← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.22

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.22 Rolnummer: C.03.0089.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-09-01 Raadplegingen: 297 - laatst gezien 2026-07-03 13:33 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Bij een verkoopovereenkomst heeft het tenietgaan van de verschuldigde zaak niet noodzakelijk de beëindiging van de overige verbintenissen uit de overeenkomst tot gevolg

(1).
(1)Zie Cass., 27 juni 1946, Arr. Verbr. 1946, 249, en de voetnoten
(4)en
(5)ondertekend door R.H. in Pas., 1946, I, 271-272. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: OVEREENKOMST - EINDE Tenietgaan van de verschuldigde zaak Koopovereenkomst Verplichting tot levering Overige verbintenissen Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1951 - Art.1302 Thesaurus CAS: KOOP Vrije woorden: KOOP Tenietgaan van de verschuldigde zaak Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1951 - Art.1302 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0089.N HACO TRADING COMPANY, naamloze vennootschap, met zetel te 8800 Roeselare, Oekensestraat 137, ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk, nummer 96.268, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen WERTIM naamloze vennootschap, met zetel te 7780 Komen Linteweversstraat 20, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 oktober 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 1102, 1108, 1126, 1134, 1136, 1138, 1151, 1184, 1302, 1582, 1611, 1624, 1647, 1722, 1790 en 1867 van het Burgerlijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren de door verweerster ingestelde vordering tot ontbinding van de overeenkomst ontvankelijk en gegrond, en beslissen dat eiseres een contractuele wanprestatie beging die dermate zwaarwichtig is dat zij de ontbinding van de overeenkomst wettigt en veroordelen eiseres tot betaling van een schadevergoeding van 199.581,58 euro, op de grond van de volgende overwegingen : "Het tenietgaan van de machine ingevolge de brand ontslaat (eiseres) van haar verdere verbintenis tot uitvoering. Art. 1302 B.W. verhindert evenwel niet dat (verweerster) de ontbinding van de overeenkomst vordert wegens de wanprestatie die bestond vooraleer de zaak teniet ging. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is in onderhavig geval is uitvoering onmogelijk (geworden) -, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding. De schuldeiser mag zijn keuze veranderen tijdens het geding, tenzij hij afstand heeft gedaan van een van de twee optiemogelijkheden. Dit laatste is hier niet het geval. (Verweerster) heeft integendeel in de inleidende dagvaarding uitdrukkelijk verklaard geen afstand te doen van de mogelijkheid om de ontbinding van de overeenkomst te vorderen 'zodra deze sanctie meer opportuun lijkt'. Derhalve dient te worden onderzocht of (eiseres) een wanprestatie heeft gepleegd en deze wanprestatie dermate zwaarwichtig is dat zij de ontbinding van de overeenkomst wettigde vooraleer de zaak teniet ging. (Eiseres) verklaart ten onrechte dat de beweerde contractuele wanprestatie in haren hoofde a posteriori niet meer kan en mag nagegaan worden, vooral niet nu de expertise (bedoeld wordt : expert) nooit tot een definitieve conclusie is kunnen komen (zie p. 12 van haar conclusies neergelegd ter griffie op 10.12.2001 stuk 13 gerechtsdossier hoger beroep). Indien de gegevens bekend tot op 14.11.1995 volstaan om tot een wanprestatie in hoofde van (eiseres) te besluiten, dan mag dit vanzelfsprekend gebeuren. Uit dit alles moet besloten worden tot een ernstige wanprestatie in hoofde van (eiseres): zij levert een houtbewerkingsmachine einde maart/begin april 1994 aan (verweerster) - prijs 550.000 DM -, sindsdien doen er zich ononderbroken moeilijkheden voor met de machine zie de voorgaande opsomming en op 14.11.1995 datum van de laatste bijeenkomst met de deskundige wordt vastgesteld dat de machine nog altijd niet behoorlijk functioneert (zie p. 11 t.e.m. 13 voorverslag ir. M.). De vermeldingen van de gerechtelijke deskundige op p. 2 en 3 litt.b van zijn eindverslag (stuk 36 gerechtsdossier eerste aanleg) doen geen afbreuk aan dit besluit. Zelfs al werden tot op het ogenblik van het onderbreken van het deskundigenonderzoek geen fundamentele conceptiefouten vastgesteld en al was de deskundige van oordeel 'dat aan de vele tekortkomingen zou kunnen verholpen worden door aanpassingen en bijregelingen, desnoods door kleine wijzigingen. Aldus zou men mogen veronderstellen dat het zou mogelijk