← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.8 Rolnummer: C.03.0240.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal privaatrecht - Unierecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 263 - laatst gezien 2026-07-03 13:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie kan niet worden aangemerkt als voorlopige maatregel die bij de rechterlijke autoriteit van een Verdragsluitende Staat kan worden aangevraagd, tenzij gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald indien de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, en de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van de verweerder die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter bevinden

(1).
(1)H.v.J., 17 nov. 1998 in de zaak - C-391/95 - Van Uden Maritime BV, Jur., 1998, I-7091; zie ook de conclusie O.M. Thesaurus CAS: UITVOERBAARVERKLARING Vrije woorden: UITVOERBAARVERKLARING Executieverdrag Bevoegdheid Voorlopige maatregel Begrip Voorschot Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Executieverdrag Bevoegdheid Voorlopige maatregel Begrip Voorschot Fiches 3 - 4 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 28 jan. 2005, AR C.03.0240.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: UITVOERBAARVERKLARING Vrije woorden: UITVOERBAARVERKLARING Executieverdrag Bevoegdheid Voorlopige maatregel Begrip Voorschot Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Executieverdrag Bevoegdheid Voorlopige maatregel Begrip Voorschot Nota: C.03.0240.N CONCLUSIE VAN HET OPENBAAR MINISTERIE
  1. Het bestreden vonnis, op verzet gewezen, en dus, krachtens het artikel 37 van het EEX-Verdrag (Europees Executieverdrag), slechts voor cassatieberoep vatbaar, weigert het door eiser verzochte exequatur te verlenen aan een arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre (Frankrijk, Overzeese Gebieden), dat verweerster veroordeelt tot betaling van een provisie aan eiser, haar verzekerde, doordat diens verzekerd pleziervaartuig zonk tijdens een orkaan in juli
  2. Het vonnis weigert het exequatur op grond van de artikelen 27 en 28 van het EEX-Verdrag, die de erkenning van buitenlandse beslissingen regelen. Het motiveert die weigering als volgt.
  3. Gelet op de bepalingen van de artikelen 8 en 9 (Titel II, afdeling 3, die de bevoegdheid regelt bij geschillen in verzekeringszaken) van het EEX-verdrag, is de rechtbank van Basse-Terre onbevoegd. Deze beslissing wordt niet aangevochten.
  4. Ingevolge het artikel 24 van het EEX-Verdrag is de rechtbank van Basse-Terre weliswaar bevoegd ter zake het bevolen deskundigenonderzoek, doch niet wat betreft de uitgesproken provisionele veroordeling, nu uit niets blijkt dat de terugbetaling ervan is gegarandeerd (bijvoorbeeld door een te stellen waarborg of door een verplichte consignatie) en vooral dat de verweerster beslagbare bezittingen had in het territorium van de aangezochte rechter, terwijl de door het Hof van Justitie gestelde tweede vereiste precies een dergelijk bevelschrift tot betaling - met enkel uitwerking in het buitenland verbiedt. Deze beslissing wordt aangevochten door het tweede middel. Bij gebrek aan tijdige en regelmatige dagvaarding dient het exequatur tevens op grond van het artikel 27,2 van het EEX-Verdrag te worden geweigerd, ook al werd het verstekvonnis van de rechtbank van Basse-Terre geacht op tegenspraak te zijn gewezen en ook al werd de verstekprocedure gevolgd door een tegensprekelijke behandeling in graad van beroep. Deze beslissing wordt aangevochten door het eerste middel.
  5. Het komt nochtans verantwoord voor eerst het tweede middel te onderzoeken: indien het exequatur terecht geweigerd werd wegens onbevoegdheid van de in het land van oorsprong aangezochte rechter, heeft het geen belang meer na te gaan of die rechter op regelmatige wijze werd aangezocht.
  6. Centraal staat dus de bepaling van artikel 24 van het EEX-Verdrag. Deze luidt als volgt: "In de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de rechterlijke autoriteiten van die Staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat krachtens dit Verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen". Eiser, die weliswaar niet betwist dat de rechtbank van Basse-Terre ter zake geen bevoegdheid had krachtens de bepalingen van de artikelen 8 en 9 van het EEX-Verdrag, komt in dit tweede middel op tegen de in het bestreden vonnis gegeven interpretatie van het artikel 24 EEX-Verdrag en de hieraan gehechte gevolgen.
  7. In het eerste onderdeel voert eiser inzonderheid een miskenning aan van het artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek (houdende verbod aan de rechter uitspraak te doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking), doordat de rechter het oordeel dat de rechtbank van Basse-Terre onbevoegd was overeenkomstig het artikel 24 van het EEX-Verdrag enkel steunt op de interpretatie van deze bepaling door het Hof van Justitie, zonder aan te geven waarom hij zich aansluit bij deze beslissing. Dit onderdeel kan evenwel niet worden aangenomen. Het gaat enerzijds voorbij aan de omstandigheid dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, krachtens het artikel 1, eerste lid van het Protocol van 3 juni 1971
(1)bevoegd is om uitspraak te doen over de uitlegging van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en van het aan dat Verdrag gehechte Protocol, beide ondertekend te Brussel op 27 september 1968. Het let anderzijds niet op de omstandigheid dat de rechter, die niet gehouden is de gronden van zijn gronden aan te geven, in het bestreden vonnis niet alleen verwijst naar het arrest Van Uden
(2)van het Hof van Justitie, gewezen in het kader van een prejudiciële beslissing over de uitlegging van, onder meer, dat artikel 24, en zich, ter zake zijn beslissing nopens de vraag naar de bevoegdheid van de rechtbank van Basse-Terre op grond van dat artikel 24, richt naar het interpretatief gezag van dat arrest, doch tevens de desbetreffende motieven van dat arrest tot de zijne maakt, zodat hij zijn beslissing hoe dan ook regelmatig met redenen omkleedt, zonder aan dat arrest een algemene en als regel geldende draagwijdte te verlenen. 7. In het tweede onderdeel voert eiser aan dat, waar het artikel 24 van het EEX-Verdrag geen deel uitmaakt van de afdelingen 3, 4 of 5 van de Tweede Titel van dit Verdrag, de schending van het artikel 24 niet kan leiden tot de weigering van de erkenning en van de tenuitvoerlegging overeenkomstig het artikel 28 van het Verdrag. Dit artikel 28, eerste lid, somt inderdaad, met verwijzing naar de bepalingen van die afdelingen, op beperkende wijze, de gevallen van onbevoegdheid op die tot weigering van erkenning aanleiding geven. Dit onderdeel kan nochtans evenmin slagen. Vooreerst, anders dan het eerste onderdeel, heeft dit onderdeel geen uitstaans met artikel 6 Ger.W., dat in de aanhef van het middel als geschonden wordt aangewezen. Het is dus in zoverre niet ontvankelijk. Voorts weigert het vonnis niet, zoals eiser stelt, de tenuitvoerlegging op grond van een schending van het artikel 24 EEX-Verdrag, doch wel op grond van de vaststelling dat deze uitzonderingsbepaling ter zake niet toepasselijk is, zodat de bevoegdheid van de rechtbank in Basse-Terre dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 8 en 9 van het EEX-Verdrag, waarvan de vastgestelde schending de weigering van de erkenning op grond van het artikel 28 van het Verdrag wettigt. Het vonnis beslist inderdaad dat de vordering van een provisionele veroordeling niet een vordering van een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 is. In het arrest Mietz
