id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050124.4 Rolnummer: C.03.0360.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-02-01 Raadplegingen: 613 - laatst gezien 2026-07-04 22:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De bepalingen van de Ziekenhuiswetgeving zijn dwingend ter bescherming van de ziekenhuisgeneesheer, in zoverre zij de adviesbevoegdheid van de medische raad regelen met betrekking tot de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Ziekenhuisgeneesheer Afzetting Medische Raad Adviesbevoegdheid Dwingend recht Wettelijke bepalingen: Wet - 07-08-1987 - Artt.125,126, Fiche 2 De algemene regeling betreffende de rechtsverhouding tussen het ziekenhuis en de geneesheren mag met betrekking tot de procedure tot afzetting van een ziekenhuisgeneesheer niet ten nadele van de ziekenhuisgeneesheer afwijken van de waarborgen bepaald in de artikelen 125 tot en met 128 van de Ziekenhuiswet, maar mag wel bijkomende waarborgen ten gunste van de ziekenhuisgeneesheer vaststellen. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Ziekenhuisgeneesheer Afzetting Algemene regeling Procedure Waarborgen Wettelijke bepalingen: Wet - 07-08-1987 - Art.130 Fiche 3 De medische raad kan slechts een gunstig advies geven met een volstrekte meerderheid van de aanwezige leden; een lid dat zich bij de stemming onthoudt, is niettemin een aanwezig lid en moet als dusdanig in aanmerking worden genomen voor het bepalen van het aantal aanwezigen en van de volstrekte meerderheid van de aanwezige leden. Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Vrije woorden: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Ziekenhuis Medische Raad Advies Stemming Vereiste meerderheid Onthouding Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 10-08-1987 - Art.29,derdel Tekst van de beslissing Nr. C.03.0360.N.-
- D.C.
- ANESTHESIE DR. DECONINCK, burgerlijke vennootschap onder de vorm van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met vennootschapszetel gevestigd te 3600 Genk, Bretheistraat 148, eiseressen, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- ZIEKENHUIS OOST-LIMBURG, autonome verzoringsinstelling, fusievereniging van ziekenhuizen, waarvan de zetel gevestigd is te 3600 Genk, Schiepse Bos 6, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- V.H.
- M.H.
- L.F.
- O.L.
- P.Y.
- P.C.
- V.M.
- L.P. verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 3080 Tervuren, Jezus Eiklaan 154, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- B.L.
- C.M.
- C.B.
- D.J.
- D.R.
- H.R.
- G.G.
- M.L.
- S.J.
- V.J.
- V.M.
- V.L.
- V.K.
- V.G. verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 11 maart 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 16 november 2004 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen De eiseresen voert in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1134, 1135, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 122, ,§3, 125, eerste lid, 7°, 126, ,§1, 130, ,§1 en ,§3, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 ; - artikel 29 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de medische raad in uitvoering van de artikelen 24, 25 en 26 van de Wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen. Aangevochten beslissing Het hof van beroep verklaart het hoger beroep van eiseressen ongegrond en zegt voor recht dat de afzetting van eerste eiseres en de verbreking van de samenwerkingsovereenkomst met tweede eiseres zowel formeel als inhoudelijk rechtmatig zijn gebeurd en verklaart de vorderingen van eiseressen ongegrond ; Het hof van beroep beslist aldus op volgende gronden : "Overwegende dat de afzetting een bijzondere wijze van beëindiging van de overeenkomst tussen het ziekenhuis en de ziekenhuisgeneesheer is, die wordt geregeld in artikel 1.3.5.1 en 1.3.5.2 van de algemene regeling ; Dat de samenwerkingsovereenkomst met de geneesheer kan verbroken worden wegens 11 limitatief opgesomde redenen ; Dat in geval van wanprestatie die aanleiding kan geven tot afzetting van de ziekenhuisgeneesheer, dit wordt vastgesteld in een aangetekende brief aan de ziekenhuisgeneesheer en eventueel aan de vennootschap ; Dat de ziekenhuisgeneesheer uitgenodigd wordt om zijn standpunt mee te delen en, ingeval van betwisting, moet deze betwisting meegedeeld worden aan de beheerder, bij aangetekende brief binnen de 7 dagen na ontvangst van de aangetekende brief van de beheerder zelf ; Dat ingeval van betwisting en voor zover regelmatig aangebracht, de beheerder de geneesheer uitnodigt om gehoord te worden, waarbij de geneesheer zich mag laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze ; Dat de uitnodiging om gehoord te worden dient te gebeuren bij aangetekende brief en tussen de