zijn met de machine te gaan produceren zonder abnormaal veel onderbrekingen', dan bevestigen deze vermeldingen de ernstige wanprestatie van (eiseres). Nog daargelaten het voorbehoud waartoe deze vermeldingen van de deskundige aanleiding geven i.v.m een uiteindelijke goed functioneren van de machine, bekrachtigen zij het feit dat op 14.11.1995 de machine nog altijd niet behoorlijk werkte. Een onderneming die een machine koopt van meer dan 11.000.000 BEF of 272.682,88 euro en daarmee een gemakkelijker of verhoogde productie beoogt, dient helemaal niet te aanvaarden dat deze machine gedurende 18 maanden niet het te verwachten resultaat oplevert. Een vertraging van dergelijke duur in de uitvoering van de verbintenis van (eiseres) en dit ondanks de herhaalde ingebrekestellingen, overtreft elke redelijke uitvoeringstermijn en maakt de zwaarwichtige wanprestatie uit die ontbinding van de overeenkomst ten haren nadele wettigt. Gelet op deze vaststellingen is hetgeen nà 14.11.1995 is gebeurd m.b.t. verdere aanpassingen van de machine niet relevant. Het is overigens geenszins bewezen dat de installatie op 17.12.1995 'volledig in orde was'. Dit laatste wordt ook enkel verklaard door de heer R., aangestelde van (eiseres), zodat m.b.t. deze verklaring het nodige voorbehoud moet gemaakt worden. (Eiseres) toont blijkbaar graag haar eigen gelijk aan met 'eigen' beweringen (zie p. 17 van haar conclusies neergelegd ter griffie op 10.12.2001 stuk 13 gerechtsdossier hoger beroep, waar zij verwijst naar haar stuk 42 zie ook het antwoord daarop van Wertim stuk 43 (eiseres)). (Eiseres) houdt ten onrechte voor dat (verweerster) met het 'in orde brengen van de machine' enkel het opdrijven van de productiecapaciteit tot een oorspronkelijke niet voorziene snelheid, waardoor er telkens mechanische en softwarematige aanpassingen dienden te gebeuren, wilde bekomen. De opeenvolgende door (verweerster) geuite klachten en de door ir. M. gedane vaststellingen tonen aan dat de machine gewoon niet werkte op de wijze die (verweerster) had mogen verwachten en geen bekoorlijk bewerkte profielen afleverde. Dat er geen deurstijlen konden worden verwerkt, wordt hier niet in aanmerking genomen, nu er ook geen raamprofielen konden worden verwerkt, hetgeen uiteraard de bedoeling was van de 'vensterfabrikagelijn'. Het is geenszins bewezen en zelfs onwaarschijnlijk dat gebeurlijke aanpassingen en bijregelingen die op aangeven van (verweerster) door (eiseres) zouden gedaan zijn, zouden aanleiding gegeven hebben tot de bij de expertise vastgestelde problemen. Overigens diende (eiseres) zelf te weten hoe de door haar geleverde machine in elkaar stak en moest zij 'aanpassingen en bijregelingen' die de werking van de machine niet zouden bevorderen of zouden belemmeren, geweigerd hebben uit te voeren. Indien (verweerster) een verkeerde methode zou gebruikt hebben voor het invoeren van de profielen had (eiseres) haar daar eveneens van meet af aan kunnen en moeten op wijzen. De electronische stoornis die zich bij (verweerster) heeft voorgedaan is geenszins de oorzaak van de talrijke problemen : op p. 17 van het voorverslag vermeldt ir. M. dat 'het spanningsverschil tussen de neuter en de aarding, vastgesteld tijdens de vierde bijeenkomst, niet kan ingeroepen worden als oorzaak van het slecht functioneren van de machine'. Overigens was er bij de zevende bijeenkomst met de deskundige geen sprake meer van enig elektrisch defect en ook dan was een normale werking van de machine onmogelijk (zie p. 11 t.e.m. 13 voorverslag). De aankoop van software door (verweerster) bij derden (GSE) kan evenmin door (eiseres) als verweer ingeroepen worden : hoofdzaak was in dit geval de machine zelf en (eiseres) had als taak (verweerster) in te lichten nopens de bijkomende software die voor een goed gebruik van de machine nodig was. Er dient ook op gewezen te worden dat (eiseres) m.b.t. de software en ook m.b.t. de andere punten die volgens haar van aard zouden geweest zijn om de werking van de machine te bezwaren ten gepasten tijde nooit precieze opmerkingen heeft gemaakt. Zij beperkt(
