← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.7 Rolnummer: C.02.0272.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 937 - laatst gezien 2026-07-04 21:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Ingevolge haar verplichting enkel voldoende veilige wegen aan te leggen en voor het verkeer open te stellen, moet de gemeentelijke overheid, behoudens wanneer een vreemde oorzaak, die haar niet kan worden aangerekend, haar belet die veiligheidsverplichting na te komen, ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, door gepaste maatregelen voorkomen

(1).
(1)Zie Cass., 12 maart 1999, AR C.98.0147.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990312.7, nr 152. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Staat. Overheid Overheid Gemeente Wegen Veiligheidsverplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: WEGEN Vrije woorden: WEGEN Gemeente Veiligheidsverplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: GEMEENTE Vrije woorden: GEMEENTE Wegen Veiligheidsverplichting Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Artt.1382en13 Fiches 4 - 6 De verplichting van de gemeentelijke overheid ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, door gepaste maatregelen te voorkomen houdt geen resultaatverbintenis in. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Fout Gemeente Wegen Veiligheidsverplichting Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: WEGEN Vrije woorden: WEGEN Gemeente Veiligheidsverplichting Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Artt.1382en13 Thesaurus CAS: GEMEENTE Vrije woorden: GEMEENTE Wegen Veiligheidsverplichting Aard Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Artt.1382en13 Fiche 7 Een zaak is gebrekkig wanneer zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken
(1).
(1)Cass., 12 sept. 2003, AR C.02.0242.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030912.6, nr 433. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Gebrek van de zaak Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Art.1384,eerst Fiche 8 Het gebrek van de zaak moet geen intrinsiek of blijvend gebrek ervan zijn voor de toepasselijkheid van het artikel 1384, eerste lid, B.W.
(1).
(1)Zie Cass., 2 maart 1995, AR C.94.0313.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950302.19, nr 130 alsook Cass., 18 okt. 2001, AR C.98.0551.N en 17 jan. 2003, AR C.02.0012.N, noot S. MOSSELMANS, Het gebrek van de "samengestelde" zaak, T.B.B.R., 2004, 84. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Gebrek van de zaak Fiche 9 Het gebrek van de zaak moet in concreto worden beoordeeld
(1).
(1)Uit de vaststellingen van het bestreden vonnis bleek dat eiseres als fietsster gevallen was over een losgekomen ijzeren draad, bestemd om de feestverlichting op te hangen en die dwars over het fietspad was komen te hangen. In het (tweede) cassatiemiddel werd aangevoerd dat het fietspad daardoor gebrekkig was. Het O.M. was van oordeel dat het niet voldoende is dat aan de zaak iets toegevoegd wordt waardoor schade ontstaat maar dat het vereist is dat het geheel - de zaak en de toevoeging - een abnormal kenmerk vertoont en dat de vraag of een geheel gevormd werd geen juridische kwestie is, doch tot de onaantastbare beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter behoort (zie Cass., 17 jan. 2003, AR C.02.0012.N). Doordat de appèlrechters op onaantastbare wijze oordeelden dat de draad niet als een kenmerk van het fietspad kon worden beschouwd en geen geheel ermee vormde, zodat hij dus geen gebrek ervan kon uitmaken, konden ze, naar de mening van het O.M., naar recht beslissen dat het fietspad geen schade kon veroorzaken. Het O.M. concludeerde dus ook tot verwerping van dit middel. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Vrije woorden: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Zaken Gebrek van de zaak Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet - 24-06-1988 - Art.1384,eerst Tekst van de beslissing Nr. C.02.0272.N W.V. eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen GEMEENTE ZOERSEL, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, wiens burelen gevestigd zijn te 2980 Halle-Zoersel, Kasteeldreef 55, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 20 februari 2002 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 135, inzonderheid ,§2, tweede lid, 1°, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 (zoals ingevoegd bij wet van 27 mei 1989) ; artikel 2.