uitnodiging en de bijeenkomst minstens 8 werkdagen moeten liggen, waarbij de ziekenhuisgeneesheer recht heeft op inzage van zijn dossier ; Dat indien de beheerder beslist om de samenwerkingsovereenkomst te beëindigen hij de Medische Raad moet verzoeken om een advies uit te brengen conform artikel 125 van de Ziekenhuiswet ; dat de beheerder de Medische Raad uiterlijk binnen zes maanden na de verzending van de aangetekende brief aan de ziekenhuisgeneesheer dit advies dient te vragen, op straffe van het recht te verliezen, omwille van de vastgestelde wanprestaties, de samenwerkings-overeenkomst te verbreken ; Dat na ontvangst van een gunstig advies van de Medische Raad de beheerder de betrokken geneesheer zijn beslissing meedeelt binnen de maand na ontvangst van dit advies en dit bij aangetekend schrijven met vermelding van de datum waarop de overeenkomst wordt verbroken (in principe de datum van het verzenden van de aangetekende brief), de redenen die aanleiding geven tot de afzetting en dus tot de verbreking van de samenwerkingsovereenkomst en het gunstig advies van de Medische Raad ; Overwegende dat de procedure van afzetting ook wordt geregeld in de Ziekenhuiswet ; Dat artikel 125 stelt dat in het kader van het in artikel 124 bepaalde doel de Medische Raad advies verstrekt aan de beheerder over de volgende aangelegenheden : 7°, de afzetting van ziekenhuisgeneesheren, behalve de afzetting om dringende reden ; Dat volgens artikel 126, ,§ 1, de beheerder in al de in artikel 125 opgesomde aangelegenheden gebonden is het advies van de Medische Raad in te winnen ; Dat artikel 126, ,§ 3, bepaalt dat behalve wanneer de beheerder en de Medische Raad anders overeenkomen, de adviesaanvragen en de adviezen schriftelijk worden geformuleerd ; de adviesaanvragen m.b.t. de in artikel 127, ,§ 1, vermelde punten moeten evenwel steeds schriftelijk geschieden ; Dat tenslotte artikel 127, ,§ 1, bepaalt dat indien de Medische Raad over een adviesaanvraag van de beheerder met betrekking tot de punten bedoeld in artikel 125, 1°, 2°, 4° en 7°, een schriftelijk en gemotiveerd advies uitbrengt met een meerderheid van tweederde van de stemgerechtigde leden, en indien de beheerder zich niet kan aansluiten bij het advies de beslissing slechts kan genomen worden overeenkomstig de procedure bepaald in de paragrafen 2 en 3 en in artikel 128, ,§ 1 van de Ziekenhuiswet ; Overwegende dat te dezen (eerste eiseres) werd uitgenodigd voor een bijeenkomst op 25 februari 1997 om gehoord te worden en haar middelen van verdediging tegen de geformuleerde aanklachten naar voor te brengen ; Dat (eerste eiseres) evenwel niet verscheen op deze zitting, zodat een proces-verbaal van niet verschijning werd opgesteld ; Dat de gemandateerden van de Raad van Beheer alsdan het besluit genomen hebben dat (eerste eiseres) zou afgezet worden op voorwaarde dat het advies van de Medische Raad dit zou toelaten ; Dat de Medische Raad op 8 april 1987 advies heeft uitgebracht en dit advies heeft medegedeeld aan het Beheer ; Dat het Beheer vervolgens op 5 mei 1997 het besluit genomen heeft tot afzetting van (eerste eiseres) en deze beslissing bij aangetekend schrijven van 7 mei 1997 ter kennis heeft gebracht van (eiseressen) ; Dat de Medische Raad niet verplicht is een advies te geven, doch indien zij een advies geeft dit, indien voldaan is aan de cumulatief bepaalde voorwaarden in de Ziekenhuiswet, moet gekwalificeerd worden als een verzwaard advies waardoor de beheerder juridisch en inhoudelijk gebonden is ; Dat niet vereist is dat de Medische Raad met een tweederde meerderheid uitdrukkelijk instemt, doch zich niet verzetten met een tweederde meerderheid tegen het voornemen voldoet aan de wettelijke vereisten en een antwoord geeft op de gestelde vraag ; Dat de Medische Raad zich te dezen niet met een twee derde meerderheid van de stemmen heeft verzet tegen het voornemen van de ziekenhuisbeheerder om (eerste eiseres) af te zetten als ziekenhuisgeneesheer ; Overwegende dat (eiseressen) ten onrechte stellen dat er op 8 april 1997 geen volstrekte meerderheid voorhanden was om tot een advies of een besluit te komen, met vier stemmen voor de afzetting, drie stemmen tegen en één onthouding vermits volgens (eiseressen) om tot een volstrekte meerderheid van de aanwezige leden te komen minstens vijf stemmen noodzakelijk waren ; Dat voor het bereiken van een volstrekte meerderheid enkel de positieve stemmen dienen geteld te worden en de onthoudingen niet mogen meegeteld worden ; Overwegende dat de eerste rechter dan ook terecht geoordeeld heeft dat te dezen de afzettingsprocedure formeel, regelmatig en rechtsgeldig werd gevoerd en dat de beheerders van (eerste verweerster) conform het advies van de medische raad, die zich niet met een