  1. e)zich ook thans nog tot 'algemeenheden'. (Eiseres) kan geenszins bijgetreden worden waar zij verklaart dat (verweerster) misbruik maakt van haar keuzerecht voorzien in art. 1184 B.W. Nog daargelaten de vraag naar de mogelijkheid van gedwongen uitvoering na de brand, was de wanprestatie van (eiseres) op datum van 14.11.1995 dermate zwaarwichtig geworden dat (verweerster) daarmee elk vertrouwen in (eiseres) (en de uiteindelijk goede werking van de machine) mocht verloren hebben. De ontbinding van de overeenkomst heeft als gevolg dat (eiseres) de door (verweerster) betaalde voorschotten moet terugbetalen. Deze bedragen 3.800.000 BEF + 2.780.000 BEF of 94.199,54 + 71.145,45 = 165.344,98 euro. De BTW was in hoofde van (verweerster) aftrekbaar en zal als dusdanig verrekend geworden zijn. De vergelijking door (eiseres) van huidige situatie met deze voorzien in art. 1722 B.W. gaat niet op. Er is in dat geval geen sprake van opeenvolgende prestaties. De teruggave van de machine door (verweerster) is onmogelijk geworden ingevolge de brand (overmacht), zodat (verweerster) daarvan ontslagen is. De gerechtelijke deskundige heeft vastgesteld dat een nieuwe afzuiginstallatie werd aangesloten op de bestaande leidingen. Deze installatie was ook bruikbaar voor de bestaande machines. Hoofdreden van de aanschaf van de nieuwe afzuiginstallatie was evenwel de nieuwe vensterfabrikagelijn (p 20 voorverslag). Er mag evenwel aangenomen worden dat de nieuwe afzuiginstallatie ook dienstig was voor de sindsdien aangekochte fabrikagelijn, zodat het hof in billijkheid 10 pct. toekent van de kostprijs van de afzuiginstallatie als tijdelijk niet volledig renderende investering, nl. 28.110 BEF of 696,83 euro. De gerechtelijke deskundige neemt aan dat de diameter en de draairichting van de L.-werktuigen specifiek waren voor de Haco-machine zodat zij als verloren mogen worden aangezien (p. 21 voorverslag). (Verweerster) is derhalve gerechtigd op de prijs ervan nl. 592.831 BEF of 14.695,90 euro. (Eiseres) had (verweerster) moeten inlichten i.v.m. de vensterfabrikagelijn te gebruiken (aanvullende) software. De vensterfabrikagelijn is hier de hoofdzaak en (eiseres) diende van meet af aan te duiden welke bijkomende zaken nodig waren. Indien (verweerster) bijkomende eisen zou gesteld hebben i.v.m. de mogelijkheden van de machine, had (eiseres) ook daarvoor de nodige software moeten aanduiden of ten gepasten tijde duidelijk stellen dat de bijkomende eisen niet overeengekomen of niet uitvoerbaar waren. Wanneer (eiseres) vooropstelt 'Wij doen telkens bijkomende programmatie naar uw wensen. Wij doen dit graag gezien de laattijdige levering' (zie haar brief/fax d.d. 17.5.1995 stuk 28 (verweerster), dan moet zij dit ook in orde doen en de passende instructies geven i.v.m. bijkomende software. Het bedrag van 235.160 BEF of 5.829,46 euro maakt derhalve eveneens een verlies uit voor (verweerster) en dient door (eiseres) te worden vergoed. Het gebruik van de machine zou volgens de (verweerster) twee personeelsleden uitgespaard hebben. Daartegenover staat dan de pro rata temporis kostprijs van de machine, die nu evenwel ingevolge de ontbinding niet moet worden betaald. Er mag worden aangenomen dat het een het ander compenseert, zodat er m.b.t. deze post geen schadevergoeding moet worden toegekend. De aanstelling van een nieuwe vertegenwoordiger vanaf 01.11.1993 kan als voorbarig worden aangezien evenals de aankoop van een nieuwe personenwagen; die dan nog uiteraard voor ander gebruik dienstig blijft. De aanschaf van de nieuwe machine gaf echter (verweerster) een rechtmatige verwachting op een verhoogde productie waarvan zij redelijkerwijze eveneens mocht verhopen dat daarvoor een afzet zou bestaan. Dit noodzaakte bijkomende prospectie en leidde nu met de machine niet kon gewerkt worden tot winstverderving. Beide schadeposten kunnen niet precies berekend worden. Daarvoor zijn 'indiens en maars' (= hypotheses) nodig die niet cijfermatig kunnen omgezet worden. Bij gebreke aan rekenkundige gegevens begroot het hof in billijkheid de verloren prospectiekosten op 75.000 BEF of 1.859,20 euro en de gederfde winst op 300.000 BEF of 7.436,81 euro. De 'verloren' tijd van het personeel en de zaakvoerder ingevolge de voortdurende problemen met de machine zijn eveneens aan (eiseres) toerekenbaar en deze post wordt, gezien hier eveneens precieze en rekenkundige gegevens ontbreken, in billijkheid begroot op 150.000 BEF of 3.714,40 euro. Er komt aldus (verweerster) toe : 165.344,98 euro + 696,83 euro + 14.695,90 euro + 5.8289,46 euro + 1.859,20 euro + 7.436,81 euro + 3.718,40 euro = 199.581,58 euro, meer de gerechtelijke rente vanaf 21.1.2000, datum van het instellen van de vordering in terugbetaling/schadevergoeding" (blz. 3-4, 7-9, 10-11 van het bestreden arrest). Grieven Eerste onderdeel Artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat in wederkerige contracten de ontbindende voorwaarde altijd stilzwijgend begrepen is, voor het geval dat een van beide partijen