id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.12 Rolnummer: C.04.0039.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-07-03 13:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche De hoofdelijke gehoudenheid van de oorspronkelijke huurder, bij overdracht van de gezamenlijke rechten van de hoofdhuurder, strekt zich uit ten aanzien van iedere opeenvolgende overnemer
(1); ze is beperkt tot het einde van de aanvankelijke huur, ongeacht de wijze waarop die beëindigd wordt; in voorkomend geval slaat ze op alle uit de aanvankelijke huur voortvloeiende verplichtingen die met de beëindiging gepaard gaan.
(1)Cass., 18 feb. 1988, AR 7965, nr
- Zie PAUWELS, A., Handelshuur, A.P.R., 1971, 103, nrs 208-209; LA HAYE, M. & VANKERCKHOVE, J., Les Novelles, T. VI, Le Louage des choses, Vol. II, Les baux commerciaux, 1984, 171, nr 1714; MEULEMANS, D., De overdracht van een handelsovereenkomst, noot onder Cass., 6 maart 1992, R. Cass., 1992, 86, nr 3; DE SMEDT, P., Pikante aspekten van de handelshuuroverdracht, noot onder Rb. Brugge, 15 sept. 0995, A.J.T., 1995-96, 537; GEINGER, H., VAN BUGGENHOUT, Chr. & van HEUVERSWYN, Chr., Overzicht van rechtspraak - Het faillissement en het gerechtelijk akkoord, T.P.R., 1996, 1105, nr. 221; HERBOTS, J.H., PAUWELS, C. & DEGROOTE, E., Overzicht van rechtspraak - Bijzondere overeenkomsten, T.P.R., 1997, 882, nr 365; PAUWELS, A., Commentaar bij art. 11 Handelshuurwet, Kluwer, 1997, 156, nrs 23-29, LEUNEN, Ch.-A., Lopende overeenkomsten en het vernieuwde recht van de onderneming in moeilijkheden, T.P.R., 1998, 495-496; LOUVEAUX, B., Le droit du bail commercial, 2002, 301, nr 317; GLANSDORFF, F., & STEPANIAN, G., La cession de bail et la sous-location, in: 50 jaar toepassing van de handelshuurwet, Die Keure, 2002, 1221-
- Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Onderverhuring en huuroverdracht UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Handelshuur - Overdracht en onderhuur Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Onderverhuring en huuroverdracht Oorspronkelijke huurder Hoofdelijkheid Opeenvolgende overdrachten Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1951 - Art.11,IenII Annotaties Publicaties: R.W. - X; Noot - 2007-2008, 271 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0039.N
- H.G.
- B.N.
- B.G.
- B.D.
- B.F. eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, H. Waefelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- G.M.
- H.M.
- P.L.
- P.J.
- P.P.
- P.L.
- D.J. 8.IMBEPO, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 3290 Diest, Turnhoutsebaan 18A, verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
- COTRADIS, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 1140 Evere, Olympiadenlaan 20, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Sint-Gillis, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 12 juli 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. De NV Cotradis heeft op 29 april 2004 afstand gedaan van haar memorie van antwoord neergelegd ter griffie op 14 april
- III. Feiten De relevante feiten kunnen, blijkens het bestreden vonnis, als volgt worden samengevat :
- De eisers en/of hun rechtsvoorgangers verhuren bij drie afzonderlijke handelshuurovereenkomsten drie handelspanden aan de eerste tot en met de zevende verweerders en/of hun rechtsvoorgangers, in wier rechten later de achtste verweerster is getreden. De huurovereenkomsten lopen alle drie tot 31 juli
- Met ingang van 1 januari 1992 worden de overeenkomsten overgedragen aan de BVBA Vleeshal, de rechtsvoorgangster van de negende verweerster.
- Met ingang van 1 april 1993 worden de overeenkomsten opnieuw overgedragen aan de heer en mevrouw L-V die handelen voor de BVBA Lumar.
- Deze laatste wordt failliet verklaard bij vonnis van 7 september
- Bij gebrek aan actief wordt het faillissement afgesloten op 13 juni
- De eisers vorderen de hoofdelijke veroordeling van de verweerders tot betaling van de ingevolge het faillissement onbetaald gebleven huurgelden en toebehoren.