verzwaard advies tegen het voornemen tot afzetting heeft verzet, zijn overgegaan tot de afzetting van (eerste eiseres) ; Dat de vorderingen van (eiseressen) tot het bekomen van een schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige afzetting en verbreking van de samenwerkingsovereenkomst dan ook ongegrond zijn". Grieven Eerste onderdeel Krachtens de artikelen 125, eerste lid, 7°, en 126, ,§ 1, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, is de beheerder van een ziekenhuis ertoe gehouden het advies van de Medische Raad in te winnen, ingeval hij de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer in overweging neemt. Overeenkomstig artikel 130, ,§ 3, van dezelfde wet, behandelt de algemene regeling in ieder geval de procedures volgens dewelke een einde kan worden gemaakt aan de rechtsverhoudingen tussen de beheerder en de ziekenhuisgeneesheren. Overeenkomstig artikel 122, ,§ 3, van de wet op de ziekenhuizen, bepaalt de Koning de werking van de Medische Raad die in elk ziekenhuis moet worden opgericht. Op grond van artikel 29 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de Medische Raad in uitvoering van de artikelen 24, 25 en 26 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen wordt elk besluit van de Medische Raad bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden genomen. In hun syntheseberoepsbesluiten voeren eiseressen aan dat met vier stemmen voor de afzetting, drie stemmen tegen en één onthouding op 8 april 1997 geen volstrekte meerderheid voorhanden was om een besluit of advies te formuleren, vermits om een volstrekte meerderheid van de aanwezige leden, in casu acht leden, te bekomen vijf stemmen noodzakelijk zijn, zodat de medische raad geen regelmatig advies heeft genomen. De appèlrechter stelt vast dat de Medische Raad met vier stemmen voor de afzetting, drie stemmen tegen en één onthouding een advies heeft uitgebracht, maar overweegt dat voor het bereiken van een volstrekte meerderheid enkel de positieve stemmen dienen geteld te worden en de onthoudingen niet mogen meegeteld worden. Het hof van beroep beslist daarenboven dat zich niet verzetten met een tweederde meerderheid tegen het voornemen van de ziekenhuisbeheerder voldoet aan de wettelijke vereisten. Het hof van beroep laat aldus ten onrechte de onthoudingen buiten beschouwing en berekent de volstrekte meerderheid in strijd met de bewoordingen van artikel 29 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 niet op basis van de aanwezige leden, maar op basis van de uitgebrachte stemmen. Het hof van beroep beslist derhalve niet naar recht dat de Medische Raad op 8 april 1997 advies heeft uitgebracht en dat zich niet verzetten met tweederde aan de wettelijke voorwaarden voldoet, vermits uit de vaststellingen van de appèlrechter volgt dat de volstrekte meerderheid der aanwezige leden die voor het nemen van een beslissing is vereist, niet is bereikt en geen rechtsgeldig advies is uitgebracht (schending van de artikelen 122, ,§3, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, en 29 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de Medische Raad in uitvoering van de artikelen 24, 25 en 26 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen). De appèlrechter beslist op die grond bijgevolg ook niet naar recht dat te dezen de afzettingsprocedure formeel, regelmatig en rechtsgeldig is gevoerd (schending van de artikelen 125, eerste lid, 7°, 126, ,§ 1, en 130, ,§ 1 en ,§ 3 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Door de vordering van eiseressen tot betaling van schadevergoeding op die grond af te wijzen miskent de appèlrechter de verbindende kracht van de overeenkomst tussen eerste verweerster en eiseressen en de rechtsregel dat overeenkomsten partijen verbinden tot alle gevolgen die door de wet aan de verbintenis worden toegekend (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 130, ,§ 1 en ,§ 3, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt in elk ziekenhuis een algemene regeling vastgesteld en behandelt de algemene regeling in ieder geval de soorten gevallen waarin, de redenen waarom en de procedures volgens dewelke een einde kan worden gemaakt aan de rechtsverhoudingen tussen de beheerder en de ziekenhuisgeneesheren. Eiseressen voeren voorts aan dat overeenkomstig de algemene regeling in het ziekenhuis van eerste verweerster de afzetting van een geneesheer een gunstig advies van de Medische Raad vereist en dat bij ontstentenis van de vereiste volstrekte meerderheid der aanwezige leden de afzetting van eerste eiseres zonder het vereiste gunstige advies en dus op onregelmatige wijze is doorgevoerd. De appèlrechter stelt vast dat de procedure tot afzetting van een ziekenhuisgeneesheer is geregeld in artikel 1.3.5.