haar verbintenis niet nakomt. In dit geval is het contract niet van rechtswege ontbonden. De partij jegens wie de verbintenis niet is uitgevoerd, heeft de keus om ofwel de andere partij te noodzaken de overeenkomst uit te voeren, wanneer de uitvoering mogelijk is, ofwel de ontbinding van de overeenkomst te vorderen, met schadevergoeding. De schuldeiser die aanvankelijk gekozen heeft voor de uitvoering van de overeenkomst kan in de loop van het geding op zijn initiële keuze terugkomen en de ontbinding van de overeenkomst vorderen. In dat geval stelt hij een nieuwe vordering in die, om ontvankelijk te zijn, moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Overeenkomstig de artikelen 1134, 1136, 1138, 1582, 1624 en 1647 van het Burgerlijk Wetboek heeft het verlies van de zaak, voorwerp van de verbintenis bij eigendomsoverdragende overeenkomsten, meer bepaald bij een koopovereenkomst, tot gevolg dat de schuldeiser (van de verbintenis de zaak te leveren) het risico draagt van het tenietgaan van de zaak ("res perit creditori"). Bij onmiddellijke eigendomsoverdracht draagt de koper die door de loutere wilsovereenstemming eigenaar wordt, dus het risico en zal hij bijgevolg de prijs dienen te betalen ook al was de zaak nog niet geleverd. De koper kan bijgevolg niet het verval van de overeenkomst door het tenietgaan van de zaak opwerpen. Op deze regel "res perit creditori" wordt uitzondering gemaakt wanneer de eigendomsoverdracht wordt uitgesteld en dus niet door de loutere wilsovereenstemming gebeurt. Krachtens de algemene regel met betrekking tot het einde van overeenkomsten (inzonderheid de artikelen 1184 en 1302 van het Burgerlijk Wetboek) en de risicoleer bij wederkerige overeenkomsten (zoals neergelegd in de artikelen 1722, 1790 en 1867 van het Burgerlijk Wetboek) doet het verval van de verbintenis van één partij door het verlies van de zaak, de verbintenis van de andere partij teniet waardoor de overeenkomst eveneens teniet gaat. Het bestaan van een geldige overeenkomst vereist immers dat deze een voorwerp heeft (artikelen 1108 en 1126 van het Burgerlijk Wetboek). Deze regels zijn ook van toepassing op de koopovereenkomst die met uitstel van eigendomsoverdracht wordt aangegaan. De verkoper draagt in dat geval het risico van het verlies van de zaak en hij kan geen uitbetaling bekomen van de prijs. Hieruit volgt dat, in geval een koopovereenkomst met uitstel van eigendomsoverdracht wordt aangegaan en de zaak verloren gaat, de wederzijdse verbintenissen uitdoven en de overeenkomst vervalt. Eens de overeenkomst vervallen is, kan de ontbinding ervan niet meer gevorderd worden. De vordering tot ontbinding veronderstelt immers het bestaan van een overeenkomst (artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek). Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt dat partijen een koopovereenkomst afsloten met eigendomsvoorbehoud en dat aan deze overeenkomst nog geen volledige uitvoering was gegeven, nu noch de volledige prijs was betaald, noch de eigendom was overgegaan en de machine evenmin bedrijfsklaar was. De appèlrechters stellen nog vast dat de verweerster in de gedinginleidende dagvaarding de uitvoering van de overeenkomst vorderde, dat het bedrijf van verweerster op 14 januari 1996 door brand werd geteisterd, waardoor de machine tenietging, en dat de vordering tot ontbinding van de overeenkomst pas na het tenietgaan van de machine werd ingesteld. Meer bepaald blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, en met name uit de conclusie van verweerster van 21 januari 2000, genomen voor de eerste rechter, en uit het vonnis van 19 februari 2001 van de Rechtbank van Koophandel te Ieper, dat verweerster haar vordering tot uitvoering pas wijzigde in een vordering tot ontbinding van de overeenkomst op 21 januari 2000. Verweerster eiste derhalve de ontbinding van de overeenkomst nadat deze reeds was vervallen ingevolge het wegvallen van het voorwerp van de overeenkomst door vreemde oorzaak. Door deze vordering tot ontbinding gegrond te verklaren en op die grond eiseres te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, schenden de appelrechters de artikelen 1108, 1126, 1184, 1302, 1722, 1790 en 1867 van het Burgerlijk Wetboek, en, voor zoveel als nodig, de artikelen 1134, 1136, 1138, 1582, 1624 en 1647 van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel Het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik en het beginsel van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek dat overeenkomsten te goeder trouw moet worden