id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.9 Rolnummer: C.03.0541.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Sociale-zekerheidsrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-11-15 Raadplegingen: 234 - laatst gezien 2026-07-04 12:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De verplichting, overeenkomstig de artikelen 402 W.I.B. 1992 en 30bis, ,§ 3 R.S.Z.-wet, van degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde aannemer-medecontractant, van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, bij iedere betaling die hij aan die medecontractant doet, tweemaal 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag in te houden en te storten, resp. aan de fiscus en aan de R.S.Z., is ook toepasselijk op de betaling aan de schuldeiser aan wie de factuur van die aannemer werd geëndosseerd
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Verplichte inhoudingen Geregistreerde aannemer Schrapping Factuur Endossement Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Verplichte inhoudingen Geregistreerde aannemer Schrapping Factuur Endossement Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Schatkist Verplichte inhoudingen Geregistreerde aannemer Schrapping Factuur Endossement Fiche 4 De verplichting, overeenkomstig de artikelen 402 W.I.B. 1992 en 30bis, ,§ 3, R.S.Z.-wet, van degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde aannneme-medecontractant, van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, bij iedere betaling die hij aan die medecontractant doet, tweemaal 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag in te houden en te storten, resp. aan de fiscus en aan de R.S.Z., is van openbare orde
(1).
(1)zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Geregistreerde aannemer Verplichte inhoudingen Aard Fiche 5 De verplichting, overeenkomstig de artikelen 402 W.I.B. 1992 en 30bis, ,§ 3, R.S.Z.-wet, van degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde aannneme-medecontractant, van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, bij iedere betaling die hij aan die medecontractant doet, tweemaal 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag in te houden en te storten, resp. aan de fiscus en aan de R.S.Z., is van openbare orde
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Geregistreerde aannemer Verplichte inhoudingen Aard Fiche 6 De verplichting, overeenkomstig de artikelen 402 W.I.B. 1992 en 30bis, ,§ 3, R.S.Z.-wet, van degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde aannneme-medecontractant, van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, bij iedere betaling die hij aan die medecontractant doet, tweemaal 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag in te houden en te storten, resp. aan de fiscus en aan de R.S.Z., is van openbare orde
(1).
(1)zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Schatkist Geregistreerde aannemer Verplichte inhoudingen Aard Fiches 7 - 9 De verplichting, overeenkomstig de artikelen 402 W.I.B. 1992 en 30bis, ,§ 3, R.S.Z.-wet, van degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde aannemer-medecontractant, van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, bij iedere betaling die hij aan die medecontractant doet, tweemaal 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag in te houden en te storten, resp. aan de fiscus en aan de R.S.Z., ontstaat door die enkele schrapping
(1).
(1)Zie de conclusie O.M. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Geregistreerde aannemer Schrapping Verplichte inhoudingen Tijdstip Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Geregistreerde aannemer Schrapping Verplichte inhoudingen Tijdstip Thesaurus CAS: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Vrije woorden: VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Schatkist Geregistreerde aannemer Schrapping Verplichte inhoudingen Tijdstip Fiches 10 - 18 Concl. adv.-gen. DUBRULLE, Cass., 28 jan. 2005, AR C.03.0541.N, A.C., 2005, nr ... Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Verplichte inhoudingen Geregistreerde aannemer Schrapping Factuur Endossement SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Verplichte inhoudingen Geregistreerde aannemer Schrapping Factuur Endossement Gevolg VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Schatkist Verplichte inhoudingen Geregistreerde aannemer Schrapping Factuur Endossement INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Geregistreerde aannemer Verplichte inhoudingen Aard SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Geregistreerde aannemer Verplichte inhoudingen Aard VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Schatkist Geregistreerde aannemer Verplichte inhoudingen Aard INKOMSTENBELASTINGEN - RECHTEN, TENUITVOERLEGGING EN VOORRECHTEN VAN DE SCHATKIST Geregistreerde aannemer Schrapping Verplichte inhoudingen Tijdstip SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Geregistreerde aannemer Schrapping Verplichte inhoudingen Tijdstip VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - BIJZONDER VOORRECHT Schatkist Geregistreerde aannemer Schrapping Verplichte inhoudingen Tijdstip Nota: C.03.0541.N Conclusie van het openbaar ministerie De verweersters, de Stad Sint-Truiden en de gemeente Balen, hebben in 1995 aan de aannemer N.V. Euro Trade Partners, later in staat van faillissement verklaard, namelijk bij vonnis van 28 november 1995 en thans vertegenwoordigd door de in bindendverklaring van het arrest opgeroepen curatoren, opdracht gegeven werken uit te voeren. Deze aannemer liet de werken in onderaanneming uitvoeren door een Nederlands bedrijf en endosseerde de aan verweersters gerichte facturen aan eiseres. Op 23 februari 1996 werd de schrapping van de registratie van deze aannemer in het bijvoegsel van het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, zoals voorgeschreven door artikel 20 ,§2 van het Koninklijk besluit van 5 oktober 1978. Het bestreden arrest zegt voor recht: - dat eiseres geen aanspraak kan maken op het totaalbedrag van die facturen, voor zover de betaling ervan gebeurt of gebeurd is nadat die schrapping tegenover derden uitwerking heeft gekregen ingevolge die bekendmaking en - dat verweersters gehouden zijn de inhoudingen en doorstortingen te verrichten overeenkomstig artikel 20, ,§2 van het Koninklijk besluit van 5 oktober 1978 tot uitvoering van de artikelen 299bis en 299ter ,§6,2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van de artikelen 30bis en 30ter, ,§9, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (deze toepasselijke bepalingen zijn inmiddels gewijzigd of opgeheven; o.m. werd het opschrift van het K.B. in die zin gewijzigd dat het strekt tot uitvoering van de artikelen 400 tot 404 (oud) en 408, ,§2,2° van het W.I.B.). Het eerste onderdeel van het ENIG cassatiemiddel voert een schending aan van deze toepasselijke bepalingen, meer bepaald van de artikelen 402 (oud) W.I.B. 1992 en 30bis, ,§ 3 (oud) R.S.Z.-wet, die degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde medecontractant van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, verplicht bij elke betaling aan zijn medecontractant verricht na de schrapping van de registratie, 15 % van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief B.T.W., in te houden en te storten bij de door de Koning aan te wijzen ambtenaar, resp. bij de R.M.Z., volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten. Volgens dit onderdeel dienen deze inhoudingen enkel te gebeuren bij betaling aan de niet geregistreerde medecontractant zelf ... en dus niet bij betaling aan degene aan wie de schuldvordering van de medecontractant werd overgedragen, zoals aan eiseres, aan wie de facturen, voor de schrapping, geëndosseerd werden. Eiseres meent dus gerechtigd te zijn op de volledige betaling van haar schuldvordering. De bedoelde bepalingen zijn ingegeven door het opzet van de wetgever de belangrijke fiscale en sociale fraude van koppelbazen te bestrijden. Het lijdt geen twijfel dat ze van openbare orde zijn. Deze ratio legis was reeds in Uw arresten van 11 juni 1987
(1)en 8 oktober 1987
