id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050124.3 Rolnummer: C.04.0223.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2006-02-01 Raadplegingen: 633 - laatst gezien 2026-07-04 20:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De regel volgens dewelke de nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten, houdt in dat de nieuwe wet in de regel van toepassing is op rechtsfeiten die de nieuwe wet bepalend acht voor de rechtsverhouding en die zich hebben voorgedaan vanaf haar inwerkingtreding
(1).
(1)Zie Cass., 14 feb. 2002, AR C.00.0350.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.6, A.C., 2002, nr 108; Cass., 28 feb. 2003, AR C.00.0603.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5, A.C., 2003, nr 141. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Werking in de tijd Nieuwe wet Wettelijke bepalingen: Wet - 10-08-1987 - Art.2 Fiche 2 Alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan de patiënt in het ziekenhuis en die niet zijn opgenomen in de limitatieve opsomming van artikel 95 van de Ziekenhuiswet, zijn begrepen in de verpleegdagprijs, die de enige is die, niettegenstaande elk strijdig beding, mag worden aangerekend. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Verblijf in ziekenhuis Verzorging patiënt Kosten Aanrekening aan patiënt Verpleegdagprijs Wettelijke bepalingen: Wet - 07-08-1987 - Artt.87,eerste Fiche 3 De kosten van endoscopisch materiaal komen niet voor en zijn niet onder te brengen onder de prestaties opgesomd in artikel 95 van de Ziekenhuiswet zodat zij niet boven de verpleegdagprijs mogen worden aangerekend
(1).
(1)Art. 209 Programmawet I van 24 dec. 2002 heeft aan art. 95 Ziekenhuiswet een 4° toegevoegd, dat bepaalt dat niet begrepen zijn in het budget : de kosten verbonden aan het endoscopisch materiaal en het materiaal voor viscerosynthese, wanneer deze hetzij het voorwerp uitmaken van een tegemoetkoming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering, hetzij voorkomen op een door de minister van Sociale Zaken vast te stellen lijst, nadat er een voorstel tot opname in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen werd geformuleerd conform artikel 35, ,§ 2, van de Wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Deze nieuwe bepaling was echter niet van toepassing op deze zaak, aangezien zij pas in werking is getreden op 1 april 2003, dit is na de hospitalisatie waaruit de betwiste aanrekening van de medische kosten voortvloeide. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Verblijf in ziekenhuis Verzorging patiënt Endoscopisch materiaal Aanrekening aan patiënt Wettelijke bepalingen: Wet - 07-08-1987 - Artt.87,eerste Tekst van de beslissing Nr. C.04.0223.N.- B.J. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN, instelling met rechtspersoon-lijkheid, met zetel te 3000 Leuven, Oude Markt 13, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 14 oktober 2003 in laatste aanleg gewezen door de Vrederechter van het derde kanton te Leuven. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 28 december 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
- Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 87, eerste lid,( in de versie van toepassing vóór de vervanging daarvan door artikel 81 van de wet van 14 januari 2001 (lees : 2002)), 89, (zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door artikel 83 van de wet van 14 januari 2002), 94, (in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 88 van de wet van 14 januari 2002), en 95, (in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 89 van de wet van 14 januari 2002 en door artikel 209 van de Programmawet 1 van 24 december 2002), van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de Wet op de ziekenhuizen ; - de artikelen 83, 88, 89 en 127 van de Wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg ; - de artikelen 209 en 210 van de Programmawet 1 van 24 december 2002 ; - de artikelen 1a en 12, (in de versie van toepassing na de wijziging ervan door artikel 2 van het ministerieel besluit van 12 januari 2001), van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene onderdelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van de verpleegdagprijzen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten, (zoals van toepassing vóór de opheffing van dat ministerieel besluit door artikel 102 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en vereffening van het budget van de financiële middelen van de ziekenhuizen) ; - de artikelen 13, (in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 oktober 2002), 103, ,§ 1, en 104 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen ; - artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
- Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart de vrederechter de vordering van verweerster ontvankelijk en gegrond en veroordeelt zij eiser(e)s tot betaling van 158,65 euro te vermeerderen met de verwijlinteresten, de gerechtelijke interesten en de kosten van het geding, op grond van de volgende motieven : "III. Beoordeling Partijen zijn het erover eens dat "shaverblades" een soort verbruiksmateriaal is dat éénmalig bij een arthroscopie wordt gebruikt. Het gaat om een recente techniek die niet gekend was op het ogenblik van het vaststellen van de forfaitaire ligdagprijs. De vraag die zich stelt is te weten of de kosten van de "shaverblades" al dan niet inbegrepen zijn in de forfaitaire verpleegdagprijs die het ziekenhuis ontvangt van de ziekteverzekering en of deze kosten bijgevolg al dan niet afzonderlijk mogen aangerekend worden aan de patiënt. De "shaverblades" zijn niet voorzien in de artikelen 28 of 35 van de nomenclatuur (de materialen opgenomen in de nomenclatuur worden terugbetaald door de ziekteverzekering naast het forfait). Voor de beslechting van dit geschil zijn de artikelen 94 en 95 van de ziekenhuiswet cruciaal. Tot 14 januari 2002 luidde artikel 94 als volgt : 'Onverminderd artikel 90, dekt het budget de financiële middelen op forfaitaire wijze de kosten die verband houden met het verblijf in een gemeenschappelijke kamer en de verstrekking van de zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis, met inbegrip van de patiënten in daghospitalisatie zoals omschreven door de Koning. Door de programmawet van 14 januari 2002 werd een tweede lid toegevoegd dat als volgt luidt : 'De Koning omschrijft de in het eerste lid bedoelde kosten.' Artikel 95 luidt als volgt : 'Zijn niet begrepen in het budget van financiële middelen van het ziekenhuis : 1° de prijs van de farmaceutische specialiteiten en van de generische geneesmiddelen, 2° het honorarium van de geneesheren (...), 3° de vergoeding voor de verstrekkingen door apothekers (...), 4° de kosten verbonden aan het endoscopisch materiaal (...) wanneer deze hetzij het voorwerp zijn van een tegemoetkoming door de ziekte en invaliditeitsverzekering hetzij voorkomen op een door de minister van Sociale Zaken, vast te stellen lijst, nadat er een voorstel tot opname in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen werd geformuleerd conform artikel 35, ,§2, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.' Er waren tot 14 januari 2002 twee strekkingen in rechtsleer en rechtspraak in verband met de verpleegdagprijs (zie noot T.J., stuk 6 (eiseres)) - de ene strekking die omschreven wordt als de economische strekking, die stelt dat bij de bepaling van de verpleegdagprijs (M. B. van 2 augustus 1986, dat bepaalt hoe de verpleegdagprijs werd berekend) geen rekening gehouden kan geweest zijn met de nieuwe materialen die toen nog niet gekend waren zodat zij ook niet inbegrepen kunnen zijn in de verpleegdagprijs, - de andere strekking die omschreven wordt als de juridische strekking en die verwijst naar de tekst van artikel 94 die bepaalde dat alle kosten die verband houden met het verblijf en de verzorging in een ziekenhuis op forfaitaire wijze gedekt zijn door de verpleegdagprijs, buiten de limitatieve opsomming van artikel 95 ; zodat wat niet opgenomen is in deze limitatieve lijst geacht wordt gedekt te zijn door het forfait. Het ministerieel besluit van 6 februari 2001, dat het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 wijzigde, sloot het endoscopisch materiaal en het materiaal voor viscerosynthese uitdrukkelijk uit het budget B2 van de ligdagprijs, waardoor reeds werd afgeweken van het zogezegde forfait, zonder artikel 94 te wijzigen. Artikel 12 van dit ministerieel besluit bepaalde immers dat door het onderdeel B2 forfaitair werden gedekt de medische verbruiksgoederen, verplegingsartikelen en klein instrumentarium, terwijl door de wijziging van 6 februari 2001 hiervan werd afgeweken door het endoscopisch en viscerosynthesemateriaal hieruit te sluiten. Het Christelijk Ziekenfonds erkende, in haar nota aan de