(3)benadrukte het Hof van Justitie overigens dat er moet voor gewaakt worden dat de tenuitvoerlegging van voorlopige of bewarende maatregelen, die op de bij artikel 24 Executieverdrag verleende bevoegdheid zijn gebaseerd, doch die deze bevoegdheid overschrijden, niet tot gevolg heeft dat de regels van de artikelen 2 en 5 tot en met 18 Executieverdrag inzake de bevoegdheid tot kennisneming van het bodemgeschil worden omzeild en dat, zo wordt vastgesteld, zoals ter zake, dat de gelaste maatregel - namelijk de onvoorwaardelijke betaling van een voorschot - geen voorlopige of bewarende maatregel in de zin van artikel 24 Executieverdrag is, deze niet op grond van titel III van het Executieverdrag uitvoerbaar kan worden verklaard, behoudens zo - hetgeen ter zake niet wordt voorgehouden - de rechter de maatregel heeft gelast op grond van een aan het Executieverdrag ontleende bevoegdheid om van het bodemgeschil kennis te nemen. Dit onderdeel kan derhalve niet aangenomen worden. 8. In het derde onderdeel van het tweede middel stelt de eiser dat, ingevolge het artikel 24 van het EEX-Verdrag, alle voorlopige of bewarende maatregelen die in de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorzien zijn bij de rechterlijke autoriteiten van die staat kunnen worden aangevraagd, zodat enkel dient te worden nagegaan of de aangevraagde maatregel als een voorlopige of bewarende maatregel wordt gekwalificeerd in de wetgeving van de genoemde Verdragsluitende Staat en dat het bestreden vonnis, door te beslissen dat de provisionele veroordeling slechts als een voorlopige en bewarende maatregel kan worden beschouwd indien de terugbetaling is gegarandeerd en indien de gevorderde maatregel betrekking heeft op vermogensbestanddelen die zich bevinden in het territorium van de aangezochte rechter, aan dat artikel 24 een voorwaarde toevoegt die het niet bevat en deze bepaling derhalve schendt. In het reeds aangehaald arrest Van Uden werd door het Hof van Justitie evenwel voor recht verklaard: " 4) Artikel 24 Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd, dat de toepassing ervan met name afhankelijk is van de voorwaarde, dat er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter. 5) De betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie is geen voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 Executieverdrag, tenzij gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald indien de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, en de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van de verweerder die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter (zullen) bevinden." In het hierboven eveneens reeds aangehaald arrest Mietz werd door het Hof van Justitie in dezelfde zin beslist: " 2) Een vonnis waarbij de betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie wordt gelast en dat in een procedure als die bedoeld in de artikelen 289 tot en met 297 van het Nederlandse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gewezen door een gerecht dat overeenkomstig het Executieverdrag niet bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen, is geen voorlopige maatregel die op grond van artikel 24 van dat Verdrag kan worden toegestaan, tenzij gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald indien de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, en de bevolen maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van de verweerder die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter (zullen) bevinden."
(4)Er dient dan ook te worden aanvaard dat het artikel 24 van het EEX-Verdrag niet werd geschonden doordat het bestreden vonnis, op grond van het interpretatief gezag van de rechtspraak van het Hof van Justitie, inzonderheid van het arrest Van Uden, in dezelfde zin besliste. 9. Waar het zodoende vaststaat dat het bestreden vonnis de erkenning van het arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'Appel de Basse-Terre terecht weigerde op grond van het artikel 28 van het EEX-Verdrag, wegens de op grond van de artikelen 8 en 9 vastgestelde onbevoegdheid van voormeld rechtscollege, kan het eerste middel, dat betrekking heeft op de ten overvloede aangehaalde weigeringsgrond ex artikel 27 van dat Verdrag niet tot cassatie leiden en dient het als onontvankelijk te worden afgewezen. Conclusie : verwerping. __________________________
(1)Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en gemeenschappelijke verklaring, ondertekend te Luxemburg (B.S., 6 augustus 1975).
(2)Arrest van het Hof van Justitie van 17 november 1998 in de zaak - C-391/95 - Van Uden Maritime BV, tevens handelende onder de naam Van Uden Africa Line c./ Kommanditgesellschaft in Firma Deco-Line e.a., gewezen in het kader van een prejudiciële beslissing over de uitlegging van onder meer het artikel 24 van het Verdrag van 27 september 1968, Jur.H.v.J., 1998, I-7091.
(3)Arrest van het Hof van Justitie van 27 april 1999 in de zaak - C-99/96 - H.-H. Mietz c./ Intership Yachting Sneek BV, gewezen in het kader van een prejudiciële beslissing over de uitlegging van onder meer de artikelen 24 en 28 van genoemd Verdrag van 27 september 1968, inzonderheid de punten 47, 49, 54, 55 en 56, Jur.H.v.J., 1999, I-2277.
(4)Zie ook Bourlabah, J., "Les mesures provisoires en droit commercial international: développements récents au regard des Conventions de Bruxelles et de Lugano", T.B.H., 1999, 604 e.v.; Pertegás Sender, M., in Gerechtelijk recht - Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Europees executieverdrag, Afdeling IX, artikel 24, Kluwer. Tekst van de beslissing Nr. C.03.0240.N D.C. eiser, vertegenwoordigd door Mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen PHILIP KNIGHT & C°, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 2000 Antwerpen, Korte Klarenstraat 9, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 4 februari 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.