(2)de reden om ze zelfs in geval van faillissement toepasselijk te verklaren. Het betrof telkens het - als in het tweede lid van artikel 402 (het toenmalig artikel 299bis, ,§3) W.I.B.) bedoeld geval van geschrapte registratie. In deze casus rijst niet de vraag naar de repercussie van het faillissement van de aannemer (dat dus samenloop van schuldeisers doet ontstaan) op de toepasselijkheid van die bepalingen, dan wel naar de weerslag van het endossement van diens facturen, terwijl in dezen de schatkist daadwerkelijk de voormelde door de opdrachtgever daarop te verrichten inhoudingen opeist. Aldus maken twee schuldeisers aanspraak op dezelfde 15% van die facturen. Naar mijn oordeel ligt evenwel dezelfde oplossing voor de hand. Al neemt, ingevolge dat endossement, de geëndosseerde de plaats in van de oorspronkelijke schuldeiser en al gaat het endossement aan de schrapping van diens registratie vooraf, het is niet verenigbaar is met het voornoemde doel van de wetgever dat de geëndosseerde de aangevoerde beperking van de verplichting tot inhouding (ten nadele van de schatkist) zou kunnen inroepen. Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat de bedoelde inhoudingen enkel dienen te gebeuren bij een betaling aan de medecontractant zelf, faalt dus naar recht. Het tweede onderdeel voert een schending aan van dezelfde bepalingen, alsook van de artikelen 13 en 16 van de Wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen en van de artikelen 1690, 1691 en 1692 van het Burgerlijk Wetboek. Eiseres neemt hier als standpunt dat ze als cessionaris van de schuldvordering de voorkeur heeft op de verweerder, de schatkist, die een rechtstreekse vordering heeft, omdat de overdracht van die schuldvordering voorafgaat aan de schrapping, oorsprong van die rechtstreekse vordering. Vooreerst blijkt uit de processtukken niet dat de figuur van artikel 1690, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek d.i. de overdracht van dezelfde rechten aan verscheidene overnemers - te dezen aan de orde is, noch dat het arrest daarvan toepassing zou maken. Voorts gaat het onderdeel er ten onrechte van uit dat eiseres zich kan beroepen op een "exceptie", of "voorkeur" omdat de overdracht voorafgaat aan de rechtstreekse vordering. Zoals gesteld m.b.t. het eerste onderdeel, is de verplichting tot inhouding van openbare orde, zodat als de betaling nog dient te gebeuren - ze ontstaat door de enkele schrapping van de registratie van de aannemer en blijft ze van toepassing ongeacht de overdracht. Het onderdeel gaat er ook ten onrechte van uit
- dat de schrapping een "exceptie" verleent om 15 pct. van het verschuldigde bedrag in te houden, nu zulks een wettelijke verplichting is;
- dat de rechtstreekse vordering niet meer kon ontstaan, nu bij betaling na schrapping de bouwheer geen schuldenaar meer was van de aannemer, schuldenaar van de Belgische Staat. Deze antwoordt terecht dat de schuldvordering van de schatkist geen bestanddeel is van een private rechtsverhouding maar dat ze ontstaan is uit kracht van de wet en niet door private overeenkomsten tussen de opeenvolgende schuldeisers van een factuur kan aangetast worden. De latere versies van de geviseerde fiscale bepalingen bevestigen trouwens de bedoeling van de wetgever: de verplichting tot inhouding blijft bestaan in geval van faillissement of elke andere samenloop van schuldeisers alsook bij cessie, beslag onder derden, inpandgeving of inbetalinggeving of in artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtstreekse vordering. Derhalve faalt dit onderdeel naar recht. Het derde onderdeel gaat ervan uit dat het arrest toepassing maakt van artikel 404,,§ 2 (oud) WIB. Het mist feitelijke grondslag. Met verwijzing naar artikel 402 WIB oordeelt het arrest dat de verweersters tot inhouding verplicht waren, "ongeacht het feit of het artikel 404 W.I.B. '92 al dan niet in werking was getreden op 12 oktober 1995". Het vierde onderdeel, ten slotte, mist eveneens feitelijke grondslag in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 1165 en 1167 B.W., nu het er verkeerdelijk vanuit gaat dat het arrest, op grond van de geciteerde overwegingen, beslist dat de endossementen niet tegenstelbaar zijn aan derde verweerder, in toepassing van art. 1167 B.W.: het arrest bevat deze beslissing niet. Het kan niet aangenomen worden in zoverre het een schending van art. 149 G.W. aanvoert, meer bepaald een gebrek aan antwoord op het desbetreffend verweer van eiseres. Gelet op de beslissing dat het plaatsvinden van de endossementen in de verdachte periode geen afbreuk doet aan de bepalingen van openbare orde, bevat in de artikelen 400 e.v. W.I.B., zodat het derdenverzet van de Belgische Staat gegrond is, diende het arrest niet meer te antwoorden op dat niet meer dienend verweer van eiseres. Conclusie: verwerping. ___________________________
(1)A.R. 7669, nr. 616.