- en 1.3.5.
- van de algemene regeling en dat overeenkomstig die regeling de ziekenhuisbeheerder die een geneesheer wegens wanprestatie wil afzetten, de Medische Raad moet verzoeken om een advies uit te brengen en na ontvangst van een gunstig advies de betrokken geneesheer zijn beslissing moet mededelen binnen de maand na ontvangst van het advies bij aangetekend schrijven. Het hof van beroep overweegt evenwel dat de procedure van afzetting ook in de ziekenhuiswet wordt geregeld en dat de Medische Raad niet verplicht is een advies te geven en beslist dat zich niet verzetten met een twee derde meerderheid tegen het voornemen van de ziekenhuisbeheerder voldoet aan de wettelijke vereisten. Voor zover die overwegingen van de appèlrechter aldus moeten worden uitgelegd dat het hof van beroep beslist dat het met het oog op de beoordeling van de geldigheid van de afzettingsprocedure volstaat dat de bepalingen van de ziekenhuiswet zijn nageleefd en dat niet moet worden nagegaan of de medische raad het in de tussen partijen geldende algemene regeling bedoelde gunstig advies heeft uitgebracht, miskent het hof van beroep derhalve de bepalingen van die wet die de ziekenhuisbeheerder ertoe verplichten de met het oog op de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer in de algemene regeling vastgestelde procedure na te leven (schending van artikel 130, ,§1 en ,§3, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987). Door de vordering van eiseressen tot betaling van schadevergoeding op die grond af te wijzen miskent de appèlrechter de verbindende kracht van de overeenkomst tussen eerste verweerster en eiseressen en de rechtsregel dat overeenkomsten partijen verbinden tot alle gevolgen die door de wet aan de verbintenis worden toegekend (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 130, ,§ 1 en ,§3, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, behandelt de algemene regeling de procedures volgens dewelke een einde kan worden gemaakt aan de rechtsverhoudingen tussen de beheerder en de ziekenhuisgeneesheren. Het hof van beroep stelt vast dat partijen zich niet met een twee derde meerderheid tegen het voornemen van de ziekenhuisbeheerder verzetten. Voor zover het hof van beroep beslist dat zich niet met een tweederde meerderheid verzetten in casu een 'gunstig' advies in de zin van de tussen partijen geldende algemene regeling oplevert, miskent de appèlrechter de verbindende kracht van de algemene regeling (schending van de artikelen 130, ,§ 1 en ,§ 3 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Het hof van beroep miskent bovendien de rechtsregel dat voor het nemen van een 'gunstige' beslissing in de Medische Raad een volstrekte meerderheid van de aanwezige leden is vereist (schending van de artikelen 122, ,§ 3, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, en 29 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de Medische Raad in uitvoering van de artikelen 24, 25 en 26 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen). Door de vordering van eiseressen tot betaling van schadevergoeding op die grond af te wijzen miskent de appèlrechter de verbindende kracht van de overeenkomst tussen eerste verweerster en eiseressen en de rechtsregel dat overeenkomsten partijen verbinden tot alle gevolgen die door de wet aan de verbintenis worden toegekend (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). Vierde onderdeel Artikel 1.3.5.2., zesde lid, van de tussen partijen geldende algemene regeling bepaalt : "De beheerder deelt de betrokken ziekenhuisgeneesheer of in voorkomend geval de vennootschap waarvan hij het orgaan is, de beslissing binnen de maand na ontvangst van het gunstig advies van de Medische Raad of na het volgen van de bemiddelingsprocedure voorzien in titel IV van de Ziekenhuiswet met gunstig gevolg, mee. De beheerder houdt bij het nemen van zijn beslissing rekening met de ernst van de vastgestelde feiten" (eigen onderlijning). Artikel 1.3.5.