  1. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer (zoals gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 20 juli 1990). Aangevochten beslissingen De rechtbank verwerpt het hoger beroep en willigt het incidenteel beroep in. De oorspronkelijke vordering wordt als ongegrond afgewezen. Zij overweegt daartoe : "W. verwijt de gemeente Zoersel een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek met als foutomschrijving het niet naleven van de verplichting voorzien in artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet en een inbreuk op artikel 7.1 van het Wegverkeersreglement. Men pleegt een fout wanneer men het ontstaan van schade kon voorzien en de nodige maatregelen om die te vermijden niet heeft getroffen (...). In voorliggend dossier blijkt nergens hoe lang de draad reeds over het fietspad was gespannen en aldus de gevaarlijke situatie zich reeds voordeed. Aangezien geen andere ongevallen gekend zijn op diezelfde plaats, is het aannemelijk dat de draad zeer kort voor de feiten op het fietspad is terechtgekomen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat niet is bewezen dat de gemeente Zoersel als normaal voorzichtig gemeentebestuur op het ogenblik van de feiten reeds weet had moeten hebben van de gevaarlijke situatie die op het betreffende fietspad was ontstaan en de noodzakelijke maatregelen had moeten nemen om hieraan te verhelpen. Er is aldus niet aangetoond dat de gemeente Zoersel haar verplichtingen overeenkomstig artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet niet heeft nageleefd. Een fout in hoofde van de gemeente Zoersel is niet bewezen". Grieven Overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is elkeen die door zijn fout aan een ander schade veroorzaakt, gehouden deze schade te vergoeden. Luidens artikel 1383 van hetzelfde wetboek, kan deze fout bestaan in een nalatigheid of onvoorzichtigheid. Luidens artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988, dat handelt over de bevoegdheden van de gemeenten in het algemeen, hebben de gemeenten tot taak te voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen (eerste lid). Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden, aldus het tweede lid van genoemde wetsbepaling, de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd: 1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken (...). Het fietspad, omschreven in artikel 2.
  2. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer, een vrije en ongehinderde doorgang voor fietsers veronderstelt, wat inhoudt dat niet alleen het wegdek zelf vrij is van hindernissen en belemmeringen doch ook dat het luchtruim boven het wegdek de vrije en ongehinderde doorgang van de normale fietser mogelijk maakt. De gemeenten, overeenkomstig genoemd artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, moeten waken over de veiligheid van de openbare wegen en de zich aldaar eventueel bevindende hindernissen opruimen, zodat de aanwezigheid van een niet opgeruimde hindernis op een openbare weg, die de veiligheid in het gedrang brengt, de nalatigheid van de gemeente daarstelt. De gemeenteoverheid immers, tenzij een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend, haar belet haar beveiligingsverplichting na te komen, op haar grondgebied de veiligheid van het verkeer in de straten moet handhaven en de nodige maatregelen moet bevelen om het verkeer opnieuw mogelijk te maken wanneer de veiligheid van de weggebruiker er niet meer verzekerd is. Het in dat verband niet relevant is of de gemeente reeds kennis had van de betreffende hindernis op de openbare weg. De rechtbank dienvolgens niet wettig kon oordelen dat de aansprakelijkheid van verweerster voor de schadelijke gevolgen van het ongeval waarvan eiseres het slachtoffer werd, niet betrokken kon zijn omdat niet bewezen werd dat zij op het ogenblik van de feiten reeds kennis had van de gevaarlijke situatie die op het betreffende fietspad was ontstaan. De rechtbank schendt derhalve: de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 135, inzonderheid ,§2, tweede lid, 1°, van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 (zoals ingevoegd bij wet van 27 mei 1989) ; artikel 2.
  3. van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer (zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 20 juli 1990).