(2)A.R. 7812 en 7954, nr. 83. Tekst van de beslissing Nr. C.03.0541.N INTERNATIONAL FACTORS, naamloze vennootschap, met zetel te 1050 Elsene, Kroonlaan 358, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 316.228 en in de kruispuntbank der ondernemingen, nummer 0403.278.488, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. STAD SINT-TRUIDEN, vertegenwoordigd door haar college van burgermeester en schepenen, met burelen te 3800 Sint-Truiden, Kazernestraat 13, 2. GEMEENTE BALEN, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met burelen te 2490 Balen, Vredelaan 1, verweersters, 3. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt : 1. de ontvanger der directe belastingen Mechelen vennootschappen 4, met burelen te 2500 Lier, Kruisbogenstraat 24, 2. de ontvanger der directe belastingen en bijzondere ontvangsten te Brussel 3, met burelen te 1030 Brussel, Paleizenstraat 48, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Ignace Claeys Bouuaert, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9000 Gent, Paul Fredericqstraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en ten aanzien van 4.
- a)V.J. advocaat, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Euro Trade Partners, met zetel te 2230 Herselt, Provinciebaan 53, met kabinet te 4.
- b)B.W., advocaat, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Euro Trade Partners, met zetel te 2230 Herselt, Provinciebaan 53, met kabinet te tot bindendverklaring opgeroepen partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 1 april 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Feiten De feiten kunnen blijkens de voorziening als volgt worden samengevat : P. Groenen BV is een Nederlands stratenmakersbedrijf dat in 1995 in onderaanneming voor Euro Trade Partners NV werken heeft uitgevoerd waarvan de eerste verweerster en de tweede verweerster bouwheren waren. Voor deze werken reikte zij aan Euro Trade Partners NV een zevental facturen uit voor een totaal bedrag van 2.428.870 BEF. De NV Euro Trade Partners reikte voor deze aannemingen een factuur uit aan de eerste verweerster voor een bedrag van 3.243.627 BEF en aan de tweede verweerster voor een bedrag van 716.274 BEF. Deze facturen werden door de NV Euro Trade Partners geëndosseerd aan eiseres, die daarvan kennis gaf aan de eerste verweerster bij aangetekende brief van 11 oktober 1995 en deurwaardersexploot van 22 november 1995 en aan de tweede verweerster bij aangetekende brief van 18 oktober 1995 en deurwaardersexploot van 22 november 1995. Bij aangetekende brief van 30 november 1995 stelde P. Groenen BV Euro Trade Partners NV in gebreke. Bij aangetekende brieven van 6 november 1995 aan de eerste verweerster, de Stad Lommel en de tweede verweerster liet zij weten dat zij gebruik wilde maken van haar rechtstreeks vorderingsrecht als onderaannemer en krachtens artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek van elk van hen betaling vorderde van 2.781.834 BEF, zijnde het factuurtotaal meer moratoire interest en schadebeding. Bij aangetekende brief van 9 november 1995 antwoordde de tweede verweerster dat de enige schuldvordering die Euro Trade Partners NV nog op haar had op dat ogenblik reeds geëndosseerd was en derhalve aan de geëndosseerde zou betaald worden. Op 7 november 1995 antwoordde de Stad Lommel dat zij met Euro Trade Partners NV geen contract had gesloten en deze firma voor haar ook geen werken had uitgevoerd. Bij exploten van 8, 9 en 10 november 1995 liet P. Groenen NV Euro Trade Partners NV, de eerste verweerster, de Stad Lommel en de tweede verweerster dagvaarden voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt. P. Groenen BV eiste dat Trade Partners NV veroordeeld zou worden tot betaling van 2.781.834 BEF meer interest en dat de eerste verweerster, de Stad Lommel en de tweede verweerster veroordeeld zouden worden om aan haar de bedragen te betalen die zij respectievelijk verschuldigd zijn aan Euro Trade Partners NV. Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout van 28 november 1995 werd de NV Euro Trade Partners failliet verklaard. In het vonnis van faillietverklaring werd het tijdstip van staking van betaling vastgesteld op 6 november 1995. Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout van 13 februari 1996 werd de datum van staking van betalingen teruggebracht op 28 mei 1995. Bij verzoekschrift van 20 december 1995 kwam eiseres vrijwillig in het geding tussen teneinde te horen zeggen voor recht dat de vordering van P. Groenen BV tegen de eerste verweerster en de tweede verweerster zonder voorwerp is en verder teneinde de eerste verweerster te horen veroordelen tot betaling aan haar van de som van 3.243.627 BEF en de tweede verweerster te horen veroordelen tot betaling aan haar van de som van 716.274 BEF. Op 23 februari 1996 werd de schrapping van de registratie van de NV Euro Trade Partners in bijvoegsel van het Belgische Staatsblad gepubliceerd. Bij vonnis van 3 november 1997 werd de eis van P. Groenen BV ontvankelijk en gegrond verklaard opzichtens Euro Trade Partners NV doch ongegrond opzichtens de eerste verweerster, de Stad Lommel en de tweede verweerster. De vorderingen van eiseres werden ontvankelijk en gegrond verklaard. Eerste verweerster werd dan ook veroordeeld om aan eiseres een bedrag van 3.243.627 BEF te betalen meer interest. De tweede verweerster werd veroordeeld tot betaling aan eiseres van de som van 716.274 BEF, meer interest. De eerste verweerster stelde bij verzoekschrift hoger beroep in tegen dit vonnis. Bij exploten van 29 juli 1999, 3 augustus 1999 en 4 augustus 1999 deed de derde verweerder derdenverzet tegen het vonnis van 3 november 1997. De derde verweerder voerde aan dat eiseres geen aanspraak kan maken op het totaalbedrag van de facturen nu de betaling van deze facturen zou gebeuren na de schrapping van de registratie van Euro Trade Partners. De aan eiseres verschuldigde bedragen dienden volgens de derde verweerder verminderd te worden met tweemaal 15 pct. overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en van de Sociale Zekerheidswet. De derde verweerder vorderde de verwijzing van de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen met het oog op de samenvoeging met het hoger beroep ingesteld door de eerste verweerster. Bij vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 2 mei 2000 werd de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen verzonden. Bij tussenarrest van 26 oktober 1999 werd het hoger beroep ten aanzien van eiseres toelaatbaar verklaard. Bij tussenarrest van 3 september 2002 werd het hoger beroep van de eerste verweerster niet ontvankelijk verklaard in zoverre dit hoger beroep gericht was tegen de tweede verweerster, de Stad Lommel en de NV Euro Trade Partners. Het hof van beroep besliste nog dat het derdenverzet van de derde verweerder toelaatbaar is. Verder werden de debatten heropend om aan de derde verweerder de mogelijkheid te bieden een aantal stukken in te dienen. In het eindarrest van 1 april 2003 wordt het hoger beroep van de eerste verweerster tegen eiseres deels gegrond verklaard en wordt ook het derdenverzet van de derde verweerder gegrond verklaard. De appèlrechters zeggen voor recht dat eiseres geen aanspraak kan maken op het totaal bedrag van de facturen uitgaande van de NV Euro Trade Partners en gericht aan de eerste en de tweede verweersters voor zover de betaling ervan gebeurt of is gebeurd nadat de schrapping van de voorheen aan de NV Euro Trade Partners verleende registratie tegenover derden uitwerking heeft gekregen ingevolge de bekendmaking ervan in het bijvoegsel van het Belgisch Staatsblad. De appèlrechters zeggen nog voor recht dat de eerste verweerster en de tweede verweerster gehouden zijn de inhoudingen en doorstortingen te verrichten overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 oktober 1978 tot uitvoering van de artikelen 299bis en 299ter van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen en van artikel 30bis van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. IV. Middel Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. V. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 402 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (hierna WIB 1992), degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde medecontractant van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, verplicht is bij iedere betaling die hij aan die medecontractant doet, 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten bij de door de Koning aan te wijzen ambtenaar volgens de door hem te bepalen modaliteiten ; Overwegende dat, overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 30bis, ,§3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (hierna RSZ-wet) degene die een beroep heeft gedaan op een geregistreerde medecontractant van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, verplicht is bij iedere betaling die hij aan die medecontractant doet, 15 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten ; Dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet tot economische heroriëntering van 4 augustus 1978 blijkt dat de maatregelen van die wet, inzonderheid de registratie van de aannemers, genomen zijn ter bestrijding van de bedrieglijke praktijken van de koppelbazen, met