uitgevoerd, verbieden een partij misbruik te maken van de rechten die de overeenkomst haar toekent. Rechtsmisbruik is de rechtsuitoefening op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon. Eiseres voerde in conclusie aan dat het vorderen van de ontbinding van de overeenkomst na het teniet gaan van de zaak een rechtsoefening is op een manier die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van die rechten door een voorzichtig en bezorgd persoon en dat de ontbinding in die omstandigheden voor eiseres een onevenredig nadeel teweeg zou brengen, zodat dit rechtsmisbruik uitmaakt. Eiseres voerde meer bepaald aan dat "II.3 Nog meer ondergeschikt : de gevorderde ontbinding maakt een inbreuk uit op de goede trouw Voor zover het (hof van beroep) de mening van de eerste rechter niet zou delen i.v.m. het uitdoven van de verbintenis van (eiseres) wegens het tenietgaan van de machine, wijst (eiseres) erop dat de keuze van (verweerster) om i.c. een vordering tot ontbinding in te stellen een inbreuk uitmaakt op het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van een overeenkomst. Art. 1134 BW en de principes m.b.t. de uitvoering te goeder trouw van een overeenkomst door niet te kiezen voor een ontbinding indien dit een disproportioneel nadeel toebrengt aan de wederpartij, hebben uiteraard een algemene werking en zijn niet beperkt tot één soort contract. De partij die zelf haar contractuele verplichtingen niet heeft uitgevoerd, kan zich niet op haar eigen tekortkomingen beroepen om tegen de andere partij ontbinding van de overeenkomst te vorderen (De Page, H., t. II, 842-843, nr 844 ; Cass., 5 september 1980, R.W., 1980-81, 1323-26). (Eiseres) verwijst naar Vred. Neerpelt, 27 juni 1991, R.W., 1993-94, 756, noot : 'Het beginsel van de uitvoering te goeder trouw van een overeenkomst vereist dat de partij in een wederkerige overeenkomst ten aanzien van wie de verbintenis of foutieve wijze niet is uitgevoerd, met matigheid gebruik maakt van de keuzemogelijkheid tussen de gedwongen uitvoering en de ontbinding met schadevergoeding. Aan de schuldenaar mogen geen lasten worden opgelegd die buiten iedere verhouding staan tot het belang van de schuldeiser'. Dat dit een algemeen principe is, bewijst Cass., 16 januari 1986, R.W., 1987-88, 1470, noot : 'Noch uit de artikelen 1134 en 1184, noch uit het begrip misbruik van recht volgt dat een partij in een wederkerig contract, die het slachtoffer is van het feit dat de andere partij haar verbintenissen niet uitvoert, geen misbruik zou kunnen maken van de mogelijkheid te kiezen tussen de gedwongen uitvoering en de ontbinding van de overeenkomst. Daaruit volgt evenmin dat de partij die in gebreke blijft haar verbintenissen uit te voeren, door die fout het recht verliest het misbruik van de nadere partij bij het benutten van die mogelijkheid aan te voeren'. Inderdaad dient vastgesteld dat (verweerster) zelf in gebreke bleef om het overeengekomen saldo van 50 pct. bij levering te betalen : zij betaalde slechts 25 pct.. Bovendien werd supra genoegzaam aangetoond dat (verweerster) zeker niet vrijuit gaat m.b.t. het gebruik van de machine : • (verweerster) verricht zelf aanpassingen aan de machine • de machine werd niet gebruikt zoals ze diende gebruikt te worden (verkeerde houtsoorten, omdraaiing van houtstukken,...) • herhaaldelijk werd vastgesteld dat (verweerster) manuele ingrepen in de machine had gedaan met defecten tot gevolg. Het nadeel voor (eiseres) is in onderhavig geval uiteraard enorm onevenredig met het belang van (verweerster) : indien de overeenkomst wordt ontbonden, zou (verweerster) in haar stelling recht hebben op terugbetaling van de prijs en de voorschotten terwijl de machine onherroepelijk verloren is. Indien de ontbinding zou worden uitgesproken, heeft (eiseres) aldus duidelijk een recht op schadevergoeding tegen (verweerster) wegens het foutief uitoefenen van haar keuzerecht, en vordert zij aldus bij deze, eveneens als tegeneis, de betaling van het saldo van de aankoopprijs van de machine" (blz. 22-24 van de tweede beroepsconclusie van eiseres). De appèlrechters overwegen in dit verband enkel dat de wanprestatie van eiseres vóór het verlies van de zaak dermate zwaarwichtig was dat verweerster daarmee elk vertrouwen in eiseres mocht verloren hebben, zodat verweerster niet verweten kan worden misbruik te maken van haar keuzerecht. Aldus laten de appèlrechters na het concreet verweer van eiseres dat het vorderen van de ontbinding in de omstandigheden van de huidige zaak rechtsmisbruik uitmaakte, te beantwoorden en schenden zij artikel 149 van de Grondwet. Door verder impliciet, doch zeker te oordelen dat het vorderen van de ontbinding na het verlies van de zaak en het verval van de overeenkomst geen rechtsmisbruik uitmaakt, schenden de appèlrechters artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel betreffende het verbod van rechtsmisbruik. 