ziekenfonds-secretarissen van 28 februari 2001 (stuk 11 (eiseres)), dat, haar standpunt, dat steunt op de letter van de wet, mogelijk moeilijker afdwingbaar zou zijn gezien deze wijziging van het ministerieel besluit waardoor het debat opnieuw heropend wordt, maar handhaafde haar stelling dat alles wat niet in de limitatieve lijst van artikel 95 werd opgenomen, geacht werd gedekt te zijn door de verpleegdagprijs. Zij stelt immers dat het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 enkel bepaalde hoe de verpleegdagprijs werd berekend, zonder te omschrijven wat door de forfaitaire verpleegdagprijs is gedekt. Sedert 14 januari 2002 is artikel 94 van de Ziekenhuiswet echter wel gewijzigd in die zin dat de Koning de mogelijkheid krijgt te omschrijven welke kosten door de forfaitaire verpleegdagprijs gedekt zijn door de toevoeging van het tweede lid 'De Koning omschrijft de in het eerste lid bedoelde kosten.' Deze omschrijving is, mede door de evolutie van de toegepaste technieken, noodzakelijk geworden, zoals immers ook is gebleken in de praktijk. De verwarring zorgde voor een gebrek aan transparantie voor de patiënten en een onderfinanciering van de ziekenhuissector bij het behouden van het respect van de forfaitaire verpleegdagprijs, zoals erkend in de nota van de mutualiteit (stuk 13, neergelegd door (eiseres)). Anderzijds sloten bepaalde mutualiteiten kennelijk AVR-contracten af voor een bijkomende financiering van dit materiaal, zoals dan weer blijkt uit stuk 11 van (eiseres). In ieder geval kan de juridische stelling, aangehouden bij de vroegere tekst van artikel 94 van de Ziekenhuiswet, niet meer onderschreven worden na 6 februari 2001 en nog minder na 14 januari 2002, datum waarop de Koning van de wetgever de mogelijkheid krijgt om te omschrijven wat valt onder de forfaitaire verpleegdagprijs, wat impliceert dat hieronder niet alles valt zoals weerhouden door de mutualiteit. De Koning had dit kennelijk nog niet gedaan op het tijdstip van de operatie en facturatie van (eiseres). Het koninklijk besluit betreffende de vaststelling en vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen van 25 april 2002 werd gepubliceerd op 30 mei 2002 en bepaalt in artikel 13, 4°, : 'De bestanddelen waarvan de kostprijs door onderdeel B2 van het budget wordt gedekt zijn : 4°, de medische verbruiksgoederen, de producten voor de zorgverlening en het klein instrumentarium met uitzondering van het endoscopisch materiaal en het materiaal voor viscerosynthese, wanneer dit het voorwerp is van een tegemoetkoming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering of wanneer dit voorkomt op een door de minister die de vaststelling van het budget van financiële middelen onder zijn bevoegdheid heeft, vast te stellen lijst ;" Met andere woorden het koninklijk besluit sluit opnieuw het endoscopisch materiaal (waarvan "shaverblades" een onderdeel zijn) uit voor zover dit voorwerp is van een tegemoetkoming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering of op een lijst. Voor de betwiste 'shaverblades' is dit (nog) niet het geval en de lijst (voorkomend in het koninklijk besluit van 25 april 2002) werd zelfs opnieuw afgeschaft door het koninklijk besluit van 22 oktober 2002 (artikel 1). De vraag stelt zich wie de "shaverblades" dan moet betalen. De vrederechter volgt de economische strekking, daar het vast staat dat ten tijde van het vaststellen van de verpleegdagprijs nog geen rekening kon gehouden geweest zijn met de nieuwe technieken en materialen, wat ook aangetoond wordt door de afwijkingen die inmiddels worden aanvaard en in de wet opgenomen in verband met onder andere het endoscopisch materiaal. De bedoeling was het forfaitiseren van de courante zorgen die verband houden met het verblijf en het verstrekken van de zorgen aan de patiënten; er kan niet (meer) gesteld worden dat alle medisch verbruiksmateriaal aangewend in het kader van een speciale operatie voor een patiënt individueel daaronder valt. Gezien 'shaverblades' niet door de verpleegdagprijs gedekt zijn, om de redenen hierboven vermeld, en (nog?) niet het voorwerp zijn van een tegemoetkoming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering (om budgettaire redenen, of om redenen van de duur die een dergelijke opname in de tegemoetkomingen in beslag neemt) is er geen grond om te stellen dat het ziekenhuis deze kosten zelf op zich zou moeten nemen. Een