- van de algemene regeling bepaalt : "De beheerder deelt zijn beslissing bij aangetekende brief mee aan de ziekenhuisgeneesheer of in voorkomend geval aan de vennootschap waarvan deze het orgaan is, met vermelding van : - het gunstig advies van de Medische Raad of het feit dat met gunstig, gevolg de bemiddelingsprocedure voorzien in titel IV van de ziekenhuiswet, werd gevolgd" (eigen onderlijning). Uit de onderlijnde bewoordingen van de algemene regeling blijkt onomstotelijk dat overeenkomstig die regeling de ziekenhuisbeheerder die een geneesheer wegens wanprestatie wil afzetten, de Medische Raad niet alleen moet verzoeken om een advies uit te brengen, maar ook slechts na ontvangst van een gunstig advies de betrokken geneesheer zijn beslissing tot afzetting kan mededelen. De appèlrechter brengt in herinnering dat de procedure tot afzetting van een ziekenhuisgeneesheer is geregeld in artikel 1.3.5.
- en 1.3.5.
- van de algemene regeling en haalt vervolgens de toepasselijke bepalingen van de algemene regeling aan (pag. 10 en 11 van het arrest). Voor zover het arrest aldus moet worden gelezen dat de appèlrechters beslissen dat artikel 1.3.5.
- van de tussen partijen geldende algemene regeling niet bepaalt dat de ziekenhuisbeheerder een ziekenhuisgeneesheer slechts wegens wanprestatie mag afzetten, mits de Medische Raad een gunstige beslissing heeft uitgebracht, geeft het arrest een uitlegging van de artikelen 1.3.5.
- en 1.3.5.
- van de algemene regeling die in strijd is met de bewoordingen ervan. Het hof van beroep schendt derhalve de bewijskracht van de in het arrest aangehaalde bewoordingen van de artikelen 1.3.5.
- en 1.3.5.
- van de algemene regeling (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). Door de vordering van eiseressen tot betaling van schadevergoeding op die grond af te wijzen miskent de appèlrechter de verbindende kracht van de overeenkomst tussen eerste verweerster en eiseressen en de rechtsregel dat overeenkomsten partijen verbinden tot alle gevolgen die door de wet aan de verbintenis worden toegekend (schending van de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
- Ontvankelijkheid van het tweede onderdeel Over de door de verweerders sub 10 tot en met 23 opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel : a) het onderdeel is onduidelijk omdat het niet aangeeft tegen welke overweging of overwegingen het is gericht : Overwegende dat het onderdeel aangeeft tegen welke overwegingen van het arrest het is gericht ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid feitelijke grondslag mist ; b) in zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 130, ,§1 en ,§3, van de Ziekenhuiswet vormen deze wetsbepalingen geen rechtsgrond tot het afdwingen van de naleving van de in de algemene regeling vastgestelde procedure : Overwegende dat het onderdeel de schending van artikel 130, paragrafen 1 en 3, van de Ziekenhuiswet aanvoert in zoverre het arrest beslist dat de naleving van de procedure tot afzetting, zoals bepaald in de Ziekenhuiswet, volstaat en niet moet worden nagegaan of de medische raad gehandeld heeft overeenkomstig de tussen de partijen overeengekomen algemene regeling ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ; c) het onderdeel kan niet tot cassatie leiden : Overwegende dat het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid niet te scheiden is van het onderzoek van het onderdeel ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid niet kan worden aangenomen ;
- Het tweede onderdeel zelf Overwegende dat, krachtens artikel 130, ,§1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 houdende coördinatie van de wet op de ziekenhuizen, in elk ziekenhuis een algemene regeling wordt vastgesteld betreffende de rechtsverhoudingen tussen het ziekenhuis en de geneesheren, de organisatie- en de werkvoorwaarden, met inbegrip van de financiële werkvoorwaarden ; Dat, overeenkomstig paragraaf 3 van dit artikel, de algemene regeling onder meer dient te behandelen: de soort gevallen waarin, de redenen waarom en de procedures volgens welke een einde kan worden gemaakt aan de rechtsverhoudingen tussen de beheerder en de ziekenhuisgeneesheren ; Dat, krachtens paragraaf 2 van dit artikel, de algemene regeling wordt vastgesteld met inachtneming van de procedure bepaald in hoofdstuk 1, afdeling 1, van de specifieke bepalingen betreffende het