoorrecht is op grond van artikel 19.3bis Hypotheekwet, d.i. het loon na aftrek van de bedrijfsvoorheffing.
- De door de eisers aangehouden lezing van de artikelen 270, 6° en 272, 1 ° W.I.B. en 88 van het Koninklijk Besluit van 27 augustus 1993 en zijn bijlage III faalt naar recht waar zij er van uitgaat dat de bij artikel 270, 6° W.I.B. aan de curator opgelegde verplichting tot doorstorting een autonome fiscale verplichting "sui generis" is, die betrekking heeft op het vermogen van de ex-werknemer met als gevolg dat de curator slechts tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing aan de fiscus zou zijn gehouden na toepassing van de wettelijke regels inzake de rangregeling der voorrechten op het vermogen van de gefailleerde werkgever. Evenmin kan eisers' stelling worden aangenomen volgens dewelke de bij de fiscale wetten ingevoerde voorrechten geen toepassing kunnen vinden, nu zij slechts gelden ten aanzien van de gefailleerde werkgever, terwijl de verplichting tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, opgelegd aan de curator op grond van artikel 270, 6° W.I.B., zich zou situeren op een ogenblik, waarop de dividenden zich niet meer bevinden in het buitenbezitgestelde vermogen van de gefailleerde werkgever en derhalve de uitvoering van deze verplichting de wettelijke rangregeling niet meer kan beïnvloeden.
- Enerzijds strijdt eisers' stelling met de hoger vermelde fiscale wetsbepalingen, terwijl eisers anderzijds uit het oog verliezen dat artikel 270, 6° W.I.B., zoals gewijzigd door de wet van 22 juli 2003, de curator van een faillissement, zoals de werkgever, als schuldenaar aanwijst van de bedrijfsvoorheffing, die gekoppeld is aan de dividenden, die de curator aan de werknemers uit hoofde van het hun toekomend nettoloon honoreert. Aldus verwerft de fiscus op grond van deze wetsbepaling lastens de curator van een faillissement uit hoofde van deze bedrijfsvoorheffing een vorderingsrecht, ter nakoming waarvan het W.I.B. 1992, en meer bepaald artikel 272, 1°, de curator het recht verleent op de aan de werknemers toekomende belastbare inkomsten, zijnde te dezen de brutobezoldiging waarop de werknemers kunnen aanspraak maken, na aftrek van de verplichte sociale zekerheidsbijdragen, de desbetreffende bedrijfsvoorheffing in te houden. Met andere woorden, indien de curators aan de werknemers van de gefailleerde werkgever hun op grond van artikel 19.3bis Hypotheekwet bevoorrecht nettoloon, zijnde hun brutobezoldiging, verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen en de bedrijfsvoorheffing, geheel of deels honoreren, dienen zij ter nakoming van de door artikel 270 W.I.B. voorgeschreven verplichting de daarmee verbonden bedrijfsvoorheffing in te houden op de brutobezoldiging, verminderd met de sociale zekerheidsbijdragen, die overeenstemt met het door de curator uit te keren nettoloon. Artikel 422 W.I.B. 1992 kent bovendien aan de fiscus voor deze schuldvordering uit hoofde van de bedrijfsvoorheffing een algemeen voorrecht op roerende goederen toe.
- Uit het voorgaande volgt dat eisers ten onrechte het aan de curator door de fiscale wet toegekende inhoudingsrecht ter nakoming van de op hem als schuldenaar rustende verplichting tot betaling van de bedrijfsvoorheffing situeren na toepassing van de wettelijke regels inzake de rangregeling der voorrechten op het vermogen van de gefailleerde werkgever, nu de curator naar aanleiding van de honorering van schuldvorderingen met de hoedanigheid van bezoldiging, niet alleen het nettoloon waarop de werknemers kunnen aanspraak maken, doch tevens de schuldvordering die de fiscus heeft uit hoofde van de bedrijfsvoorheffing verbonden aan het uitbetaalde loon, en het aan deze schuldvordering op grond van de fiscale wet verleende voorrecht zal behoeven in aanmerking te nemen in het raam van de rangregeling en de verdeling der gelden waartoe hij op grond van het faillissementsrecht dient over te gaan.