ziekenhuis is een instelling die moet pogen de patiënt de beste zorgen te verstrekken rekening houdend met de technische evolutie en het comfort van de patiënt. In deze zaak wordt door de patiënt niet gesteld dat de 'shaverblades' niet nodig of nuttig waren, noch wordt het principe van het gebruik van deze techniek betwist. Indien deze zorgen kosten inhouden die noch door de ziekteverzekering, noch door de verpleegdagprijs gedekt zijn dient de patiënt, die de begunstigde is van deze zorg en dit medisch verbruiksmateriaal, deze kosten te betalen. De 'shaverblades' werden aldus terecht aangerekend aan de patiënt." (2de blad, laatste alinea, tot 5de blad, voorlaatste alinea, van het bestreden vonnis). Grieven 1 . Overeenkomstig artikel 89 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de Wet op de ziekenhuizen, hieronder afgekort als Ziekenhuiswet, zoals van toepassing vóór de opheffing van dat artikel door artikel 83 van de Wet van 14 januari 2002, is de prijs per verpleegdag die niettegenstaande elk beding mag worden aangerekend, de prijs die overeenkomstig de bepalingen van de Ziekenhuiswet wordt vastgesteld door de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft. Krachtens artikel 87, eerste lid, van de Ziekenhuiswet, in de versie die van toepassing is in deze zaak, stelt de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, de prijs per verpleegdag vast voor ieder ziekenhuis, op basis van een budget van financiële middelen en van een quotum van verpleegdagen. Overeenkomstig artikel 94 van de Ziekenhuiswet, in de versie die van toepassing is in deze zaak, dekt het budget van het ziekenhuis op forfaitaire wijze alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis. Artikel 95 van de Ziekenhuiswet somt op limitatieve wijze de kosten op die niet in het budget van het ziekenhuis zijn begrepen. Uit die bepalingen volgt dat alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan patiënten in het ziekenhuis en die niet worden opgesomd in artikel 95 van de Ziekenhuiswet, in de verpleegdagprijs zijn begrepen, die de enige is die, niettegenstaande elk strijdig beding, mag worden aangerekend. De kosten van endoscopisch materiaal komen niet voor en zijn niet onder te brengen onder de prestaties opgesomd in artikel 95 van de Ziekenhuiswet, in de versie vóór de wijziging van dat artikel bij artikel 209 van de Programmawet 1 van 24 december 2002, zodat zij niet boven de verpleegdagprijs aan de patiënt mogen worden aangerekend.
- Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis en de dagvaarding van 6 december 2002 blijkt dat verweerster de betaling vorderde van een bedrag voor "shaverblades", die volgens de vaststellingen van het bestreden vonnis een onderdeel zijn van endoscopisch materiaal (5de bladzijde, eerste alinea, van het vonnis), die bij de behandeling van eisers in het ziekenhuis van verweerster werden gebruikt. De vrederechter verklaart die vordering ontvankelijk en gegrond op grond van de hierboven geciteerde overwegingen die, samengevat, in hoofdzaak verwijzen naar : -
(1)de toevoeging in artikel 94 van de Ziekenhuiswet van een tweede lid, door de Wet van 14 januari 2002 (3de bladzijde, derde en vierde volledige alinea, en 4de bladzijde, derde en vierde alinea, van het vonnis), -
(2)de door het vonnis geciteerde versie van artikel 95 van de Ziekenhuiswet, meer bepaald het vierde lid van dat artikel, -
(3)de wijziging van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986, meer bepaald artikel 12 daarvan, door een ministerieel besluit van 6 februari 2001 (3de bladzijde, laatste alinea, en 4de bladzijde, eerste, tweede en vierde alinea, van het vonnis), -
(4)het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, meer bepaald artikel 13, 4°, daarvan (4de bladzijde, laatste alinea, en vijfde bladzijde, eerste alinea, van het vonnis), -
(5)de "economische strekking" volgens welke ten tijde van het vaststellen van de verpleegdagprijs nog geen rekening kan gehouden geweest zijn met de nieuwe technieken en materialen en de overwegingen dat het de bedoeling was de courante zorgen te "forfaitiseren" die verband houden met het verblijf en het verstrekken van de zorgen aan de patiënten en dat niet meer kan gesteld worden dat alle medisch verbruiksmateriaal aangewend in het kader van een speciale operatie voor een patiënt individueel daaronder valt (5de bladzijde, derde alinea, van het vonnis). 2.