- Het bestreden vonnis : - neemt aan dat de curator bij brief van 10 maart 1995 duidelijk zijn wil uitte eenzijdig een einde te stellen aan de huurovereenkomst ; - stelt de beëindiging van de huurovereenkomst vast op 10 maart 1995 ; - willigt de vordering van de eisers slechts gedeeltelijk in en veroordeelt de verweerders hoofdelijk, rekening houdend met een billijke schadevergoeding wegens de eenzijdige beëindiging van de huurovereenkomst, tot betaling van achterstallige huurgelden tot en met juni 1995 ; IV. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 3, derde en vierde lid, en 11, I en III, van de Handelshuurwet van 30 april 1951, zoals vervangen en gewijzigd bij de wetten van 29 juni 1955 en 5 juli 1963 (afdeling IIbis van hoofdstuk II in Titel VIIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek) ; de artikelen 1134, derde lid, en 1184, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel inzake het verbod van rechtsmisbruik. Aangevochten beslissingen De rechtbank van eerste aanleg bevestigt het vonnis a quo o.m. in zoverre het beslist dat de eisers slechts aanspraak kunnen maken jegens de verweerders op betaling van de huur tot en met de maand juni 1995 o.m. op volgende gronden : "Gevolg van de overdracht van de huur aan de B.V.B.A. Lumar. (...) De regelmatigheid van de huuroverdracht aan de B.V.B.A. Lumar wordt niet betwist zodat toepassing kan worden gemaakt van art. 11, I en III W. Handelshuur. Dit houdt inderdaad in dat de overdragers hoofdelijk met de B.V.B.A. Lumar gehouden zijn tot alle verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst en dit tot het einde daarvan. Einde van de huurovereenkomst. De eerste rechter concludeerde eveneens terecht dat door het faillissement op zich principieel geen einde werd gesteld aan de huur (...). De huidige faillissementswet voorziet een specifieke regeling inzake het al dan niet ver(der)zetten van de op het ogenblik van het faillissement lopende huurovereenkomsten (art. 46). Deze regeling is in casu evenwel niet van toepassing. Het staat vast dat de curator van de B.V.B.A. Lumar de handelszaak niet verder uitbaatte. Anderzijds nam hij blijkbaar niet onmiddellijk na het uitspreken van het faillissement uitdrukkelijk standpunt in met betrekking tot het al dan niet verderzetten van de huur. Het enige relevante stuk dat de rechtbank ter kennis wordt gebracht is de brief van 10 maart 1995 n.a.v. een oproeping in verzoening door H-B, aan de hoofdgriffier van het Vredegerecht van het kanton Tienen waarin hij stelt : U kan echter nu reeds noteren dat ingevolge het faillissement van 7 september 1994 aan de huurovereenkomst een einde is gekomen. De curatele heeft overigens de handelsactiviteiten niet verder gezet. De curatele dient derhalve buiten zake te worden gesteld'. Ook al is de impliciete stelling van de curator dat er een einde kwam aan de lopende huur ingevolge het faillissement niet correct, dan was deze brief alleszins duidelijk een uiting van de wil een einde te stellen aan de huur. Kort nadien, op 13 juni 1995, werd het faillissement afgesloten wegens ontoereikend actief. In die zin kan aanvaard (word)en dat er een einde kwam aan de huur op 10 maart 1995 zodat rekening houdend met een billijke schadevergoeding wegens beëindiging van de huur de huur kan worden toegekend tot en met juni 1995, zoals gesteld door de Vrederechter. De houding van de (eisers) om de huur te blijven vorderen van de overlater, die zoals gesteld enkel hoofdelijk gehouden is tot het einde van de huur maar zelf geen huurder meer is, zou zelfs in de hypothese dat de huur niet zou beëindigd zijn door de curator rechtsmisbruik uitmaken, dat het meest aangepast zou gesanctioneerd geweest zijn door dit terug te brengen tot een normale uitoefening van dit recht, nl. toekenning van de huur tot en met juni
- Het bestreden vonnis kan op dit punt derhalve worden bevestigd, zij het gedeeltelijk om andere motieven". Grieven
- Eerste onderdeel 1.