  1. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen de artikelen 6, 774, tweede lid, en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 26, 27, 2°, 31, eerste lid, en 34, tweede lid, van het Europese Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerleggingen van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, goedgekeurd bij de wet van 13 januari 1971 (hierna het EEXVerdrag genoemd) ; de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel) ; de artikelen 112 en 683 tot 688 van de Franse Nouveau code de procédure civile. Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis verklaart het door verweerster gedane verzet tegen het vonnis van 4 februari 2000 van de tweede B kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen gegrond en beslist dat het exequatur van het arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre moet worden geweigerd overeenkomstig artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag, op grond van de volgende overwegingen : "
  2. Bespreking (Eiser) heeft weliswaar alleen het exequatur gevraagd van het op tegenspraak gewezen arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre, maar dit bevestigt enkel de eerder gevelde beschikking van de Tribunal Mixte de Commerce de Basse-Terre, dat de eigenlijke veroordeling uitgesproken heeft en het arrest kan dus niet los van de beschikking gezien worden. Na onderzoek van alle stukken terzake is de rechtbank van oordeel dat het exequatur moet geweigerd worden op grond van art. 27 en 28 EEX. 4.
  3. De voorwaarden van art. 27,2°, EEX. 4.2.
  4. Algemeen. Art. 27,2°, EEX bepaalt dat het vonnis niet erkend wordt 'indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld'. (Eiser) werpt op dat deze regel niet van toepassing is op huidige zaak, omdat (verweerster) na het verstekvonnis hoger beroep heeft aangetekend en de zaak voor het Cour d'appel van Basse-Terre op tegenspraak werd behandeld ; hij haalt bepaalde rechtsleer aan om voor te houden dat door het instellen van een rechtsmiddel een nieuwe uitspraak in de plaats is gekomen van de bestreden beslissing (zie blz. 6 van zijn tweede aanvullende conclusie). Het Hof van Justitie heeft echter beslist dat men zich voor het beoordelen van de vraag of de rechten van verdediging zijn gerespecteerd, moet plaatsen op het ogenblik van de inleiding van de vordering, ongeacht de mogelijkheid om achteraf een rechtsmiddel aan te wenden, vermits dergelijk rechtsmiddel niet dezelfde waarde heeft als een voor de beslissing gevoerd verweer (zie Hof van Justitie, 12 november 1972, arrest Minalmet, Jur. H.v.J., 1992, 5661, in het bijzonder overwegingen 19 en 20). Ter zake bestaat het eerste vonnis nog wel, omdat het arrest dit bevestigt, en bovendien kan de kritiek in bepaalde rechtsleer (die vooral bekommerd blijkt om de mogelijkheid dat te kwader trouw zijnde debiteurs extra zouden beschermd worden) geen afbreuk doen aan de duidelijke rechtspraak van het Hof van Justitie : de rechtbank ziet geen enkele reden om deze rechtspraak niet te volgen. (Eiser) werpt ook tevergeefs op dat (verweerster) bij de tegensprekelijke behandeling in graad van beroep heeft nagelaten zich op de gebreken van de dagvaarding te beroepen en dat volgens de Franse code de Procédure Civile nietigheden kunnen 'gedekt' worden : dit alles belet niet dat de rechter die door het verzoek tot exequatur gevat is, moet nagaan of de voorwaarden voor exequatur vervuld zijn en of er geen grond tot weigering is op basis van art. 27 en 28 EEX (Broeckx K., in Van Houtte H. en Pertegas Sender M., Europese IPR-Verdragen, blz. 160). 4.2.
  5. Is er een verstekvonnis ? Vooreerst rijst de vraag of er wel een verstekvonnis is, vermits de beschikking van Tribunal Mixte de Commerce de Basse-Terre werd geacht (...) op tegenspraak te zijn gewezen. Volgens het Hof van Justitie (arrest Denilauler, geciteerd door Broeckx K., Commentaar Gerechtelijk Recht, EEX Art. 27-10) is er sprake van een beslissing bij verstek als de verweerder, hoewel tijdig en regelmatig opgeroepen, niet verschenen is of zich niet verdedigd heeft, of als de verweerder werd vertegenwoordigd door een niet-gemandateerde persoon. Ook ons Gerechtelijk Wetboek kent het begrip van vonnis of arrest dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen, maar dit is in feite een juridische fictie: wettelijke bepalingen die deze categorie vonnissen instellen, willen aan het begrip 'vonnis dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen' geen ander rechtsgevolg geven dan dat dit vonnis niet vatbaar is voor verzet ; het zijn dus evenzeer verstekvonnissen (want de verweerder is niet verschenen of heeft zich noch persoonlijk noch door een tussenpersoon verdedigd) met die bijzonderheid dat er enkel hoger beroep tegen ingesteld kan worden (Boularbah H., noot onder arrest Hendrikman, Hof van Justitie, 10 oktober 1996, T.B.H., 1997, blz. 524). 4.2.
  6. Regelmatigheid van de dagvaarding. De voorwaarden van art. 27,2° EEX-Verdrag moeten cumulatief vervuld zijn : het gedinginleidend stuk moet regelmatig én tijdig betekend worden (Broeckx K. in Van Houtte H. en Pertegas Sender M, Europese IPR-Verdragen, blz. 156). In de artikelen 684 e.v. van de Franse code de Procédure Civile is de volgende werkwijze voorzien : toezending per aangetekende brief aan de betrokkene en betekening in tweevoud aan de Procureur, die zorgt voor mededeling aan het Ministerie van Justitie van zijn land, dat zich wendt tot de bevoegde Autoriteit van de andere lidstaat, dewelke op haar beurt zorgt voor de terhandstelling, eventueel bij exploot, aan de betrokkene. Dit is in feite de toepassing van de artikelen 3 tot 6 van het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en in handelszaken, opgemaakt te 's-Gravenhage op 15 november 1965 en door Frankrijk en België goedgekeurd. De rechtsleer schrijft bijzondere omzichtigheid voor ingeval de verweerder verstek laat en adviseert meer bepaald de aangezochte rechter om conform artikel 15 van het Verdrag van 15 november 1965 de beslissing aan te houden, totdat is gebleken dat alle formaliteiten zijn vervuld of dat het stuk aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven, en dat de betekening of afgifte zo tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren (Broeckx K., o.c., blz. 163; Kohl A., Des conditions de la reconnaissance d'une décision intervenue contre un défendeur défaillant. Remarques au sujet de l'article 27, point 2, de la Convention C.E.E. du 27 septembre 1968, Act. Dr., 1992, 822). Het blijkt niet dat de Rechtbank in Basse-Terre deze bepalingen heeft nageleefd en vermits in huidige zaak geen spoedeisendheid is aangetoond, kan de uitzondering van art. 15, laatste lid, van het Verdrag van 15 november 1965 niet gelden ; overigens valt op dat (eiser) zich er in de huidige procedure toe beperkt te verwijzen naar het exploot van gerechtsdeurwaarder B. in Basse-Terre (die enkel bevestigt dat er een aangetekende brief werd verzonden en dat er aan het Parket werd betekend), maar nalaat aan te tonen dat de dagvaarding, na de betekening aan het Parket, de voorgeschreven weg via de Ministeries heeft gevolgd en effectief aan (verweerster) werd uitgereikt (hij brengt zulk bewijs wel voor inzake de betekening van het arrest). Tevergeefs beroept (eiser) zich ook op de beschikking van de beslagrechter te Brussel van 14/10/1999 en gewezen tussen partijen in huidige zaak : de beslagrechter verricht slechts een marginale toetsing en de uiteindelijke beoordeling is voorbehouden aan de bodemrechter, die niet door de beoordeling van de beslagrechter gebonden is (Beslagr. Antwerpen, 26 januari 1993, T. Not., 1993, 239). 4.2.