1.3. Derde onderdeel In zoverre de appèlrechters de veroordeling van eiseres tot betaling van een schadevergoeding aan verweerster niet steunen op artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, doch op de artikelen 1147 en volgende van het Burgerlijke Wetboek of op artikel 1611 van het Burgerlijk Wetboek, schenden zij de artikelen 1151 en 1611 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1151 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de schadevergoeding ingevolge contractuele wanprestatie alleen kan omvatten hetgeen een onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van het niet uitvoeren van de overeenkomst. Artikel 1611 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verkoper in elk geval tot schadevergoeding veroordeeld moet worden indien de koper schade lijdt doordat de levering niet op het bedongen tijdstip heeft plaatsgevonden. De appèlrechters veroordelen eiseres tot betaling van verscheidene schadevergoedingen en stellen maar voor één van deze schadevergoedingen vast dat de voor verweerster ontstane schade te wijten is aan de laattijdige levering, dit is de schadevergoeding wegens verloren tijd van het personeel en de zaakvoerder. Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt dat de overige schadevergoedingen niet te maken hebben met de laattijdige levering, maar wel met de ontbinding van de overeenkomst en het verlies van de machine. De appèlrechters overwegen immers dat : "De gerechtelijke deskundige heeft vastgesteld dat een nieuwe afzuiginstallatie werd aangesloten op de bestaande leidingen. Deze installatie was ook bruikbaar voor de bestaande machines. Hoofdreden van de aanschaf van de nieuwe afzuiginstallatie was evenwel de nieuwe vensterfabrikagelijn (p. 20 voorverslag). Er mag evenwel aangenomen worden dat de nieuwe afzuiginstallatie ook dienstig was voor de sindsdien aangekochte fabrikagelijn, zodat het hof in billijkheid 10 pct. toekent van de kostprijs van de afzuiginstallatie als tijdelijk niet volledig renderende investering, nl. 28.110 BEF of 696,83 euro. De gerechtelijke deskundige neemt aan dat de diameter en de draairichting van de L.-werktuigen specifiek waren voor de Haco-machine zodat de zij als verloren mogen worden aangezien (p. 21 voorverslag). (Verweerster) is derhalve gerechtigd op de prijs ervan nl. 592.831 BEF of 14.695,90 euro. (Eiseres) had (verweerster) moeten voorlichten i.v.m. de vensterfabrikagelijn te gebruiken (aanvullende) software. De vensterfabrikagelijn is hier de hoofdzaak en (eiseres) diende van meet af aan aan te duiden welke bijkomende zaken nodig waren. Indien (verweerster) bijkomende eisen zou gesteld hebben i.v.m. de mogelijkheden van de machine, had (eiseres) ook daarvoor de nodige software moeten aanduiden of ten gepasten tijde duidelijk stellen dat de bijkomende eisen niet overeengekomen of niet uitvoerbaar waren. Wanneer (eiseres) vooropstelt 'Wij doen telkens bijkomende programmatie naar uw wensen. Wij doen dit graag gezien de laattijdige levering' (zie haar brief/fax d.d. 17.5.1995 stuk 28 (verweerster)), dan moet zij dit ook in orde doen en de passende instructies geven i.v.m. bijkomende software. Het bedrag van 235.160 BEF of 5.829,46 euro maakt derhalve eveneens een verlies uit voor (verweerster) en dient door (eiseres) te worden vergoed. De aanschaf van de nieuwe machine gaf echter (verweerster) een rechtmatige verwachting op een verhoogde productie waarvan zij redelijkerwijze eveneens mocht verhopen dat daarvoor een afzet zou bestaan. Dit noodzaakte bijkomende prospectie en leidde nu met de machine niet kon gewerkt worden tot winstderving. Beide schadeposten kunnen niet precies berekend worden. Daarvoor zijn 'indiens en maars' (= hypotheses) nodig die niet cijfermatig kunnen omgezet worden. Bij gebreke aan rekenkundige gegevens begroot het hof in billijkheid de verloren prospectiekosten op 75.000 BEF of 1.859,20 euro en de gederfde winst op 300.000 BEF of 7.436,81 euro". Uit de vaststellingen van de appèlrechters blijkt dat deze schade niet in oorzakelijk verband staat met de fout van eiseres die erin bestond een machine geleverd te hebben die achttien maanden na de levering nog steeds niet behoorlijk werkte. Hieruit volgt dat de appèlrechters de artikelen 1151 en 1611 van het Burgerlijk Wetboek schenden door eiseres tot betaling van deze schadevergoedingen te veroordelen. 1. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 1235, 1376, 1377 en voor zoveel als nodig 1647 van het Burgerlijk Wetboek ; het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals bevestigd in artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek ; artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verwerpen de vordering van eiseres tot betaling van een vergoeding wegens het genot dat verweerster van de machine heeft gehad, op grond van de motieven dat : "in dit geval is (eiseres) niet gerechtigd op het genot dat de koper van de machine heeft gehad, gezien, gelet op de voortdurende problemen (zie o.a. p. 13 voorverslag), dit 'genot' als onbestaande of verwaarloosbaar mag worden beschouwd". Grieven Op grond van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals bevestigd in artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, dient ingeval een koopovereenkomst met eigendomsvoorbehoud tenietgaat door het verlies van de zaak ingevolge een vreemde oorzaak, de koper de verkoper te vergoeden voor het genot dat hij van de zaak had tot op het ogenblik van het tenietgaan ervan, zoals algemeen bij overeenkomsten met opeenvolgende prestaties. Overeenkomstig dit algemeen rechtsbeginsel dient elke verrijking, ook een minimale verrijking, en derhalve elk genot, ook een minimaal genot, te worden vergoed. De appèlrechters beslissen dat het genot dat verweerster van de machine heeft gehad als onbestaande of verwaarloosbaar mag worden beschouwd. Uit deze overweging blijkt niet of de appèlrechters van mening zijn dat verweerster wel een genot, zij het een zeer klein genot, dan wel geen genot van de zaak heeft gehad. Op grond van deze overweging konden de appèlrechters niet de vordering van eiseres tot betaling van een vergoeding van het genot dat verweerster van de zaak had, afwijzen. Hieruit volgt dat de appèlrechters het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich zonder oorzaak ten laste van een ander mag verrijken, zoals bevestigd in artikelen 1235, 1376 en 1377 van het Burgerlijk Wetboek, en, voor zoveel als nodig, artikel 1647 van het Burgerlijk Wetboek, schenden. Minstens is de beslissing van de appèlrechters dubbelzinnig nu hun beslissing vatbaar is voor twee interpretaties, waarbij in de eerste interpretatie, namelijk dat verweerster wel een genot heeft gehad, hun beslissing niet naar recht verantwoord is en, in de tweede, namelijk dat verweerster geen genot van de zaak heeft gehad, hun beslissing wel naar recht verantwoord is, zodat de beslissing artikel 149 van de Grondwet schendt. 2. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen De appèlrechters verklaren de door verweerster ingestelde vordering tot betaling van een verdrag van 235.160 BEF of 5.829,46 euro wegens nieuwe hard - en software gegrond, op grond van de overwegingen dat : "(Eiseres) had (verweerster) moeten voorlichten i.v.m. de vensterfabrikagelijn te gebruiken (aanvullende) software. De vensterfabrikagelijn is hier de hoofdzaak en (eiseres) diende van meet af aan te duiden welke bijkomende zaken nodig waren. Indien (verweerster) bijkomende eisen zou gesteld hebben i.v.m. de mogelijkheden van de machine, had (eiseres) ook daarvoor de nodige software moeten aanduiden of ten gepasten tijde duidelijk stellen dat de bijkomende eisen niet overeengekomen of niet uitvoerbaar waren. Wanneer (eiseres) vooropstelt 'Wij doen telkens bijkomende programmatie naar uw wensen. Wij doen dit graag gezien de laattijdige levering' (zie haar brief/fax d.d. 17.5.1995 stuk 28 (verweerster), dan moet zij dit ook in orde doen en de passende instructies geven i.v.m. bijkomende software. Het bedrag van 235.160 BEF of 5.829,46 euro maakt derhalve eveneens een verlies uit voor (verweerster) en dient door (eiseres) te worden vergoed" (blz. 10 van het bestreden arrest). Grieven Eiseres voerde in conclusie aan dat de software die verweerster had aangeschaft ook voor andere machines bruikbaar was en derhalve niet volledig verloren was, zodat zij op dit punt niet tot een vergoeding van het volledige aankoopbedrag kon worden veroordeeld. Eiseres voerde meer bepaald aan dat : "d. De nieuwe hard - en software Het is nogal logisch dat de bij de GSE aangekochte 'optimalisatiesoftware' (cfr. supra) ook moet kunnen dienen, minstens voor het grootste deel, op een andere gelijkaardige machines. Bovendien kunnen er uiteraard zoveel uren