- Volgens artikel 11, I, van de Handelshuurwet wordt, bij overdracht van de gezamenlijke rechten van de hoofdhuurder, de overnemer rechtstreeks huurder van de verhuurder, terwijl artikel 11, III van dezelfde wet bepaalt dat de oorspronkelijke huurder hoofdelijk gehouden blijft tot alle uit de aanvankelijke huur voortvloeiende verplichtingen. Weliswaar kan de verhuurder zich, bij toepassing van artikel 10, derde lid, van dezelfde wet, om wettige redenen verzetten tegen de overdracht van de huur met de handelszaak. Deze wettelijke regeling strekt ertoe een evenwicht te bereiken tussen, enerzijds, de mogelijkheid van de huurder om zijn handelszaak samen met de huur over te dragen en, anderzijds, de bescherming van de verhuurder die zich, door een huuroverdracht of onderverhuring, tegen zijn wil, een andere huurder opgedrongen ziet. De hoofdelijke gehoudenheid van de oorspronkelijke huurder blijft aldus beperkt tot de verplichtingen uit de lopende huurovereenkomst en zulks tot het einde ervan, ongeacht evenwel de eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de onderhuurder in strijd met de voorwaarden bepaald in artikel 3, derde en vierde lid, van de Handelshuurwet. 1.
- Indien de huurder zijn verbintenissen niet nakomt is de huur hoe dan ook, overeenkomstig artikel 1184, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, niet van rechtswege ontbonden en heeft de verhuurder de keuze om ofwel de huurder te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding. Het faillissement van de onderhuurder doet aan voormelde rechten van de verhuurder geen afbreuk en stelt, zoals de appèlrechters zelf vaststellen, evenmin een einde aan de lopende huurovereenkomst. 1.
- Te dezen benadrukten de eisers in hun 'beroepsbesluiten' van 13 oktober 2000 dat zij nooit akkoord zijn gegaan met een beëindiging van de huur, doch de andere partijen hebben gedagvaard tot betaling van de achterstallige en nog te vervallen huur en aldus steeds aanspraak hebben gemaakt op de uitvoering van de overeenkomst. 1.
- De appèlrechters hebben overigens geoordeeld dat de niet betwiste regelmatige huuroverdracht aan de B.V.B.A. Lumar bij toepassing van artikel 11, I en III, van de Handelshuurwet, inhoudt "dat de overdragers hoofdelijk met de B.V.B.A. Lumar gehouden zijn tot alle verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst en dit tot het einde daarvan", alsmede dat de regeling van artikel 46 van de Faillissementswet in casu niet van toepassing is. Uit het voorgaande volgt dan ook dat zij te dezen niet wettig de toepassing van voormeld artikel 11, I en III, in de tijd beperken, op grond dat rekening houdend met de wilsuiting van de curator, vervat in zijn brief van 10 maart 1995 aan de hoofdgriffier van het Vredegerecht van het kanton Tienen, een einde te stellen aan de huur in die zin "kan aanvaard wordt (lees : worden) dat er een einde kwam aan de huur op 10 maart 1995 zodat rekening houdend met een billijke schadevergoeding wegens beëindiging van de huur de huur kan worden toegekend tot en met juni 1995, zoals gesteld door de Vrederechter". De appèlrechters hebben bijgevolg hun beslissing tot bevestiging van het vonnis a quo, waarbij eisers' vordering slechts gedeeltelijk (toekenning van de huur tot en met juni 1995) gegrond werd verklaard, niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 3, derde en vierde lid, en 11, I en III, van de Handelshuurwet van 30 april 1951, zoals vervangen bij art. 1 van de wet van 29 juni 1955 (afdeling IIbis van hoofdstuk II in Titel VIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek) en 1184, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).
- Tweede onderdeel 2.
- Rechtsmisbruik is de rechtsuitoefening op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. In dat geval wordt dit misbruik gesanctioneerd door het recht tot zijn normaal gebruik te verminderen. 2.