- De wijziging, door artikel 88 van de Wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, van artikel 94 van de Ziekenhuiswet is, krachtens artikel 127 van de eerstgenoemde wet en artikel 103, ,§ 1, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, in werking getreden op 1 juli
- De invoeging in artikel 95 van de Ziekenhuiswet van een vierde lid, door artikel 209 van de Programmawet 1 van 24 december 2002, is, krachtens artikel 210 van die laatste wet, in werking getreden op 1 april
- Die wijzigingen hebben dan ook geen weerslag op deze zaak, die, blijkens de vaststellingen van de vrederechter, betrekking heeft op een verblijf van eiseres in het ziekenhuis van verweerster van 28 maart 2002 tot en met 31 maart 2002 (2de bladzijde, eerste alinea, van het vonnis). Krachtens zijn artikel 104 is het voornoemde koninklijk besluit van 25 april 2002 in werking getreden op 1 juli 2002, zodat het evenmin enige weerslag kan hebben op deze zaak. In de mate dat de vrederechter zijn beslissing dat de "shaverblades" terecht werden aangerekend aan de patiënt, steunt op wettelijke bepalingen die nog niet in werking waren getreden op het ogenblik van het verblijf van eiseres in het ziekenhuis van verweerster, schendt hij de in de aanhef van het middel aangegeven bepalingen, met uitzondering van de artikelen 1a en 12 van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene onderdelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van de verpleegdagprijzen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten en artikel 159 van de Grondwet. 2.
- De motieven dat ten tijde van het vaststellen van de verpleegdagprijs nog geen rekening kon gehouden geweest zijn met de nieuwe technieken en materialen en het de bedoeling was de courante zorgen te "forfaitiseren" die verband houden met het verblijf en het verstrekken van de zorgen aan de patiënten en dat niet meer kan gesteld worden dat alle medisch verbruiksmateriaal aangewend in het kader van een speciale operatie voor een patiënt individueel daaronder valt, zijn in strijd met de artikelen 87, 89, 94 en 95 van de Ziekenhuiswet, in hun respectieve versies die van toepassing zijn in deze zaak, en wettigen evenmin als enig ander motief de beslissing van de vrederechter dat de "shaverblades" terecht werden aangerekend aan eiseres (schending van de artikelen 87, eerste lid, in de versie van toepassing vóór de vervanging daarvan door artikel 81 van de wet van 14 januari 2001 (lees : 2002), 89, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door artikel 83 van de wet van 14 januari 2002, 94, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 88 van de wet van 14 januari 2002, en 95, in de versie van toepassing vóór de wijziging ervan door artikel 89 van de wet van 14 januari 2002 en artikel 209 van de Programmawet 1 van 24 december 2002, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de Wet op de ziekenhuizen). 2.
- Artikel 12, 4°, van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 houdende bepaling van de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van de verpleegdagprijs, van het budget en de onderscheidene bestanddelen ervan, alsmede van de regelen voor de vergelijking van de kosten en voor de vaststelling van het quotum van verpleegdagen voor de ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten, in de versie van toepassing na de wijziging ervan door artikel 2 van het ministerieel besluit van 12 januari 2001 en vóór de opheffing van dat ministerieel besluit door artikel 102 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, bepaalt : "Onderdeel B2 van het budget heeft betrekking op de klinische diensten. De bestanddelen waarvan de kostprijs door onderdeel B2 van het budget wordt gedekt zijn: 4° de medische verbruiksgoederen, de verplegingsartikelen en het klein instrumentarium, met uitzondering van het endoscopisch materiaal en het materiaal voor viscerosynthese;" Luidens zijn artikel 1a bepaalt het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 "de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van het budget van financiële middelen dat aan het ziekenhuis wordt toegewezen en van de onderscheiden bestanddelen ervan". Artikel 12 van het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 maakt deel uit van een hoofdstuk dat het opschrift draagt "Vaststelling van het budget en van zijn onderscheidene delen" (hoofdstuk IV). Uit die bepaling en dat opschrift blijkt dat het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 niet bepaalt wat wordt gedekt door het budget of de forfaitaire verpleegdagprijs, maar hoe het budget wordt samengesteld. Met "gedekt" in artikel 12, wordt dus iets anders bedoeld dan met "dekt" in artikel 94 van de