  7. Tijdigheid van de dagvaarding. Volgens art. 27,2°, EEX moet het gedinginleidend stuk bovendien betekend worden 'zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig is': er moet dus ook nagegaan worden of (verweerster) er tijdig kennis van heeft kunnen nemen en of zij haar verdediging heeft kunnen organiseren : dit is een feitenkwestie (Broeckx K., o. c., blz. 157), maar vermits er ter zake zelfs geen effectieve uitreiking worden aangetoond, is evenmin bewezen dat de kennisgeving 'tijdig' was. In dit verband kan overigens opnieuw verwezen worden naar de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaak Minalmet, met name dat de mogelijkheid om achteraf een rechtsmiddel aan te wenden niet dezelfde waarde heeft als een voor de beslissing gevoerd verweer. Terecht werpt (verweerster) op dat zij een aanleg heeft verloren ; daarbij komt ook de moeilijkheid dat zij in een zwakkere positie staat, nu er reeds een uitvoerbaar vonnis tegen haar uitgesproken is (art. 477 van de Franse code de Procédure Civile) ; zij kon zich niet verzetten tegen het buiten zake stellen van de derde verweerster, kon geen tegeneis stellen of kon bijvoorbeeld geen andere partij in vrijwaring roepen, vermits een nieuwe eis niet voor de eerste maal in beroep mag gesteld worden (art. 564 van de Franse code de Procédure Civile). (Verweerster) wordt ook ernstig gehandicapt in de mogelijkheid om bijvoorbeeld de bevolen expertise tegensprekelijk te maken ten aanzien van de volgens haar aansprakelijke verzekeraar, zelfs wanneer zij de mogelijkheid heeft om achteraf een tweede expertise te doen plaatsvinden of een afzonderlijke vrijwaringseis in te dienen, dan is dit toch niet hetzelfde als een van bij de aanvang gevoerd verweer. Bijgevolg moet ook op grond van art. 27 EEX het exequatur geweigerd worden". Grieven 1.
  8. Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 van het Verdrag genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag bepaalt dat beslissingen niet worden erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld. De weigeringsgrond van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag kan enkel worden ingeroepen wanneer de buitenlandse beslissing, waarvan de erkenning of tenuitvoerlegging wordt gevraagd, bij verstek is gewezen. Deze bepaling heeft tot doel te verzekeren dat een beslissing niet overeenkomstig het Verdrag wordt erkend of tenuitvoergelegd indien de verweerder niet in de gelegenheid is geweest zich voor de rechter van de staat van herkomst te verdedigen. Overeenkomstig artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek mogen de rechters in zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. De rechter die zijn beslissing op de rechtspraak doet steunen, zonder te zeggen waarom hij zich daarbij aansluit, geeft aan die rechtspraak een algemene en als regel geldende draagwijdte en schendt artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek. Eiser voerde in conclusie aan dat het exequatur van het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre van 6 juli 1999 niet kon geweigerd worden op grond van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag nu het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre niet bij verstek maar wel op tegenspraak werd gewezen. Het bestreden vonnis verwerpt dit verweer op grond dat het Hof van Justitie beslist heeft dat men zich voor het beoordelen van de vraag of de rechten van de verdediging zijn gerespecteerd, moet plaatsen op het ogenblik van de inleiding van de vordering, ongeacht de mogelijkheid om achteraf een rechtsmiddel aan te wenden. Het bestreden vonnis overweegt nog dat de kritiek in bepaalde rechtsleer geen afbreuk kan doen aan de duidelijke rechtspraak van het Hof van Justitie en dat de rechtbank geen enkele reden ziet om deze rechtspraak niet te volgen. Aldus doet het bestreden vonnis zijn beslissing steunen op rechtspraak van het Hof van Justitie, zonder te zeggen waarom het zich daarbij aansluit en weigert het de tenuitvoerlegging van het arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre wegens miskenning van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag zonder evenwel zelf de draagwijdte van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag te onderzoeken. Aldus geeft het bestreden vonnis aan de rechtspraak van het Hof van Justitie een algemene en als regel geldende draagwijdte en schendt het de artikelen 6 van het Gerechtelijk Wetboek, 27, 2°, 31, eerste lid, en 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag. 1.