worden gefactureerd als gewenst... M.b.t het gebruik ervan op de nieuwe machine: zelfde opmerking als hierboven". Eiseres hernam in hoger beroep eveneens de besluiten die zij voor de eerste rechter had aangenomen en waarin zij het volgende had aangevoerd : "d. De nieuwe hard - en software Het is nogal logisch dat de bij de GSE aangekochte 'optimalisatiesoftware' (cfr. supra) ook moeten kunnen dienen, minstens voor het grootste deel, op andere gelijk aardige machines. Het gaat overigens om een courante programmeertaal (Clipper/Basic). Bovendien kunnen er uiteraard zoveel uren worden gefactureerd als gewenst... Anderzijds betreft de nieuwe hardware een standaard PC met uiterst courante randapparatuur (netwerkkaarten) , dewelke uiteraard niet uniek is voor de desbetreffende machine. Ook deze schadepost dient integraal verworpen. De schade zoals beschreven in het verslag van de deskundige kan, gelet op het voorgaande, onmogelijk toegekend worden" (blz. 16-17 van de besluiten na tussenvonnis). De appèlrechters laten na dit verweer te beantwoorden en schenden dan ook artikel 149 van de Grondwet. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 1302, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer de zekere en bepaalde zaak die het voorwerp van de verbintenis uitmaakte, teniet gaat, de verbintenis vervalt indien de zaak is teniet gegaan buiten de schuld van de schuldenaar en vooraleer hij in gebreke was ; dat, krachtens het tweede lid, zelfs wanneer de schuldenaar in gebreke is en indien hij het toeval niet te zijnen laste heeft genomen, de verbintenis vervalt, ingeval de zaak eveneens bij de schuldeiser zou zijn teniet gegaan, ware zij hem geleverd ; Dat bij een koopovereenkomst het tenietgaan van de verschuldigde zaak niet noodzakelijk de beëindiging van de overige verbintenissen uit de overeenkomst tot gevolg heeft ; Dat het onderdeel dat er een geheel van uitgaat dat het verval van de verbintenis van één partij door het verlies van de zaak, de verbintenis van de andere partij teniet doet, faalt naar recht ; 1.2 Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden met de in het middel weergegeven redenen ; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat het onderdeel voorts is afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek, mitsdien in zoverre niet ontvankelijk is ; 1.3 Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel er geheel van uitgaat dat de appèlrechters de veroordeling van eiseres tot de in het onderdeel bedoelde schadevergoeding niet steunen op artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek ; Overwegende dat de appèlrechters de door verweerster overeenkomstig artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vordering tot ontbinding van de overeenkomst "met betrekking tot de Okomavensterfabricagelijn" ten nadele van eiseres gegrond verklaren en in die optiek eiseres veroordelen tot de in het onderdeel bedoelde schadevergoeding ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 1. Tweede middel Overwegende dat de appèlrechters, na te hebben vastgesteld dat de machine, waarvan eiseres "einde maart/begin april 1994" enkel onderdelen leverde, op 14 november 1995 nog altijd niet behoorlijk functioneerde en dat evenmin is bewezen dat de installatie nadien "volledig in orde" was, oordelen dat "in dit geval (eiseres) niet gerechtigd (
  2. is)op (een vergoeding voor) het genot dat de koper van de machine heeft gehad, gezien, gelet op de voortdurende problemen, dit 'genot' als onbestaande of verwaarloosbaar mag worden beschouwd" ; Dat de appèlrechters het recht op vergoeding aan de zijde van eiseres uitsluiten bij gebrek aan werkelijk genot door verweerster, zodoende hun beslissing naar recht verantwoorden en zonder de aangevoerde dubbelzinnigheid regelmatig met redenen omkleden ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ; 2. Derde middel Overwegende dat de appèlrechters de aanvoering dat de door verweerster aangeschafte software "ook moet kunnen dienen, minstens voor het grootste deel, op andere gelijkaardige machines" verwerpen en beantwoorden met de overweging dat samen met de vensterfabricagelijn die de "de hoofdzaak" is ook de "aanvullende" of "bijkomende" software is verloren gegaan en "derhalve eveneens een verlies uit(maakt) voor (verweerster) en door (eiseres) (dient) te worden vergoed" ; Dat het middel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiseres in de kosten. De kosten begroot op de som van zevenhonderd en vier euro zestig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.