Ziekenhuiswet. Wat door de forfaitaire verpleegdagprijs wordt gedekt, wordt bepaald door de artikelen 87, 89, 94, eerste lid, en 95 van de Ziekenhuiswet. Overigens, indien wordt aangenomen dat het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 en artikel 95 van de Ziekenhuiswet beide wel regelen wat wordt vergoed door de verpleegdagprijs, kan het ministerieel besluit krachtens artikel 159 van de Grondwet niet worden toegepast in de mate dat het strijdig is met artikel 95 van de Ziekenhuiswet, in de versie die in deze zaak van toepassing is, dat op limitatieve wijze de kosten opsomt die niet in het budget van het ziekenhuis zijn begrepen en waarin de kosten van endoscopisch materiaal niet voorkomen noch onder te brengen zijn. In de mate dat de vrederechter zijn beslissing dat de "shaverblades" terecht werden aangerekend aan de patiënt, steunt op het ministerieel besluit van 2 augustus 1986 en meer bepaald artikel 12 daarvan, schendt hij dus de in de aanhef van het middel opgegeven wettelijke bepalingen, met uitzondering van de artikelen 83, 88 en 127 van de wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, de artikelen 209 en 210 van de Programmawet 1 van 24 december 2002 en de artikelen 13, 103, ,§ 1, en 104 van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen). De vrederechter beslist niet wettig dat "shaverblades" niet door de verpleegdagprijs gedekt zijn en veroordeelt op die grond eiseres niet wettig tot betaling van 158,65 euro, te vermeerderen met de verwijlinterest en de gerechtelijke interest en tot de kosten van het geding (schending van alle in de aanhef van het middel vermelde bepalingen).
- Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari
- Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart de vrederechter, recht sprekend over de hoofdvordering van verweerster, de vordering van verweerster tot het verkrijgen van 12,39 euro administratiekosten gegrond op grond van de volgende motieven: "Ondergeschikt betwist (eiseres) de kosten die worden gevorderd voor een bedrag van 12,39 euro ten titel van administratiekosten. Op 2 juli 2002 stuurde (verweerster) een aanmaning waarna op 8.07.2002 de betaling volgde van het niet betwist gedeelte van de factuur, 33,55 euro, 'min aanrekening shaverblades'. (stuk 3 (eiseres)) Alvorens tot dagvaarding over te gaan liet (verweerster) alsnog een aangetekende aanmaning versturen door haar gerechtsdeurwaarder op 18 september 2002, waarop geen enkele reactie volgde, zodat de dagvaarding onvermijdelijk werd. De vordering van 12,39 euro administratiekosten is gegrond gezien de eisende partij door de wanbetaling van (eiseres) een herinneringsbrief en een aangetekende aanmaning diende te versturen aan (eiseres)." (5de bladzijde, onderaan, 6de bladzijde, eerste twee alinea's van het vonnis) Grieven In een regelmatig ter griffie van de vrederechter neergelegde conclusie voerde eiseres aan dat "de betaling van 12,39 euro ten titel van administratieve inningskosten en kosten van aangetekende ingebrekestelling" haar niet kunnen aangerekend worden "bij gebreke aan enige rechtsgrond daartoe" (blz. 9, onderaan, en blz. 10, bovenaan, van de conclusie neergelegd op 30 januari 2003). De vrederechter antwoordt niet op dat middel, maar beperkt zich tot de vaststelling dat een herinneringsbrief en een aangetekende aanmaning werd verstuurd. De vrederechter verklaart niet wettig de vordering van verweerster van 12,39 euro administratiekosten gegrond en veroordeelt eiseres aldus niet wettig tot betaling van 158,65 euro, te vermeerderen met de verwijlinterest en de gerechtelijke interest en tot de kosten van het geding (schending van artikel 149 van de Grondwet). IV. Beslissing van het Hof l. Eerste middel Overwegende dat, krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de nietterugwerking van de wet, dat vervat is in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, de nieuwe wet in de regel niet alleen van toepassing is op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder de gelding van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten ; Dat deze regel inhoudt dat de nieuwe wet in de regel van toepassing is op rechtsfeiten die de nieuwe wet bepalend acht voor de rechtsverhouding en die zich hebben voorgedaan vanaf haar inwerkingtreding ; Dat de wijzigingen van de artikelen 87 tot en met 95 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen, hierna genoemd Ziekenhuiswet, bij de artikelen 81 tot en met 89 van de wet van 14 januari 2002, krachtens artikel 127 van die wet en artikel 103 van het koninklijk besluit van 25 april 2002, in werking zijn getreden op 1 juli 2002 ; Dat de wijziging van artikel 95 van de Ziekenhuiswet bij artikel 109 van de