  9. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 van het Verdrag genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 27, 2° van het EEX-Verdrag bepaalt dat beslissingen niet worden erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld. De weigeringsgrond van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag kan enkel worden ingeroepen wanneer de buitenlandse beslissing, waarvan de erkenning of tenuitvoerlegging wordt gevraagd, bij verstek is gewezen. Deze bepaling heeft tot doel te verzekeren dat een beslissing niet overeenkomstig het verdrag wordt erkend of tenuitvoergelegd indien de verweerder niet in de gelegenheid is geweest zich voor de rechter van de staat van herkomst te verdedigen. Een beslissing is bij verstek gewezen als de verweerder, hoewel tijdig en regelmatig opgeroepen, niet verschenen is of zich niet verdedigd heeft. Terzake bestond er tussen de partijen geen betwisting en blijkt uit de vaststellingen van het bestreden vonnis dat de zaak op tegenspraak tussen de partijen behandeld werd door de Cour d'appel de Basse-Terre en dat verweerster derhalve wel de gelegenheid had om zich voor de Cour d'appel te verdedigen. Het is daarbij irrelevant vast te stellen dat het vonnis van de eerste rechter, de Tribunal Mixte de Commerce de Basse-Terre, bij verstek werd gewezen. Enerzijds werd immers niet de tenuitvoerlegging nagestreefd van dit vonnis, maar wel van het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre dat in de plaats kwam van het vonnis van de eerste rechter. Anderzijds is voor de tenuitvoerlegging essentieel dat verweerster verweer heeft kunnen voeren over de tegen haar ingestelde vordering. Het volstaat dan ook dat verweerster zich in hoger beroep heeft kunnen verweren. Gezien het arrest van de Cour d'appel de Basse Terre, waarvan de tenuitvoerlegging werd gevraagd, niet bij verstek doch wel op tegenspraak gewezen, was de weigeringsgrond van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag niet van toepassing. Door de tenuitvoerlegging van het arrest van de Cour d'appel de Basse Terre te weigeren op grond dat het vonnis van de eerste rechter bij verstek werd gewezen, hoewel uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre, waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, op tegenspraak tussen de partijen werd gewezen, schendt het bestreden vonnis de artikelen 27, 2°, 31 en 34 van het EEX-Verdrag. 1.
  10. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag bepaalt dat beslissingen niet worden erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld. Terzake stelt het bestreden vonnis vast dat de gedinginleidende dagvaarding niet regelmatig en niet tijdig betekend werd. Het bestreden vonnis verwerpt het verweer van eiser dat verweerster bij de tegensprekelijke behandeling in hoger beroep heeft nagelaten zich op de gebreken van de dagvaarding te beroepen en de nietigheden van de dagvaarding derhalve gedekt zijn overeenkomstig artikel 112 van de Franse Nouveau Code de procédure civile, op grond van de overweging dat, zelfs indien de eventuele nietigheden volgens het Franse recht gedekt zijn, de rechter die door het verzoek tot exequatur gevat is, moet nagaan of de voorwaarden voor exequatur vervuld zijn en of er geen grond tot weigering is op basis van de artikelen 27 en 28 van het EEX-Verdrag. De toetsing van de regelmatigheid van de betekening overeenkomstig artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag gebeurt op basis van de wettelijke regeling van de staat van herkomst. De artikelen 683 tot 688 van de Franse Nouveau Code de procédure civile bepalen de wijze waarop betekeningen in het buitenland moeten gebeuren. Artikel 112 van de Franse Nouveau Code de procédure civile bepaalt dat nietigheden van proceshandelingen gedekt zijn indien de persoon die de nietigheid inroept, na de nietige proceshandeling, verweer ten gronde gevoerd heeft of middelen van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd zonder ook de nietigheid van de proceshandeling aan te voeren. Indien de nietigheid van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding overeenkomstig de regelgeving van het land van herkomst gedekt is, kan deze betekening niet meer als onregelmatig beschouwd worden in de zin van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag. Deze betekening heeft, overeenkomstig de regels van het land van herkomst, het geding immers op regelmatige wijze ingeleid. Door te beslissen dat de rechter, zelfs ingeval de nietigheid van de betekening van de gedinginleidende dagvaarding overeenkomstig het recht van het land van herkomst gedekt is, de tenuitvoerlegging kan weigeren op grond dat de gedinginleidende dagvaarding onregelmatig werd betekend, schendt het bestreden vonnis de artikelen 27, 2°, 31 en 34 van het EEX-Verdrag en de artikelen 112 en 683 tot 688 van de Franse Nouveau Code de procédure civile. 1.
  11. Vierde onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag bepaalt dat beslissingen niet worden erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld. Het bestreden vonnis beslist dat de gedinginleidende dagvaarding niet regelmatig betekend was, op grond dat de Rechtbank in Basse-Terre artikel 15 van het Verdrag van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke zaken en in handelszaken niet had nageleefd. Met name wordt de tenuitvoerlegging geweigerd op grond dat de Rechtbank in Basse-Terre, gelet op het feit dat verweerster verstek liet gaan, de beslissing niet heeft aangehouden totdat is gebleken dat alle formaliteiten zijn vervuld of dat het stuk aan verweerster in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven, en dat de betekening of afgifte zo tijdig is geschied dat verweerster gelegenheid heeft gehad verweer te voeren. Nu geen van de partijen had aangevoerd dat de Rechtbank te Basse-Terre de zaak overeenkomstig voormeld artikel 15 van het Verdrag van 15 november 1965 had dienen aan te houden en dat de tenuitvoerlegging van het arrest van de Cour d'appel te Basse-Terre om die reden geweigerd diende te worden, werpt het bestreden vonnis een betwisting op die tussen de partijen niet bestond en schendt het artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel). Door verder aan verweerder (lees : eiser) niet de mogelijkheid te geven om verweer te voeren op dit punt, schendt het bestreden vonnis het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Verder verantwoordt de overweging dat de Rechtbank te Basse-Terre artikel 15 van voormeld Verdrag van 15 november 1965 niet heeft nageleefd de beslissing dat de gedinginleidende dagvaarding niet regelmatig was, zodat de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag diende geweigerd te worden, niet naar recht. De tenuitvoerlegging kan immers enkel geweigerd worden indien vaststaat dat de gedinginleidende akte niet regelmatig is betekend. Uit het enkele feit dat de rechter van het land van herkomst zijn beslissing niet heeft aangehouden totdat is gebleken dat alle formaliteiten zijn vervuld of dat het stuk aan verweerster in persoon of aan zijn woonplaats is afgegeven, en dat de betekening of afgifte zo tijdig is geschied dat verweerster gelegenheid heeft gehad verweer te voeren, volgt niet dat de gedinginleidende akte niet regelmatig is betekend. Hieruit volgt dat het bestreden vonnis de artikelen 27, 2°, 31 en 34 van het EEX-Verdrag schendt. 1.