name het niet-betalen van de bijdragen voor de sociale zekerheid, van de bedrijfsvoorheffing en van de belasting over de toegevoegde waarde ; dat op grond van die parlementaire voorbereiding bij de toepassing van die bepalingen geen beperking kan worden ingevoerd die niet uit de tekst ervan blijkt en die evenmin onontbeerlijk is om het door de wetgever gestelde doel te bereiken ; Overwegende dat, ingevolge het endossement van een factuur de geëndosseerde de plaats inneemt van de oorspronkelijke schuldeiser, de overdrager, en de overgedragen schuldvordering onderworpen blijft aan dezelfde beperkingen als bij de overdrager ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat de inhouding van tweemaal 15 pct. in de zin van de voormelde artikelen 402 en 30bis slechts dient te gebeuren bij elke betaling aan de medecontractant zelf, faalt naar recht ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat, overeenkomstig de in het antwoord op het eerste onderdeel aangehaalde wetsbepalingen, de opdrachtgever die een beroep heeft gedaan op een geregistreerd aannemer-medecontractant, van wie de registratie wordt geschrapt in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, en die overgaat tot betaling van zijn schuld, krachtens de wet gehouden is tot de bedoelde inhoudingen ; Overwegende dat voormelde bepalingen van openbare orde zijn en dat zodoende uit hun aard, alsmede uit de in het antwoord op het eerste onderdeel aangehaalde bedoeling van de wetgever, volgt dat die inhoudingsplicht ontstaat door de enkele schrapping van de registratie van de aannemer-medecontractant en van toepassing blijft ongeacht inpandgeving of endossement ; Overwegende dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat, enerzijds, met toepassing van artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek, de geëndosseerde de voorkeur dient te krijgen boven de Belgische Staat, minstens dat de schrapping van de registratie aan de opdrachtgever een exceptie verleent, en, anderzijds dat de vordering van de Belgische Staat niet meer kon ontstaan, nu bij betaling na schrapping van de registratie, de opdrachtgever ingevolge het endossement geen schuldenaar meer was van de aannemer, schuldenaar van de Belgische Staat, faalt naar recht ; 3. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel ervan uitgaat dat de appèlrechter toepassing maakt van artikel 404, ,§2 (oud), WIB 1992 ; Dat het bestreden arrest, op grond van artikel 402 WIB, oordeelt dat de eerste en tweede verweerster verplicht waren om 15 pct. in te houden op de nog verschuldigde sommen en dit "ongeacht het feit of het artikel 404 W.I.B. '92 al dan niet in werking was getreden op 12 oktober 1995" ; Dat het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist ; 4. Vierde onderdeel Overwegende dat eiseres er in het onderdeel van uitgaat dat de appèlrechters op grond van de in het onderdeel aangehaalde overwegingen beslissen dat de endossementen niet tegenstelbaar zijn aan de derde verweerder in toepassing van artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek ; Dat het bestreden arrest deze beslissing niet inhoudt ; Dat het onderdeel, in zoverre, berust op een onjuiste lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat de appèlrechters op grond van de overweging "dat de endossementen plaatsvonden in de verdachte periode, namelijk na de door de rechtbank van koophandel bepaalde datum van staking van betalingen, dat de daaruit voortvloeiende overdracht van schuldvordering geen afbreuk doet aan de fiscale bepalingen die van openbare orde zijn en dat de toepassing van artikel 400 en volgende WIB 1992 onverkort van kracht bleven, zodat de hieruit voortvloeiende inhoudingen en doorstortingen moeten gedaan worden" beslissen dat het derdenverzet van de Belgische Staat derhalve gegrond is en het bestreden vonnis op dit punt dient hervormd te worden ; Dat de appèlrechters derhalve niet meer behoefden te antwoorden op het bedoelde verweer van eiseres dat terzake niet meer dienend was ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; 5. Vordering tot bindendverklaring Overwegende dat de verwerping van het cassatieberoep alle belang ontneemt aan de vordering tot bindendverklaring ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van duizend vierhonderd zesenveertig euro vierentachtig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vierenzestig euro tweeëndertig cent jegens de verwerende partijen sub 1, 2 en 3. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, afdelingsvoorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050128.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div