- Geen enkele wetsbepaling verleent aan de curator het recht om de bedrijfsvoorheffing in te houden op het nettoloon of het dividend hierop, dat de curator aan de werknemers uitbetaalt en dat aan deze werknemers integraal toekomt. Dergelijke onwettige handelwijze heeft bovendien tot gevolg dat in een samenloopsituatie, zoals bij faillissement, de werknemer nooit aanspraak kan maken op de algehele betaling van zijn -op grond van artikel 19.3 bis Hypotheekwet- bevoorrechte schuldvordering die hij ten aanzien van zijn werkgever heeft, nu naar de rechtspraak van Uw Hof de werknemer tegen zijn werkgever of bij faillissement tegen de gezamenlijke schuldeisers geen vorderingsrecht heeft tot uitbetaling in zijn handen van de ingehouden bedrijfsvoorheffing en hij derhalve ten aanzien van het faillissement geen aanspraak kan maken op de eerste inhouding, waartoe de curator is overgegaan ter bepaling van diens nettoloon, en dit zelfs indien andere bevoorrechte schuldeisers met een lagere rang of zelfs chirographaire schuldeisers in aanmerking komen voor uitkering, wat ontegensprekelijk een inbreuk vormt op de in de Hypotheekwet en Faillissementswet voorziene regels inzake rangregeling, die de curator behoeft te eerbiedigen bij de verdeling der gelden onder de schuldeisers.
- Volledigheidshalve kan nog worden verwezen naar het bericht aan de werkgevers en aan de andere schuldenaars van aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 24 april 2003 ( p. 21.897 e.v.), dat een precisering bevat van de vermeldingen, die behoeven voor te komen op de individuele fiches en de samenvattende opgaven: "Lonen en vergoedingen gehonoreerd door curatoren
- Tegenover de passende kenletter van de in te vullen fiche moeten de lonen en vergoedingen worden vermeld die gehonoreerd worden door de curatoren, vereffenaars en personen die gelijkaardige functies uitoefenen als bedoeld in artikel 270, 6°, W.I.B. 92 in het kader van de afwikkeling van het faillissement of de vereffening. Het toegekende inkomen moet overeenstemmen met het bedrag dat overeenkomstig de afrekening aan de ex-werknemers is uitbetaald, vermeerderd met het aandeel van deze werknemers in de effectief ingehouden bedrijfsvoorheffing zelfs indien deze wegens onvoldoende actief niet is gestort aan de bevoegde ontvanger. Schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 270,6° WIB 92
- De curatoren, vereffenaars en personen die gelijkaardige functies uitoefenen als bedoeld in artikel 270, 6° WIB 92, moeten een samenvattende opgave 325 indienen die in overeenstemming is met het bedrag van de effectief ingehouden bedrijfsvoorheffing zelfs indien deze wegens onvoldoende actief niet is gestort aan de bevoegde ontvanger". Uit deze bepalingen volgt overigens dat de fiscus bij de vaststelling van de belastbare toestand van de betrokken werknemer ook rekening zal houden met de ingehouden bedrijfsvoorheffing, zelfs indien deze door de schuldenaar, te dezen de curator van het faillissement, niet kon worden gestort omdat de voorhanden activa hem dit niet toelieten, en derhalve het risico van insolvabiliteit van de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing draagt.