  12. Vijfde onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag bepaalt dat beslissingen niet worden erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld. Het bestreden vonnis weigert de tenuitvoerlegging van het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre op grond van artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag om reden dat eiser zich ertoe beperkt te verwijzen naar het exploot van gerechtsdeurwaarder B. in Basse-Terre (die enkel bevestigt dat er een aangetekende brief werd verzonden en dat er aan het Parket werd betekend), maar nalaat aan te tonen dat de dagvaarding, na de betekening aan het Parket, de voorgeschreven weg via de Ministeries heeft gevolgd en effectief aan verweerster werd uitgereikt. Aldus legt het bestreden vonnis de bewijslast van het feit dat de gedinginleidende akte regelmatig betekend werd bij eiser. Uit de artikelen 26, 31 en 34 van het EEX-Verdrag volgt dat beslissingen die in een Verdragsluitende Staat worden gewezen in principe moeten worden erkend en tenuitvoergelegd in de overige Verdragsluitende Staten. Slechts om de in de artikelen 27 en 28 van het EEX-Verdrag bepaalde redenen kan de erkenning en tenuitvoerlegging worden geweigerd. Overeenkomstig de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek dient iedere partij het bewijs te leveren van de feiten die zij aanvoert. Daar rechterlijke beslissingen die in een Verdragsluitende Staat worden gewezen in principe moeten worden erkend en kunnen worden tenuitvoergelegd in de overige Verdragsluitende Staten, dient de partij die aanvoert dat de betekening van de gedinginleidende akte niet regelmatig gebeurde het bewijs daarvan te leveren. Terzake beslist het bestreden vonnis dat eiser nalaat aan te tonen dat de dagvaarding, na de betekening aan het Parket, de voorgeschreven weg via de Ministeries heeft gevolgd en effectief aan verweerster werd uitgereikt. Aldus legt het bestreden vonnis de bewijslast van het feit dat de gedinginleidende akte regelmatig betekend werd bij eiser en schendt het de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 26, 27, 2°, 31 en 34 van het EEX-Verdrag. 1.
  13. Zesde onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 27, 2°, van het EEX-Verdrag bepaalt dat beslissingen niet worden erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet regelmatig en zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, is betekend of is medegedeeld. Het bestreden vonnis weigert bovendien de tenuitvoerlegging van het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre op grond dat niet aangetoond wordt dat de gedinginleidende akte aan verweerster betekend werd zo tijdig als met het oog op haar verdediging nodig is. Het bestreden vonnis overweegt dat, nu er zelfs geen effectieve uitreiking wordt aangetoond, evenmin bewezen is dat de kennisgeving tijdig was. Om de redenen aangegeven in het vierde onderdeel (lees : vijfde onderdeel) dient overeenkomstig de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek en 26, 27, 2°, 31 en 34 van het EEX-Verdrag de partij die aanvoert dat de betekening niet tijdig gebeurde, het bewijs hiervan te leveren. Door te overwegen dat nu er zelfs geen effectieve uitreiking wordt aangetoond, evenmin bewezen is dat de kennisgeving tijdig was, legt het bestreden vonnis de bewijslast van het feit dat de gedinginleidende akte tijdig betekend werd bij eiser en schendt het de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 26, 27, 2°, 31 en 34 van het EEX-Verdrag.
  14. Tweede middel Geschonden wetsbepalingen artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 24, 28, 31, eerste lid, en 34, tweede lid, van het Europese Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerleggingen van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Brussel op 27 september 1968, goedgekeurd bij de wet van 13 januari 1971 (hierna het EEXVerdrag genoemd). Aangevochten beslissingen Het bestreden vonnis beslist dat het exequatur van het arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre moet worden geweigerd op grond van artikel 28 van het EEX-Verdrag, op grond van de volgende overwegingen : "
  15. Bespreking (Eiser) heeft weliswaar alleen het exequatur gevraagd van het op tegenspraak gewezen arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre, maar dit bevestigt enkel de eerder gevelde beschikking van de Tribunal Mixte de Commerce de Basse-Terre, dat de eigenlijke veroordeling uitgesproken heeft en het arrest kan dus niet los van de beschikking gezien worden. Na onderzoek van alle stukken terzake is de rechtbank van oordeel dat het exequatur moet geweigerd worden op grond van art. 27 en 28 EEX. 4.
  16. De bevoegdheidsregels 4.1.
  17. De territoriale bevoegdheidsregels Afdeling 3 van Titel II van het EEX-Verdrag regelt de bevoegdheid in verzekeringszaken ; in art. 8 is bepaald dat de verzekeraar, met woonplaats op het grondgebeid van een Verdragsluitende Staat, kan worden opgeroepen ofwel voor de gerechten van zijn woonplaats, ofwel in een andere Verdragsluitende Staat, voor het gerecht van de woonplaats van de verzekeringsnemer of voor het gerecht van de woonplaats van de medeverzekeraar. Vermits (eiser) geen woonplaats heeft in een Verdragsluitende Staat, was op grond van deze bepaling enkel de Belgische rechter (woonplaats, (verweerster) of de Britse rechter bevoegd (woonplaats van de twee andere oorspronkelijk gedaagden). De rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan is slechts bevoegd ingeval van aansprakelijkheidsverzekering of wanneer de verzekering betrekking heeft op onroerende goederen (art. 9 EEX) ; in huidig geval betreft het een schade- of sommenverzekering en gaat het om een roerend goed (pleziervaartuig). Op grond van deze bepalingen was de Rechtbank in Basse-Terre onbevoegd. 4.1.