  4. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De rechtbank verwerpt het hoger beroep en willigt het incidenteel beroep in. De oorspronkelijke vordering wordt als ongegrond afgewezen. Zij overweegt daartoe: "Ter beoordeling van de feitelijke omstandigheden van het ongeval wordt een zonder gevolg verklaard strafdossier voorgebracht. In het strafdossier stellen de verbalisanten vast dat : - 'de fietsster (V. W.) is gevallen over een draad die laag over het fietspad was gespannen', - 'de ijzeren draad, bestemd om feestverlichting aan op te hangen, afgebroken was en dwars over het fietspad was komen te hangen' ; - 'door onbekende reden deze (draad) is afgebroken' ; - 'het uiteinde van deze draad was klem komen te zitten onder de wielen van een geparkeerd voertuig'. W. voert aan dat het fietspad en de kabel met een gebrek behept waren. Om het gebrek in een zaak te bewijzen, moet W. aantonen dat de zaak een abnormaal kenmerk vertoont dat haar ongeschikt maakt voor het gebruik waartoe zij bestemd is. Een gebrek is een abnormale gesteldheid van een kenmerk van de zaak (...). De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van een vreemd voorwerp, zoals een kabel, op een fietspad niet kan worden beschouwd als een kenmerk van dit fietspad. De abnormale gesteldheid van de draad maakt derhalve ook geen gebrek uit van het fietspad. V. W. faalt in haar bewijslast om een gebrek in het fietspad aan te tonen. De enkele ongewone gedraging of de abnormale plaats van een zaak is op zichzelf geen gebrek en geldt evenmin als bewijs dat de zaak een gebrek vertoont. Een gebrek van de zaak kan niet worden afgeleid uit het enkele feit dat een op zichzelf niet gebrekkige zaak een voor het verkeer gevaarlijke plaats inneemt (...). De abnormale plaats of gedraging van een zaak geldt enkel als bewijs van een gebrek in de zaak op voorwaarde dat elke andere plausibele oorzaak voor de abnormale gedraging of plaats kan worden uitgesloten (...). Indien aldus het gebrek in de zaak is aangetoond, dient niet verder te worden onderzocht op welke wijze of door wie dit gebrek tot stand gekomen is. De bewaarder van de zaak is aansprakelijk voor het gebrek, ongeacht de oorzaak ervan en ongeacht of hij er kennis van had. De rechtbank is van oordeel dat de kabel waardoor W. is gevallen, zich abnormaal gedroeg door over het fietspad te hangen. V. W. slaagt er echter niet in om een vreemde oorzaak van deze toestand uit te sluiten. Het blijkt vooreerst uit het strafdossier dat de kabel dwars over het fietspad op hoofdhoogte is terechtgekomen doordat het uiteinde was klem geraakt onder de wielen van een geparkeerd voertuig ; hier is aldus duidelijk de tussenkomst van een derde voertuig aangetoond. Daarnaast kan geenszins worden uitgesloten dat het afbreken zelf van de kabel te wijten is aan een vreemde oorzaak, zoals het losrukken door een uitzonderlijk vervoer. V. W. faalt ook in haar bewijslast om een gebrek aan te tonen in de kabel". Grieven Overeenkomstig artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is elkeen die door zijn fout aan een ander schade veroorzaakt, gehouden deze schade te vergoeden. Luidens artikel 1383 van hetzelfde wetboek, kan deze fout bestaan in een nalatigheid of onvoorzichtigheid. Overeenkomstig artikel 1384, eerste lid, van hetzelfde wetboek, is men aansprakelijk niet alleen voor de schade welke men veroorzaakt door zijn eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan, of van zaken die men onder zijn bewaring heeft. Inzake de aansprakelijkheid voor zaken die men onder zijn bewaring heeft rust het vermoeden van fout derhalve op de bewaarder van een "gebrekkige zaak", dat wil zeggen een zaak met een abnormaal kenmerk waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken. Dit vermoeden van fout kan slechts worden weerlegd wanneer het bewijs wordt geleverd dat de schade niet aan een gebrek van de zaak, maar aan een vreemde oorzaak te wijten is, zodat de onoverkomelijke onwetendheid omtrent het gebrek van de zaak, de aansprakelijkheid van de bewaarder van de zaak voor de schade die ze veroorzaakte, niet wegneemt, evenmin als de omstandigheid dat de persoon die de gebrekkige zaak onder zijn bewaring heeft, geen enkele fout of nalatigheid heeft begaan. Eiseres voerde terzake in conclusie aan dat "de gemeente Zoersel zowel de bewaarder van de draad is (...) als van de openbare weg", dat "de gebruikers van de fietspaden er rechtmatig (mogen) op vertrouwen dat zich op en over het fietspad geen hindernissen, in casu een electriciteitsdraad, bevinden die de veiligheid van de fietsers in gevaar kunnen brengen", dat "de aanwezigheid van een electricicteitsdraad op en over het fietspad op hoofdhoogte het normale gebruik (schaadt) dat fietsers van een fietspad kunnen maken en niet (beantwoordt) aan de normale bestemming en gesteldheid van een fietspad" en dat "de structuur en bestemming van het fietspad door de aanwezigheid van een electriciteitsdraad op hoofdhoogte aangetast (was) en (het) een abnormaal karakter (gaf)", zodat "het fietspad behept (was) met een gebrek in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (...)". Het normaal gebruik van een fietspad veronderstelt dat de fietsers die er zich op bevinden, zonder hinder, noch op het wegdek, noch in het luchtruim, hun weg kunnen vervolgen. De aanwezigheid van een over het fietspad op hoofdhoogte hangende kabel tot gevolg heeft dat het fietspad een abnormaal kenmerk vertoont waardoor het in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken aan de gebruikers ervan. Het fietspad in die omstandigheden gebrekkig is, nu het niet tot de normale verwachtingen behoort van een fietser om op het fietspad op hoofdhoogte geconfronteerd te worden met een kabel. Verweerster, als bewaarder van het gebrekkig fietspad, aldus aansprakelijk kon gesteld worden voor de schadelijke gevolgen van het ongeval waarvan eiseres als normaal gebruiker van het fietspad, het slachtoffer werd. Hieraan, zoals gezegd, geen afbreuk doen