beheer van de ziekenhuizen en het statuut van de ziekenhuisgeneesheer, zijnde titel IV van het voormeld koninklijk besluit ; Overwegende dat de artikelen 125 tot en met 128 van de Ziekenhuiswet, voorkomende in titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 1, in zoverre zij de adviesbevoegdheid van de medische raad regelen met betrekking tot de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer, dwingende bepalingen zijn ter bescherming van de ziekenhuisgeneesheer ; Dat de voormelde algemene regeling niet ten nadele van de ziekenhuisgeneesheer mag afwijken van de waarborgen bepaald in de artikelen 125 tot en met 128 van de Ziekenhuiswet inzake de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer ; Dat evenwel de algemene regeling met betrekking tot de procedure tot afzetting van een ziekenhuisgeneesheer bijkomende waarborgen ten gunste van de ziekenhuisgeneesheer mag vaststellen ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat: - tweede eiseres en eerste verweerster een definitieve samenwerkings-overeenkomst hebben gesloten, waarbij eerste eiseres, orgaan van tweede eiseres, als zelfstandige op geïntegreerde wijze en zoals voorzien in de algemene regeling, de medische activiteit anesthesie en reanimatie uitoefende in het Sint-Jansziekenhuis te Genk ; - de voorwaarden van deze samenwerking beheerst worden door de bepalingen van de algemene regeling en door de dwingende bepalingen van de Ziekenhuiswet ; - de afzetting van een ziekenhuisgeneesheer geregeld is in de artikelen 1.3.5.
- en 1.3.5.
- van de algemene regeling ; - deze algemene regeling bepaalt dat indien de beheerder beslist om de samenwerkingsovereenkomst met de ziekenhuisgeneesheer te beëindigen, hij de medische raad binnen de gestelde termijn moet verzoeken om advies uit te brengen conform artikel 125 van de ziekenhuiswet ; - de beheerder slechts na ontvangst van een gunstig advies van de medische raad tot afzetting en dus tot verbreking van de samenwerkings-overeenkomst kan overgaan ; Overwegende dat, krachtens artikel 29, derde lid, van het koninklijk besluit van 10 augustus 1987 tot vaststelling van de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de medische raad, elk besluit van de medische raad bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden wordt genomen ; Dat, gelet op deze bepaling, een gunstig advies, als bedoeld in de artikelen 1.3.5.
- en 1.3.5.
- van de algemene regeling, slechts gegeven kan worden met een volstrekte meerderheid van de aanwezige leden van de medische raad ; Dat een lid dat zich bij de stemming onthoudt, niettemin een aanwezig lid is en als dusdanig in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van het aantal aanwezigen en van de volstrekte meerderheid van de aanwezige leden ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de medische raad op 8 april 1997 met vier stemmen voor de afzetting, drie stemmen tegen en één onthouding zich met een volstrekte meerderheid heeft uitgesproken op grond dat "enkel de positieve stemmen dienen geteld te worden en de onthoudingen niet mogen meegeteld worden" en dat de medische raad zich niet met het in artikel 127 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1987 vereist verzwaard advies, namelijk met een "meerderheid van tweederde van de stemgerechtigde leden" tegen het voornemen tot afzetting heeft verzet, zodat de beheerders van eerste verweerster rechtsgeldig tot de afzetting van eiseres zijn overgegaan ; Overwegende dat het arrest, door op die grond de vordering van de eiseressen tot betaling van schadevergoeding af te wijzen, de verbindende kracht van de tussen eerste verweerster en de eiseressen op de algemene regeling steunende samenwerkingsovereenkomst miskent en de artikelen 1134 en 1135 van het Burgerlijk Wetboek schendt ; Dat het onderdeel gegrond is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de op grond van de onrechtmatige afzetting van eerste eiseres en de eerbiediging van de samenwerkingsovereenkomst ingestelde vorderingen van de eiseressen ongegrond verklaart en uitspraak doet over de kosten ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van viertwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050124.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20090209.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150430.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div