- Volgens artikel 11, I, van de Handelshuurwet wordt, bij overdracht van de gezamenlijke rechten van de hoofdhuurder, de overnemer rechtstreeks huurder van de verhuurder, terwijl artikel 11, III van dezelfde wet bepaalt dat de oorspronkelijke huurder hoofdelijk gehouden blijft tot alle uit de aanvankelijke huur voortvloeiende verplichtingen. Deze wetsbepaling strekt onder meer tot bescherming van de verhuurder die zich, door een huuroverdracht of onderverhuring, tegen zijn wil, een andere huurder opgedrongen ziet. Uit de wettelijk geregelde hoofdelijke gehoudenheid van de overdrager de volgens het aangevochten vonnis te dezen toepasselijk is volgt dat de verhuurder de hoofdhuurder-overdrager kan blijven aanspreken voor "alle uit de aanvankelijke huur voortvloeiende verplichtingen", ook al heeft de huuroverdracht tot gevolg dat deze geen huurder meer is en dat de onderhuurder, als rechtstreekse huurder van de verhuurder, de enige houder van het huurrecht wordt. Uit de loutere omstandigheid dat de 'overlater', die aldus hoofdelijk gehouden blijft onder meer tot betaling van de huur tot het einde van de lopende huur, "zelf geen huurder meer is", kan dan ook bezwaarlijk worden afgeleid dat de houding die erin bestaat "om de huur de (lees : te) blijven vorderen van de overlater, ... zelfs in de hypothese dat de huur niet zou beëindigd zijn door de curator" rechtsmisbruik uitmaakt. Het aangevochten vonnis vermeldt voor het overige geen enkele andere omstandigheid waaruit zou blijken dat de eisers hun recht hebben uitgeoefend op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dit recht door een voorzichtig en bezorgd persoon. De appèlrechters hebben bijgevolg hun beslissing tot bevestiging van het vonnis a quo, waarbij eisers' vordering slechts gedeeltelijk gegrond werd verklaard, evenmin naar recht verantwoord door te oordelen dat hun houding 'rechtsmisbruik' uitmaakt (schending van artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel inzake verbod van rechtsmisbruik). V. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 11, I, eerste lid, van de Handelshuurwet, bepaalt dat bij overdracht van de gezamenlijke rechten van de hoofdhuurder, de overnemer rechtstreeks huurder van de verhuurder wordt en dat artikel 11, III, van dezelfde wet bepaalt dat de oorspronkelijke huurder hoofdelijk gehouden blijft tot alle uit de aanvankelijke huur voortvloeiende verplichtingen ; Dat de hoofdelijke gehoudenheid zich uitstrekt ten aanzien van iedere opeenvolgende overnemer ; Dat de hoofdelijke gehoudenheid beperkt is tot het einde van de aanvankelijke huur, ongeacht de wijze waarop die wordt beëindigd, en aldus ook wanneer de overnemer de huurovereenkomst voortijdig beëindigt met miskenning van artikel 3, derde en vierde lid, van de Handelshuurwet ; dat in voorkomend geval de hoofdelijke gehoudenheid slaat op alle uit de aanvankelijke huur voortvloeiende verplichtingen die met de beëindiging gepaard gaan ; Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat in geval van eenzijdige beëindiging van de overeenkomst door de overnemer, of door de curator na faillissement van de overnemer, in strijd met de voorwaarden bepaald in artikel 3, derde en vierde lid, van de Handelshuurwet, de hoofdelijke gehoudenheid van de oorspronkelijke huurder, overdrager, niet beperkt blijft tot de verplichtingen uit de lopende huurovereenkomst tot de beëindiging ervan ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat de in het eerste onderdeel vergeefs bestreden reden de bestreden beslissing draagt ; Dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verleent akte aan de NV Cotradis van haar afstand van haar memorie van antwoord van 14 april 2004 ; Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt NV Cotradis tot 1/9 van de kosten van de memorie van antwoord van 14 april 2004 ; Veroordeelt de eisers in de overige kosten. De kosten begroot op de som van honderd negenenvijftig euro vijfennegentig cent jegens de eisende partijen en ook op de som van honderd zevenenzeventig euro vierenvijftig cent jegens de verwerende partijen sub 1 tot en met 9 en op de som van driehonderd eenenzestig euro eenennegentig cent jegens de verwerende partij sub
- Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div