- Tenslotte weze gepreciseerd dat de eertijds door de curatoren in overleg met de fiscus gehanteerde praktijk, waarnaar eisers in hun toelichting verwijzen, erin bestond bij elke uitkering aan de werknemers van een dividend op hun bevoorrechte schuldvordering, deze uitbetaling kenbaar te maken aan het Documentatiecentrum - Bedrijfsvoorheffing dat op zijn beurt de betrokken controlekantoren der werknemers aanschreef, uitging van de veronderstelling dat de curatoren brutobedragen op grond van artikel 19.3bis Hypotheekwet uitkeerden, en geen nettobedragen zoals door eisers aangestipt (praktijk vastgesteld in aanschrijving nr. Ci.D.51/324.806, Buil. Bel. 1982, 2413-2417). Om de hoger aangehaalde redenen kan het door eisers aangevoerde middel dan ook niet worden aangenomen. Besluit: VERWERPING. ___________________________
(1)De wijzigingsbepalingen, opgenomen in de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen, meer in het bijzonder artikel 81, breiden het begrip "recht op de betaling van het hem verschuldigd loon", waarover de werknemer ten aanzien van zijn werkgever beschikt en dat is neergelegd in de wet van 12 april 1965, uit tot het loon 'vooraleer de inhoudingen krachtens de belastingwetgeving en de wetgeving op de sociale zekerheid in mindering zijn gebracht', en verruimen vervolgens het voorrecht, voorzien bij artikel 19.3° bis Hypotheekwet, in dezelfde mate. Deze wijzigingen worden als volgt verantwoord in de Memorie van Toelichting (Kamer, Zitting 2001-2002, Doc. 50-1687/001, p. 48): 'Het doel van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers bestaat er niet in te bepalen hetgeen aan de werknemer verschuldigd is, maar wel de betaling van hetgeen hem verschuldigd is, te beschermen. Daartoe bepaalt artikel 81 uitdrukkelijk dat de werknemer recht heeft op de betaling van het loon (in de zin van artikel 2 van deze wet van 12 april 1965) dat hem verschuldigd is krachtens de rechtsbronnen bepaald in artikel 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Dit recht op betaling van het loon heeft betrekking op het brutoloon van de werknemer, dit betekent vóór ondermeer de fiscale inhoudingen (bedrijfsvoorheffing) en sociale inhoudingen (persoonlijke werknemers-bijdragen) verricht werden. Zulke inhoudingen zouden niet kunnen verricht worden indien de werknemer geen recht had op de betaling van zijn brutoloon". De hiervoren aangehaalde wijzigingen, die tot op heden niet in werking zijn getreden, doen evenwel geen afbreuk aan de door het bestreden arrest vastgestelde handelwijze, gestoeld op de in voege zijnde wetsbepalingen op het ogenblik van het openvallen van het faillissement.
(2)Zie o.m. I. Verougstraete e.a. die in hun Manuel de la faillite et du concordat (Kluwer 2003) het volgende stellen: "La rémunération brute ne correspond d'ailleurs pas à une créance unique, mais à des créances diverses qui ont un rang différent; le net pour le travailleur, le précompte pour le fisc, la retenue pour l'ONSS" (p. 494, nr. 827). Voornoemde passus in het Frans kan vrij worden vertaald als volgt: "De brutobezoldiging vormt overigens niet een enige schuldvordering maar verschillende schuldvorderingen die een onderscheiden rang hebben: het netto voor de werknemer, de bedrijfsvoorheffing voor de fiscus, de sociale inhoudingen voor de R. S. Z.". P. Coppens en F. 't Kint verwoorden in hun overzicht van rechtspraak met betrekking tot het faillissement, de gerechtelijke akkoorden en de voorrechten (verschenen in de Revue Critique de Jurisprudence Belge 1997, p. 417, nr. 112 in fine), deze stelling als volgt : "On ajoutera qu'à tout le moins, la créance du travailleur, pour la partie qui représente le précompte professionnel et sa cotisation personnelle à l'ONSS, est novée ab ovo : en deviennent créanciers l'ONSS et le fisc, auxquels un droit propre - et un privilège distinctsont reconnus à l'encontre de l'employeur ". Voornoemde passus in het Frans kan vrij als volgt worden vertaald: "Men zal er aan toevoegen dat minstens de schuldvordering van de werknemer voor het deel dat de bedrijfsvoorheffing en de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemer vertegenwoordigt, ab ovo is vernieuwd : worden er van schuldeisers de R.S.Z. en de fiscus, aan wie een eigen recht -en een onderscheiden voorrecht- tegen de werkgever zijn toegekend". Tekst van de beslissing Nr. C.03.0569.N
- V.C.,
- S.M., beiden in hun hoedanigheid van curatoren over het faillissement van de NV Boelwerf, met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Dijkstraat 6 en ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas nummer 38.376, open verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, van 28 oktober 1992, eisers, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- V.P., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, verweerder, partij opgeroepen tot bindendverklaring van het arrest. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen &§9472; de artikelen 7, 8, 9 en 15 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ; &§9472; artikel 270, 6°, en 272, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)(hierna afgekort als "WIB 1992"), zoals gewijzigd bij wet van 22 juli 1993 ; &§9472; de artikelen 273, 1°, zoals gewijzigd bij wet van 28 december 1992, 422 en 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals van kracht ten tijde van het openvallen van het faillissement (28 oktober 1992) ; &§9472; artikel 88 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), en zijn bijlage III, hoofdstuk II, afdeling III, zoals gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 juli 1994. Aangevochten beslissingen Het hof van beroep stelt vast dat tweede verweerder voor de bedrijfsvoorheffing uit hoofde van de aangifte van de schuldvordering die eerste verweerder voor zijn brutoloon in het faillissement Boelwerf NV deed, het voorrecht geniet in de rang waarin artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bij het openvallen van het faillissement voorzag, zegt dat de eisers bij toepassing van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), verplicht zijn, om de dividenden die binnen deze rang beschikbaar zijn in handen van tweede verweerder te vereffenen, en zegt voor recht dat de eisers het gerealiseerd actief op de schuldvorderingen van de verweerders moeten toerekenen overeenkomstig de hierboven vastgelegde rangorde, o.m. op volgende overgenomen motieven van de eerste rechter : "- 'Over de bedrijfsvoorheffing na de wet van 22 juli 1993'. De wetswijziging van 22 juli 1993 heeft in feite, behoudens dat de rang van het voorrecht werd gewijzigd, niets fundamenteel gewijzigd. Zowel voor als na de wetswijziging had de fiscus alleen het recht om een aangifte van schudvordering voor de bedrijfsvoorheffing in te dienen met het aan deze schuldvordering verbonden voorrecht (...). Zowel voor als na de wetswijziging is de doorstorting steeds afhankelijk gebleven van de voorwaarde dat de rang van de respectievelijke voorrechten de betaling toestond. Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 23 mei 1996 uitdrukkelijk gesteld dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 1993 waarbij de verplichtingen in hoofde van de curator werden ingevoerd blijkt, dat de wetgever de rangorde van de bestaande voorrechten en de door de wet opgelegde regels voor de verdeling bij samenloop niet heeft willen wijzigen. De stelling van de curatoren die de verplichting welke op de curatoren rust ingevolge artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)aanziet als een louter fiscaalrechtelijke verplichting welke volkomen los zou staan van de wettelijke bepalingen zoals in de Hypotheekwet vervat, ondermeer de regels inzake voorrechten, kan niet worden gevolgd. De curator heeft de wettelijke verplichting tot verdeling van de gerealiseerde opbrengst onder de schuldeisers, na aftrek van de schulden van de boedel, overeenkomstig de beginselen in de Hypotheekwet en rekening houdende met de rang van de voorrechten. Deze opdracht werd zowel bevestigd in artikel 561 (oud) Faill. W. als in artikel 99 (nieuw) Faill. W. Bij naleving van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)door de curator moet deze fiscale verplichting gezien worden in het kader van zijn globale wettelijke opdracht inzake verdeling van de gelden, zoals deze opdracht wettelijk is vastgelegd in de Hypotheekwet en de Faillissementswet. De curator zal derhalve de ingevolge artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)ingehouden bedrijfsvoorheffing vermits het (geen) schuld van de boedel is alleen doorstorten als de rang van het voorrecht verbonden aan de bedrijfsvoorheffing zulks toelaat. - 'Over de afrekening van de schuldvordering door de curator'. De curatoren leggen in de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring een afrekening over waarbij tweemaal bedrijfsvoorheffing van 27,25 pct. in aanmerking wordt genomen. Dergelijke berekening is in strijd met artikel 88 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)en van zijn bijlage III waarbij wordt bepaald dat de bedrijfsvoorheffing wordt berekend op de toegekende bruto-inkomsten. Het Hof van Cassatie verbrak het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 1 maart 1995 waarbij eveneens tweemaal bedrijfsvoorheffing werd verrekend, eenmaal volgens het gemeenrechtelijk tarief en eenmaal volgens het forfaitair tarief (...). De bedrijfsvoorheffing wordt berekend op de werkelijk betaalde of toegekende bruto-inkomsten (...). De door de curatoren voorgestelde berekening is strijdig met de wet. De schuldvordering van (eerste verweerder) dient opgenomen voor het bedrag waarvoor hij over een vorderingsrecht beschikt, zijnde voor het netto-bedrag (...), waarbij slechts éénmaal de bedrijfsvoorheffing van 27,25 pct. in mindering wordt gebracht", alsmede op o.m. volgende eigen motieven : "2. Beoordeling 2.2. Overeenkomstig de vaste cassatierechtspraak is (eerste verweerder) alleen gerechtigd op de opname van het netto-loon (...) in het bevoorrecht passief bij toepassing van de artikelen 19, 3°bis, en 19, 4°, van de Hypotheekwet. ...