(1)het feit dat verweerster mogelijk onwetend was over het gebrek,
(2)het feit dat eiseres mogelijk geen eigen fout had gepleegd ; hierbij evenmin relevant zijn
(3)de omstandigheid dat de kabel, op zichzelf, niet gebrekkig was, of
(4)de omstandigheid dat de kabel over het fietspad kon terechtkomen zijn ingevolge de tussenkomst van een derde. De omstandigheid dat een op zichzelf niet gebrekkige zaak een voor het verkeer gevaarlijke plaats inneemt deze zaak zelf weliswaar niet noodzakelijk gebrekkig maakt, doch dit niet wegneemt dat aldus de rijbaan of het wegdek waarop zich deze zaak bevindt, gebrekkig kan worden. De oorzaak van het gebrek van de zaak, zoals mogelijk de tussenkomst van een derde, op zichzelf de aansprakelijkheid van de bewaarder van de zaak niet opheft, zoals door de rechtbank zelf overigens vastgesteld. De rechtbank kon derhalve niet wettig verweersters aansprakelijkheid op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek uitsluiten. De rechtbank schendt derhalve de artikelen 1382, 1383 en 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, krachtens artikel 135, ,§2, van de Nieuwe Gemeente-wet, de gemeentelijke overheid enkel voldoende veilige wegen mag aanleggen en voor het verkeer openstellen ; dat, behoudens wanneer een vreemde oorzaak die haar niet kan worden aangerekend, haar belet de op haar rustende veiligheidsverplichting na te komen, zij ieder abnormaal gevaar dat de redelijke verwachting van de weggebruikers kan beschamen, ongeacht of het verborgen dan wel zichtbaar is, moet voorkomen door gepaste maatregelen ; Overwegende dat deze verplichting evenwel geen resultaatverbintenis inhoudt ; Dat derhalve, de appèlrechters bij de beoordeling van het bestaan van een fout van de gemeente, hebben kunnen rekening houden met het feit dat de gemeentelijke overheid de bedoelde gevaarssituatie kende dan wel behoorde te kennen ; Overwegende dat het middel dat uitgaat van het tegendeel, niet kan worden aangenomen ; 2. Tweede middel Overwegende dat het middel schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, zonder te preciseren hoe en waardoor de appèlrechters deze bepalingen schenden ; Dat het middel, in zoverre, wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk is ; Overwegende voorts dat een zaak gebrekkig is in de zin van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, indien zij een abnormaal kenmerk vertoont waardoor zij in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken ; Dat het gebrek van de zaak geen intrinsiek of blijvend gebrek van de zaak moet zijn voor de toepasselijkheid van dit artikel ; Dat het gebrek in de zaak in concreto moet worden beoordeeld ; Overwegende dat het bestreden vonnis als algemene regel stelt : "De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van een vreemd voorwerp, zoals een kabel op een fietspad, niet kan worden beschouwd als een kenmerk van dit fietspad" ; Dat het bestreden vonnis zonder in concreto te oordelen, uit die algemene regel afleidt dat de abnormale gesteldheid van de draad geen gebrek uitmaakt van het fietspad ; Dat het bestreden vonnis aldus artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt ; Dat het middel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de vordering van eiseres op grond van artikel 1384, eerste lid, van bet Burgerlijk Wetboek afwijst en uitspraak doet over de kosten ; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ; Veroordeelt eiseres in de helft van de kosten ; Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, zitting houdende in hoger beroep. De kosten begroot op de som van vijfhonderd en vier euro zevenenvijftig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd achtendertig euro tweeënzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Dirk Debruyne, en in openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CABRL:2008:ARR.20080507.13 ECLI:BE:CAMON:2015:ARR.20151217.1 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20161007.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950302.19 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990312.7 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030912.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050203.23 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050425.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060929.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080417.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080911.6 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090511.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091030.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.