  18. De bijzondere bevoegdheid voor bewarende of voorlopige maatregelen. Een uitzondering op de eerder genoemde bevoegdheidsbepalingen vormt artikel 24 EEX, dat bepaalt dat in de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen bij de rechterlijke autoriteiten van die Staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat krachtens dit Verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. Volgens het Hof van Justitie vallen hieronder maatregelen die bedoeld zijn om een feitelijke of juridische situatie te handhaven, ter bewaring van rechten waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt (arrest Reichert II, geciteerd door Van Houtte H. en Pertegas Sender M., Europese IPR-Verdragen, Leuven 1997, blz. 131); hoogdringendheid is als zodanig echter niet vereist. Er zijn dus twee toepasselijkheidsvereisten : het moet gaan om voorlopige maatregelen, en zij moeten tot doel hebben een bepaalde situatie te behouden (o.m. beslag) ; een maatregel bedoeld om bewijsmateriaal dat verloren dreigt te gaan veilig te stellen valt er ook onder (Pertegas Sender M., Commentaar Gerechtelijk Recht, EEX art. 24-9). Indien de ter zake bevolen expertise als "voorlopige en bewarende maatregel" kan beschouwd worden, dan geldt dit echter niet voor de ter zake uitgesproken provisionele veroordeling: opdat een voorschot op een contractuele prestatie onder toepassing van art. 24 EEX zou vallen is vereist dat niet alleen terugbetaling is gegarandeerd, maar ook dat de gevorderde maatregel betrekking heeft op vermogensbestanddelen die zich bevinden in het territorium van de aangezochte rechter (arrest Uden van het Hof van Justitie, geciteerd door Pertegas Sender M., o.c., EEX art. 24-8). Hoewel het om een provisionele veroordeling gaat, en art. 488 van de Franse Code de Procédure Civile bepaalt dat een uitspraak in kort geding geen gezag van gewijsde heeft in de procedure ten gronde, blijkt uit niets dat terzake terugbetaling is gegarandeerd (bijvoorbeeld door een te stellen waarborg of door een verplichte consignatie); vooral echter blijkt niet dat (verweerster) beslagbare bezittingen had in het territorium van de aangezochte rechter, dus in de Franse Overzeese Gebieden, terwijl de door het Hof van Justitie gestelde tweede vereiste precies een dergelijke bevelschrift tot betaling - met enkel uitwerking in het buitenland - verbiedt (Pertegas Sender M., l.c.). Bijgevolg waren terzake de Rechtbanken van Basse-Terre evenmin bevoegd overeenkomstig art. 24 EEX ; op grond van art. 28 EEX moet dus alleszins het exequatur geweigerd worden". Grieven 2.
  19. Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 28 van het EEX-Verdrag bepaalt dat de beslissingen niet worden erkend, indien de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5, van de Tweede Titel zijn geschonden, alsook indien het in artikel 59 bedoelde geval zich voordoet. Overeenkomstig artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek mogen de rechters in zaken die aan hun oordeel onderworpen zijn, geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking. De rechter die zijn beslissing op de rechtspraak doet steunen, zonder te zeggen waarom hij zich daarbij aansluit, geeft aan die rechtspraak een algemene en als regel geldende draagwijdte en schendt artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden vonnis beslist dat het exequatur geweigerd moet worden van het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre van 6 juli 1999 op grond dat de rechtbanken van Basse-Terre niet bevoegd waren overeenkomstig afdeling 3 van de tweede titel van het EEX-Verdrag en evenmin overeenkomstig artikel 24 van het EEX-Verdrag. De rechter steunt zijn beslissing in het bestreden vonnis dat de rechtbanken van Basse-Terre niet bevoegd waren overeenkomstig artikel 24 van het EEX-Verdrag uitsluitend op de interpretatie door het Hof van Justitie van deze bepaling, zonder aan te geven waarom hij zich daarbij aansluit en weigert de tenuitvoerlegging van het arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre op grond van voormelde redenen zonder evenwel zelf de toepassingsvoorwaarden van artikel 24 van het EEX-Verdrag te onderzoeken. Aldus geeft het bestreden vonnis aan de rechtspraak van het Hof van Justitie een algemene en als regel geldende draagwijdte en schendt het de artikelen 6 van het Gerechtelijk Wetboek, 24, 28, 31, eerste lid, en 34 van het EEX-Verdrag. 2.
  20. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 28 van het EEX-Verdrag bepaalt dat de beslissingen niet worden erkend, indien de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5, van de Tweede Titel zijn geschonden, alsook indien het in artikel 59 bedoelde geval zich voordoet. Bij de toetsing of de in het eerste lid van deze bepaling genoemde bevoegdheidsregels niet zijn geschonden, is de aangezochte autoriteit gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de Staat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, mag de bevoegdheid van de gerechten van de Staat van herkomst niet worden getoetst. De bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 27, punt
  21. Uit deze regels volgt dat de bevoegdheid van de gerechten van de staat van herkomst in principe niet mag worden getoetst. De tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing kan derhalve niet geweigerd worden wegens schending van de internationale bevoegdheidsregels door de rechter van de staat van herkomst. Artikel 28 van het EEX-Verdrag bepaalt op limitatieve gronden in welke gevallen beslissingen niet erkend en tenuitvoer gelegd kunnen worden. Dit is met name het geval indien de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5 van de Tweede Titel zijn geschonden, alsook indien het in artikel 59 bedoelde geval zich voordoet. Het betreft in het bijzonder schendingen van de regels van bevoegdheid in verzekeringszaken, van de regels van bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten en van een aantal exclusieve bevoegdheidsregels. De regels van bevoegdheid inzake voorlopige maatregelen en maatregelen tot bewaring van recht zoals vervat in artikel 24 van het EEX-Verdrag zijn niet opgesomd in artikel 28, eerste lid, van het EEX-Verdrag, zodat de schending van deze regels er niet toe kan leiden dat de erkenning en tenuitvoeringlegging van een beslissing wordt geweigerd om reden dat artikel 24 van het EEX-Verdrag geschonden werd. De bevoegdheid van de gerechten van de Staat van herkomst mag immers in principe niet worden getoetst. De uitzonderingen op deze regel worden limitatief opgesomd in artikel 28, eerste lid, van het EEX-Verdrag. Het bestreden vonnis beslist dat de Rechtbanken van Basse-Terre niet bevoegd waren overeenkomstig artikel 24 van het EEX-Verdrag, zodat op grond van artikel 28 van het EEX-Verdrag het exequatur geweigerd moet worden. Aldus weigert het bestreden vonnis de tenuitvoerlegging op grond van een schending van artikel 24 van het EEX-Verdrag. Nu artikel 24 geen deel uitmaakt van de afdelingen 3, 4 of 5 van de Tweede Titel van het EEX-Verdrag, kan de schending van artikel 24 van het EEX-Verdrag niet leiden tot de weigering van de erkenning en van de tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 28 van het Verdrag. Door anders te beslissen schendt het bestreden vonnis de in het middel genoemde bepalingen. 2.