(Tweede verweerder) geniet voor de belastingen het voorrecht in de rang, waarin artikel 423 van (het) Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bij het openvallen van het faillissement voorzag. - Voor het (hof van beroep) preciseert de wetswijziging van 22/30 juli 1993 met betrekking tot artikel 422 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)dat de Openbare Schatkist voor de invordering van de directe belastingen nu ook voor de invordering van de voorheffingen een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van de belastingschuldige gaf, met uitzondering van schepen en vaartuigen alleen nader dat de voorheffingen, die deel uitmaken van het stelsel van de directe belastingen, ook als directe belastingen te aanzien zijn. Het (hof van beroep) weerhoudt dan ook dat de bedrijfsvoorheffingen bij het openvallen van het faillissement overeenkomstig artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)het voorrecht rang neemt 'onmiddellijk na die vermeld in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet en in artikel 23 van het Wetboek van Koophandel'. - Artikel 422 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)maakt geen onderscheid tussen de bedrijfsvoorheffing en directe belastingen die vóór de faillietverklaring verschuldigd werden met de bedrijfsvoorheffing en directe belastingen die eerst bij het openvallen van het faillissement verschuldigd werden. Het (hof van beroep) onderschrijft dan ook het standpunt van (tweede verweerder) niet, als zou het voorrecht van artikel 423 alleen de bedrijfsvoorheffing betreffen die verband houdt met de bezoldigingen die de werkgever vóór de faillietverklaring uitbetaalde, wat mee haar stelling zou gronden, dat de bedrijfsvoorheffing op de opzegvergoedingen die bij het openvallen van het faillissement verschuldigd werden, een schuld van de boedel zouden zijn. 2.3. Bij de uitvoering van hun opdracht moeten de curatoren rekening houden met de bepalingen van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)en zich bij de uitbetaling van het beschikbaar actief hiernaar schikken. - De bepaling van artikel 270, 6°, werd wel ingevoerd bij wet van 22/30 juli 1993, die op 5 augustus 1993 in werking trad, maar deze bepaling betreft alleen de wijze waarop de curatoren hun taak voor de toekomst moeten uitvoeren en had voor de toekomst onmiddellijke uitwerking. Zij stelt geen voorrecht in en nog veel minder een voorrecht dat in de tijd zou terugwerken tot op datum van de faillietverklaring. - De eerste rechter besliste terecht dat de Faillissementswet de taak vastlegt, die de curatoren moeten nakomen. Zo bepaalt artikel 561 van de wet van 18 april 1851, dat in artikel 99 van de wet van 8 augustus 1997 werd hernomen, dat de curatoren het gerealiseerd actief aan alle schuldeisers naar evenredigheid van hun bevestigde en geverifieerde schuldvorderingen moeten uitdelen. Artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)houdt alleen in, dat de curatoren binnen de uitoefening van deze taak de dividenden die beschikbaar zijn voor de bedrijfsvoorheffing na uitbetaling van de nettoloonvergoeding waarop de werknemer bij toepassing van artikel 19, 3°bis, en 19, 4°, van de Hypotheekwet, gerechtigd is aan de (tweede verweerder) moeten afdragen en niet langer aan de werknemer mogen uitbetalen, zoals in het verleden gebeurde. - Het komt de werknemer en niet (tweede verweerder) toe, om zijn loonaanspraken voor achterstallige lonen, opzeggingsvergoeding, eindejaarspremie en vakantiegeld in het faillissement in te dienen. De rechten van (tweede verweerder) op de bedrijfsvoorheffing zijn volledig ondergeschikt en afhankelijk van deze aangifte en van de aanvaarding ervan door de curatoren. De curatoren hebben als taak het gerealiseerd actief op de aanvaarde schuldvordering van de werknemer toe te rekenen overeenkomstig de rangregeling vastgelegd in de Hypotheekwet en artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). Zij moeten bij de uitbetaling van deze schuldvordering dan ook rekening houden met de verplichting, die artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)inhoudt. De naleving van deze verplichting vereist niet, dat de fiscus zelf een aangifte van schuldvordering zou neerleggen. Ook voor de arbeidsrechtbank bekomt de werknemer de volledige veroordeling van de werkgever voor de hem verschuldigde brutolonen, wat niet inhoudt dat de werknemer in zijn handen betaling kan bekomen van de bedrijfsvoorheffing, die zijn werkgever aan (tweede verweerder) verschuldigd is. De werkgevers, zowel als de curatoren, moeten zich schikken naar artikel 270 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992). - Dit impliceert dat het (hof van beroep) de terugbetaling niet kan bevelen van alle bedrijfsvoorheffingen die de (eisers) aan (tweede verweerder) hebben verricht. Het (hof van beroep) zou alleen de terugbetaling kunnen bevelen van de sommen, die (eisers) met miskenning van de rangregeling onder de schuldeisers hebben uitbetaald. Het (hof van beroep) draagt (eisers) dan ook op, om overeenkomstig de hierna vastgelegde berekeningen eerst de rangregeling onder de schuldeisers uit te werken en het gerealiseerd actief op de schuldvorderingen toe te rekenen. Eerst dan zal blijken of zij teveel hebben uitbetaald aan (tweede verweerder). Het (hof van beroep) houdt hun eis op dit punt aan. 2.