Programmawet 1 van 24 december 2002, krachtens artikel 210 van die wet, in werking is getreden op 1 april 2003 ; Overwegende dat uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat verweerster de betaling vorderde van een bedrag voor "shaverblades", die bij de behandeling van eiseres tijdens haar verblijf in het ziekenhuis van verweerster van 28 maart tot en met 31 maart 2002 werden gebruikt, en die volgens de vaststellingen van het vonnis een onderdeel zijn van endoscopisch materiaal ; Dat de voornoemde wijzigingen van de artikelen 87 tot en met 95 van de Ziekenhuiswet pas in werking zijn getreden na de hospitalisatie van eiseres, waaruit de betwiste aanrekening van medische kosten voortvloeit ; Dat derhalve deze gewijzigde bepalingen van de Ziekenhuiswet niet van toepassing zijn in deze zaak ; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 89 van de Ziekenhuiswet, voor de opheffing van dit artikel bij artikel 83 van de wet van 14 januari 2002, de prijs per verpleegdag, die niettegenstaande elk strijdig beding mag worden aangerekend, de prijs is die overeenkomstig de bepalingen van de Ziekenhuiswet wordt vastgesteld door de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft ; Dat, krachtens artikel 87, eerste lid, van de Ziekenhuiswet, zoals te dezen van toepassing, de minister die de volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, de prijs per verpleegdag vaststelt voor ieder ziekenhuis op basis van een budget van financiële middelen en van een quotum van verpleegdagen ; Overwegende dat, overeenkomstig artikel 94 van de Ziekenhuiswet, zoals te dezen van toepassing, het budget van het ziekenhuis op forfaitaire wijze alle kosten dekt die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis ; Dat artikel 95 van de Ziekenhuiswet, zoals te dezen van toepassing, op limitatieve wijze de kosten opsomt die niet in het budget van het ziekenhuis begrepen zijn ; Dat uit deze bepalingen volgt dat alle kosten die verband houden met het verblijf in een kamer met meer dan twee bedden en het verstrekken van zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis en die niet worden opgesomd in voormeld artikel 95 van de Ziekenhuiswet, in de verpleegdagprijs zijn begrepen, die de enige is die, niettegenstaande elk strijdig beding, mag worden aangerekend ; Dat de kosten van endoscopisch materiaal niet voorkomen, noch onder te brengen zijn onder de prestaties opgesomd in artikel 95 van de Ziekenhuiswet, voor de wijziging van dit artikel bij artikel 209 van de Programmawet 1 van 24 december 2002, zodat zij niet boven de verpleegdagprijs mogen worden aangerekend ; Overwegende dat de vrederechter verweersters vordering ontvankelijk en gegrond verklaart op grond dat :
- "de vrederechter de economische strekking (volgt) daar het vast staat dat ten tijde van het vaststellen van de verpleegdagprijs nog geen rekening kon gehouden geweest zijn met de nieuwe technieken en materialen, wat aangetoond wordt door de afwijkingen die inmiddels worden aanvaard en in de wet opgenomen in verband met onder andere het endoscopisch materiaal" ;
- "gezien 'shaverblades' niet door de verpleegdagprijs gedekt zijn, om de redenen hierboven vermeld, en (nog?) niet het voorwerp zijn van een tegemoetkoming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering (...) er geen grond (is) om te stellen dat het ziekenhuis deze kosten zelf op zich zou moeten nemen" ;
- "in deze zaak door de patiënt niet (wordt) gesteld dat de 'shaverblades' niet nodig of nuttig waren, noch (...) het principe van het gebruik van deze techniek (wordt) betwist" ; Dat de vrederechter op grond van deze redenen, eiseres niet naar recht veroordeelt tot betaling van de kosten van het genoemde materiaal ; Dat het middel gegrond is ;
- Tweede middel Overwegende dat eiseres in haar conclusie het verweer heeft gevoerd dat in het middel is weergegeven ; Dat het vonnis dit verweer niet beantwoordt ; Dat het middel gegrond is; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar de Vrederechter van het eerste kanton te Leuven. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vierentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050124.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120309.6 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120426.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130503.1 ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20170327.2 ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220523.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020214.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030228.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080915.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div