  22. Derde onderdeel Overeenkomstig artikel 31, eerste lid, van het EEX-Verdrag kunnen de beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag kan het verzoek tot tenuitvoerlegging slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen. Artikel 28 van het EEX-Verdrag bepaalt dat de beslissingen niet worden erkend, indien de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5, van de tweede titel zijn geschonden, alsook indien het in artikel 59 bedoelde geval zich voordoet. Het bestreden vonnis beslist dat het exequatur geweigerd moet worden van het arrest van de Cour d' appel de Basse-Terre van 6 juli 1999 op grond dat de rechtbanken van Basse-Terre niet bevoegd waren overeenkomstig afdeling 3 van de tweede titel van het EEX-Verdrag en evenmin overeenkomstig artikel 24 van het EEX-Verdrag. Overeenkomstig artikel 24 van het EEX-Verdrag kunnen de in de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen bij de rechterlijke autoriteiten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat krachtens dit Verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. Artikel 24 van het EEX-Verdrag bepaalt aldus uitdrukkelijk dat alle voorlopige of bewarende maatregelen die in de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorzien zijn bij de rechterlijke autoriteiten van die staat kunnen worden aangevraagd. Derhalve is voor de toepassing van artikel 24 van het EEX-Verdrag bepalend of de aangevraagde maatregel als een voorlopige of bewarende maatregel gekwalificeerd wordt in de wetgeving van de genoemde Verdragsluitende Staat. Artikel 24 van het EEX-Verdrag bevat geen enkele andere voorwaarde waaraan een voorlopige of bewarende maatregel moet voldoen om overeenkomstig artikel 24 van het EEX-Verdrag te kunnen worden aangevraagd. Terzake bestond tussen de partijen geen betwisting dat de door eiser bekomen provisionele veroordeling een maatregel was die in de Franse wetgeving voorzien was en volgens diezelfde wetgeving een voorlopige of bewarende maatregel uitmaakte. Door te beslissen dat de provisionele veroordeling slechts als een voorlopige en bewarende maatregel kan beschouwd worden indien de terugbetaling is gegarandeerd én indien de gevorderde maatregel betrekking heeft op vermogensbestanddelen die zich bevinden in het territorium van de aangezochte rechter, voegt het bestreden vonnis een voorwaarde toe aan artikel 24 van het EEX-Verdag dat het niet bevat en schendt het deze bepaling. Door verder op grond van de hier aangevochten overwegingen het exequatur te weigeren van het arrest van de Cour d'appel de Basse-Terre, schendt het bestreden vonnis de artikelen 24, 28, 31, eerste lid, en 34, tweede lid, van het EEX-Verdrag. IV. Beslissing van het Hof Tweede middel Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden vonnis oordeelt : "indien de terzake bevolen expertise als 'voorlopige en bewarende maatregel' kan beschouwd worden, dan geldt dit echter niet voor de terzake uitgesproken provisionele veroordeling : opdat een voorschot op een contractuele prestatie onder toepassing van artikel 24 EEX zou vallen is vereist dat niet alleen terugbetaling is gegarandeerd, maar ook dat de gevorderde maatregel betrekking heeft op vermogensbestanddelen die zich bevinden in het territorium van de aangezochte rechter (arrest Uden van het Hof van Justitie, geciteerd door Pertegas Sender M., Commentaar gerechtelijk recht., EEX art. 24-8)" ; Dat het arrest aldus, anders dan het onderdeel aanvoert, zelf de draagwijdte bepaalt van artikel 24 EEX-Verdrag met verwijzing naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zonder aan dit arrest een algemene en als regel geldende draagwijdte te geven ; Dat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mitsdien feitelijke grondslag mist ; 1.
  23. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel niet aangeeft hoe en waardoor het bestreden vonnis artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek schendt ; Dat het onderdeel, in zoverre het die wettelijke bepaling als geschonden aanwijst, onnauwkeurig mitsdien niet ontvankelijk is ; Overwegende verder dat het bestreden vonnis vooreerst oordeelt, zonder op dit punt te worden bekritiseerd, dat de rechtbanken van Basse-Terre, gelet op de artikelen 8 en 9 EEX-Verdrag ter zake onbevoegd waren ; Dat het bestreden vonnis vervolgens oordeelt dat het arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre in de mate dat het een provisionele veroordeling uitspreekt geen voorlopige maatregel of maatregel tot bewaring van recht beveelt in de zin van artikel 24 EEX-Verdrag ; Dat het bestreden vonnis aldus aangeeft dat de bevoegdheid van de rechtbanken van Basse-Terre geen steun vindt in artikel 24 EEX-Verdrag en dus op grond van die bepaling niet ontsnapt aan de toetsing van de bevoegdheidsregels krachtens artikel 28 EEX-Verdrag ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat het bestreden arrest het exequatur weigert op grond van een schending door de rechtbanken van Basse-Terre van artikel 24 EEX-Verdrag, berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mitsdien in zoverre feitelijke grondslag mist ; 1.
  24. Derde onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 24 EEX-Verdrag, in de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen bij de rechterlijke autoriteit van die Staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat krachtens het verdrag bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen ; Dat, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 november 1998 in de zaak C-391/95 van Uden, die bepaling aldus moet gelezen worden dat de betaling van een voorschot op een contractuele tegenprestatie niet als voorlopige maatregel in de zin van genoemde bepaling kan worden aangemerkt, tenzij gegarandeerd is dat het toegewezen bedrag aan de verweerder wordt terugbetaald indien de eiser in het bodemgeschil in het ongelijk mocht worden gesteld, en de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van de verweerder die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter bevinden ; Overwegende dat het bestreden vonnis door, op grond van het interpretatief gezag van voormeld arrest van het Hof van Justitie, te oordelen dat de door de Cour d'appel de Basse-Terre uitgesproken provisionele vergoeding niet als een voorlopige of bewarende maatregel kan beschouwd worden indien de terugbetaling niet is gegarandeerd en de gevorderde maatregel geen betrekking heeft op vermogensbestanddelen die zich in het territorium van de aangezochte rechter bevinden en op grond hiervan het verzoek tot exequatur van die beslissing te weigeren, de in het onderdeel aangewezen wettelijke bepalingen niet schendt ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ;
  25. Eerste middel Alle onderdelen samen Overwegende dat het bestreden vonnis het verzoek van eiser tot het verkrijgen van het exequatur van het arrest van 6 juli 1999 van de Cour d'appel de Basse-Terre niet alleen afwijst op grond van artikel 27 EEX-Verdrag, maar tevens op de zelfstandige en in het tweede middel tevergeefs bekritiseerde reden dat voormeld rechtscollege onbevoegd was overeenkomstig de artikelen 8 en 9 EEX-Verdrag, zodat haar beslissing krachtens artikel 28 van hetzelfde verdrag niet wordt erkend ; Dat het middel, ook al was het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd zevenenvijftig euro vierenzestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd en zes euro drieënzestig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.