- De eerste rechter stelde terecht vast, dat de afrekening van (eisers) verkeerd is waar zij tweemaal de bedrijfsvoorheffing van 27,25 pct. verrekenen. Voor het overige kan het (hof van beroep) hun verrekening onderschrijven. - De eerste rechter weerhield terecht dat de bedrijfsvoorheffingen alleen kunnen verrekend worden op de brutolooninkomsten, zodat alleen hun eerste verrekening van 27,25 pct. op het belastbare loon (...) kan weerhouden worden. - Eens de bedrijfsvoorheffing bepaald is (...), moeten de (eisers) het gerealiseerd actief toerekenen op de schuldvorderingen van zowel (eerste verweerder), als van (tweede verweerder). Hierbij zullen zij moeten rekening houden met de tussenkomst van het Fonds voor sluiting van ondernemingen. - Waar de schuldvordering van (eerste verweerder) de schuldvordering van de ficus voorafgaat moeten (eisers) met de eerste dividenden de schuldvordering van (eerste verweerder) aanzuiveren. Slechts in het geval dat (eisers) daarna nog over dividenden beschikken voor de schuldvorderingen in rang waarin de bedrijfsvoorheffingen gerangschikt staan en pas dan zullen zij het verder beschikbaar actief kunnen toerekenen op de schuldvordering, die de fiscus (...) heeft. - Vandaar dat (eisers) met de beschikbare middelen eerst het netto-loon moeten aanzuiveren, dat (eerste verweerder) nog verschuldigd is na de tussenkomst van het Fonds voor sluiting van ondernemingen. (...) Dit saldo zullen zij met de beschikbare dividenden eerst aanzuiveren zonder hierop een tweede inhouding voor de bedrijfsbelastingen in mindering te brengen. - Zo het beschikbare actief hen verder toelaat om de bedrijfsvoorheffing (...) aan te zuiveren, zullen zij eerst de bedrijfsvoorheffing die het Fonds voor sluiting van ondernemingen aan de fiscus betaald heeft (...) in mindering moeten brengen, om vast te stellen wat de fiscus nog verschuldigd is. Het saldo zullen zij met de nog beschikbare dividenden verder aanzuiveren". Grieven 1.
- Naar luid van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 22 juli 1993, is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door diegenen die als curators in faillissementen schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 van het Wetboek. Naar luid van artikel 272, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 22 juli 1993, hebben o.a. de curators het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden, die volgens artikel 273, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)verschuldigd is uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 1993 blijkt dat de wetgever de effectieve inning van de bedrijfsvoorheffing heeft willen verzekeren, m.n. door de curators aan dezelfde verplichtingen te onderwerpen als de werkgevers (zie artikel 270, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)), meer bepaald in zoverre zij dividenden op de gerealiseerde activa als achterstallige lonen aan de ex-werknemers van de gefailleerde dienden uit te keren, wat uitdrukkelijk volgt uit de tekst van artikel 270, 6° : "... schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 ..." Naar luid van artikel 88 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), en zijn bijlage III, hoofdstuk II, afdeling III, nr. 21bis, zoals ingevoegd bij koninklijk besluit van 30 juli 1994, wordt in het specifieke geval van voormeld artikel 270, 6°, de bedrijfsvoorheffing "eenvormig zonder vermindering vastgesteld op 27,25 pct.". Partijen betwisten te dezen de toepassing van dit aldus vastgesteld tarief niet (arrest, nr. 1.2.). Uit de samenlezing van deze wetteksten volgt dus dat de curator in een faillissement, enkel in het geval dat hij aan een ex-werknemer en schuldeiser van de gefailleerde een achterstallige bezoldiging betreffende de periode vóór de faillissementsdatum uitkeert uit de dividenden op de gerealiseerde activa- d.i. na toepassing van de wettelijke regels inzake de rangregeling der voorrechten in de zin van de artikel 19 e.v. van de Hypotheekwet op het vermogen van de gefailleerde werkgever verplicht is om aan de fiscus de bedrijfsvoorheffing van 27,25 pct. door te storten. Voormeld artikel 270, 6°, legt aldus aan de curator en geenszins aan de gefailleerde werkgever een autonome fiscale verplichting "sui generis" op die bovendien betrekking heeft op het vermogen van de ex-werknemer, zonder bijgevolg te raken aan de wettelijke regels inzake de rangregeling der voorrechten voor de verdeling van het buitenbezitgestelde vermogen van de gefailleerde werkgever. 1.2. Deze regels kunnen dan ook geen afbreuk doen aan voormelde wettelijke verplichting "sui generis" van de curator. Uit de samenlezing van de artikelen 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet volgt dat "voorrechten" wettige redenen van voorrang zijn bij de verdeling onder schuldeisers van het vermogen van een gemeenschappelijke schuldenaar. Uit artikel 15 van de Hypotheekwet volgt dat het voorrecht van de fiscus en de orde waarin het wordt uitgeoefend, worden geregeld in de fiscale wetgeving. Naar luid van artikel 422 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)zoals van kracht ten tijde van het openvallen van het faillissement (28 oktober 1992), heeft de fiscus voor de invordering van de directe belastingen in hoofdsom en opcentiemen, van de intresten en van de kosten, een algemeen voorrecht op de inkomsten en op de roerende goederen van alle aard van de belastingschuldige, met uitzondering van de schepen en vaartuigen. Naar luid van artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals van kracht ten tijde van het openvallen van het faillissement (28 oktober 1992), nam dit voorrecht rang onmiddellijk na die vermeld in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel. Deze regels zijn evenwel slechts toepasselijk indien de fiscus samen met andere schudeisers schuldvorderingen kunnen laten gelden ten aanzien van een gemeenschappelijke schuldenaar. Te dezen zou deze schuldenaar enkel de gefailleerde werkgever kunnen zijn. Aangezien bedoelde fiscale verplichting "sui generis" van de curators, voortvloeiend uit artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), slechts kan ontstaan indien zij achterstallige bezoldigingen dienen uit te keren, d.w.z. uit de dividenden op de gerealiseerde activa, m.a.w. na toepassing van de wettelijke rangregeling op het vermogen van de schuldenaar (gefailleerde werkgever), behoren deze dividenden, die rechtens toekomen aan de schuldeisers (de ex-werknemers, onder wie eerste verweerder), echter niet langer tot het buitenbezitgestelde vermogen van de gefailleerde werkgever. Bijgevolg kan de uitvoering van deze verplichting uiteraard de wettelijke rangregeling die tot de berekening van voormelde dividenden aanleiding gaf, mede rekening houdend met de rechtspraak van het Hof volgens welke slechts het "nettoloon" bevoorrecht is, niet meer beïnvloeden en kan voormelde uitvoering (doorstorting van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing) evenmin afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat "de rang van de respectieve voorrechten dit toestaat". Hieruit volgt dat door te oordelen dat tweede verweerder voor de bedrijfsvoorheffing uit hoofde van de aangifte van schuldvordering die eerste verweerder voor zijn brutoloon in het faillissement Boelwerf NV deed, het voorrecht geniet "in de rang waarin artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bij het openvallen van het faillissement voorzag", en dat eisers het gerealiseerd actief op de schuldvorderingen van verweerders moeten toerekenen overeenkomstig de hierboven vastgelegde rangorde, past het hof van beroep niet wettig de aangehaalde wettelijke regels van de rangregeling der voorrechten toe op de door eisers aan de fiscus door te storten bedrijfsvoorheffing op de door hen aan eerste verweerder uit te keren bezoldiging uit de gerealiseerde dividenden (schending van de artikelen 7, 8, 9 en 15 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, 422 (oud) en 423 (oud) van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)). De beslissing dat eisers bij toepassing van artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)slechts verplicht zijn, om de dividenden die "binnen deze rang beschikbaar zijn" in handen van tweede verweerder te vereffenen, voegt aan artikel 270, 6°, een voorwaarde toe en is derhalve niet naar recht verantwoord (schending van de aangehaalde artikelen 270, 6°, 272, 1°, 273, 1°, 422 en 423 (oud) van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), en 88 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993, en zijn bijlage III, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 juli 1994). IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 270, 6°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), zoals gewijzigd bij wet van 22 juli 1993, de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door diegenen die als curators in faillissementen, schuldvorderingen hebben te honoreren met de hoedanigheid van bezoldigingen als bedoeld in artikel 30 van het Wetboek ; Dat, krachtens artikel 272 van hetzelfde Wetboek, de curators het recht hebben op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden ; dat, krachtens artikel 273 van dat Wetboek, de bedrijfsvoorheffing verschuldigd is uit hoofde van het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen ; Dat, met toepassing van artikel 88 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992), en van zijn bijlage III, nummers 1 tot 3, de bedrijfsvoorheffing op beroepsinkomsten wordt vastgesteld op grondslag van de werkelijk betaalde of toegekende bruto-inkomsten, verminderd met de verplichte inhoudingen ter uitvoering van de sociale wetgeving ; dat, krachtens de te dezen toepasselijke bepalingen van bijlage III, hoofdstuk II, afdeling 3, voor de schuldvorderingen met de hoedanigheid van bezoldigingen die worden gehonoreerd door curators in faillissementen, de bedrijfsvoorheffing forfaitair wordt vastgesteld ; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 juli 1993 blijkt dat de wetgever de effectieve inning van de bedrijfsvoorheffing heeft willen bevorderen zowel wat betreft schuldvorderingen van werknemers, ontstaan vóór het faillissement van hun werkgever, als wat betreft loon uitbetaald door een curator na het faillissement ; dat het voormeld uitvoeringsbesluit ertoe strekt de taak van de curators te vereenvoudigen door de vaststelling van een eenvormig tarief ; Dat uit diezelfde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de rangorde van de bestaande voorrechten en de door de wet opgelegde regels voor de verdeling bij samenloop niet heeft willen wijzigen ; Overwegende dat, in de regel, het bij artikel 19, 3°bis, van de Hypotheekwet gevestigde voorrecht niet van toepassing is op de sociale zekerheidsbijdragen van de werknemer en de bedrijfsvoorheffing die betrekking hebben op het loon waarop de werknemer recht had ingevolge prestaties geleverd vóór het faillissement ; dat de werknemer immers geen vorderingsrecht heeft om in eigen handen betaling te verkrijgen van de bedragen die op het loon zijn ingehouden om te worden overgemaakt aan het bestuur en aan de betrokken instellingen ; Overwegende dat hieruit volgt dat de curator de schuldvordering van de werknemer voor vorderingen ontstaan vóór het faillissement moet berekenen op grond van het brutoloon, verminderd met de sociale zekerheidsbijdrage van de werknemer en met de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing ; Dat de curator de forfaitaire bedrijfsvoorheffing vaststelt op grondslag van de bruto-inkomsten verminderd met de verplichte sociale inhoudingen ; Dat de curator de ingehouden bedrijfsvoorheffing doorstort aan het bestuur, als de rang van de respectieve voorrechten dit toelaat ; Dat de rang van het voorrecht inzake bedrijfsvoorheffing is bepaald in het te dezen toepasselijk artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992); Overwegende dat, de appèlrechters beslissen dat de tweede verweerder voor de bedrijfsvoorheffing het voorrecht geniet in de rang waarin artikel 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
(1992)bij het openvallen van het faillissement voorzag en dat de eisers bij toepassing van artikel 270, 6°, van hetzelfde Wetboek verplicht zijn om de dividenden die binnen deze rang beschikbaar zijn, in handen van de tweede verweerder te vereffenen ; dat zij eveneens oordelen dat de eisers het gerealiseerd actief op de schuldvorderingen van de verweerders moeten toerekenen overeenkomstig de rangorde waarin voormeld artikel 423 voorziet ; Dat het arrest aldus naar recht is verantwoord ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfhonderd eenenvijftig euro twaalf cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd en elf euro vierenveertig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050121.32 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200917.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div