← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.23

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.23 Rolnummer: C.03.0202.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 559 - laatst gezien 2026-07-04 06:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Komen ten laste van de faillissementsboedel de schulden die na het faillissement zijn ontstaan en die door de curator werden aangegaan als beheerder van die boedel, zo onder meer de schulden uit handelingen die de curator binnen zijn opdracht stelt voor de tegeldemaking van de activa van een vennootschap die door de failliete vennootschap wordt gecontroleerd, en dit ongeacht de omstandigheid dat alleen de aandeelhouders van de gecontroleerde vennootschap over de vereffening ervan kunnen beslissen

(1).
(1)Zie Cass., 7 maart 2002, AR C.00.0187.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020307.10, nr 167. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Verbintenissen Door de failliete vennootschap gecontroleerde vennootschap Activa van de gecontroleerde vennootschap Tegeldemaking Curator Wettelijke bepalingen: Wet - 30-11-1935 - Art.184 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - ALLERLEI Boedelschuld Wettelijke bepalingen: Wet - 30-11-1935 - Art.184 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0202.N 1. V.C. 2. S.M. eisers, in hun hoedanigheid van curators van het faillissement van de NV Boelwerf, destijds met vennootschapszetel te 9140 Temse, Dijkstraat 6, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder nummer 38.376, hiertoe aangesteld bij het faillissementsvonnis, uitgesproken door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, op 28 oktober 1992, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat, 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. SEASCOPE SHIPPING LTD., vennootschap naar Engels recht, met vennootschapszetel gevestigd in Groot-Brittannie, te London, Grosvenor Place, 10/11, 2. R.S. PLATOU OFFSHORE A.S., vennootschap naar Noors recht, met vennootschapszetel gevestigd in Noorwegen, te 0119 Oslo, Haakon VII's Gate, 10, P.O. Box 1604-Vika, verweersters, vertegenwoordigd door Mr. Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodetraat, 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, en in aanwezigheid van 1. D.J., advocaat, ... optredende in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Yatzy in vereffening, met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Dijkstraat 6, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder nummer 41.648, daartoe aangesteld bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, van 3 september 2002, 2. D.J., advocaat, kantoor houdende te ... , optredende in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van de NV Temse en Hoboken Rederij, afgekort T&H, met maatschappelijke zetel te 9140 Temse, Dijkstraat 6, ingeschreven in het handelsregister te Sint-Niklaas onder nummer 40.992, daartoe aangesteld bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde, afdeling Sint-Niklaas, van 3 september 2002, tot bindend verklaring opgeroepen partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 december 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet 17 februari 1994 ; de artikelen 444, 451, 470, 479, 487, eerste lid, 528 en 561 van de wet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, die boek III van het Wetboek van Koophandel vormt, zoals deze artikelen van kracht waren vóór de opheffing van de oude Faillissementswet door artikel 149 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 ; de artikelen 16, 23, 51, 57, eerste lid, 75 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 4 september 2002 ; de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet, die titel XVIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt ; de artikelen 1832, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Vennootschappen, 1984 en 1998 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 1, 2, 13, 53, 54, 61, 70 en 179, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1997, van de gecoördineerde Vennootschappenwet, zoals van toepassing vóór de opheffing bij wet van 7 mei 1999 ; de artikelen 1, 2, ,§,§2 en 4, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 23 januari 2001, 61, ,§1, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 2 augustus 2002, 184, 517, 522, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 2 augustus 2002, en 531 van het Wetboek van Vennootschappen ; het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldeisers ; Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 23 december 2002 voegt het Hof van Beroep te Gent de beide zaken samen, verklaart de principale beroepen, het incidenteel beroep en de incidentele vordering ontvankelijk, verklaart het principaal beroep van de NV Yatzy ongegrond, verklaart het incidenteel beroep respectievelijk de incidentele vordering van de NV Temse en Hoboken Rederij en van de curatoren van het faillissement van de NV Boelwerf ongegrond, verklaart het principaal beroep van de verweersters gegrond, bevestigt het vonnis, waar het hoofd- en tegenvordering ontvankelijk verklaart en de hoofdvordering gedeeltelijk gegrond, bevestigt de veroordeling van verweersters tot de gerechtskosten aan de zijde van de NV Temse en Hoboken Rederij, vernietigt het vonnis voor het overige en zegt voor recht dat de oorspronkelijke hoofdvordering van de verweersters eveneens gedeeltelijk gegrond is ten opzichte van de curatoren van het faillissement van de NV Boelwerf, veroordeelt de NV Yatzy en de curatoren van het faillissement van de NV Boelwerf tot betaling van 128.750 USD te definitieven titel aan elk der verweersters, meer de verwijlintresten vanaf 27 januari 1995 en de gerechtelijke intresten sedert dagvaardingsdatum, dit alles gekapitaliseerd een eerste keer op 16 oktober 1996, een tweede keer op 30 juni 2000 en een derde keer op 31 december 2001, waarbij de intresten telkens verder gerekend worden op het gekapitaliseerde totaal en waarbij de intresten aldus sedert de neerlegging van de laatste besluiten verder lopen op het alsdan ontstane gekapitaliseerde totaal, zegt dat er geen reden is om de voorlegging van enig stuk of gedeelte van een stuk te bevelen, veroordeelt de verweersters tot de gerechtskosten verbonden aan de beroepsinstantie aan de zijde van de NV Temse en Hoboken Rederij en veroordeelt de NV Yatzy en de eisers elk tot hun eigen respectieve kosten en samen solidair tot alle gerechtskosten vastgesteld aan de zijde van de verweersters. Deze beslissing is ten aanzien van de curatele gestoeld op volgende overwegingen : "a. Uit de voorliggende gegevens blijkt dat de NV Boelwerf in faillissement rechtstreeks dan wel onrechtstreeks (via de NV Temse en Hoboken) de overgrootste zeggenschap had bij de NV Yatzy. Aldus 'vonden' de curatoren in het actief van het faillissement NV Boelwerf op faillissementsdatum (28 oktober 1993) rechtstreeks dan wel onrechtstreeks het overgrootste gedeelte van de aandelen van respectievelijk de NV Temse en Hoboken en de NV Yatzy. Voorgaande kan met meer dan voldoende zekerheid worden besloten uit de vaststelling dat meester Chr. V.B. als voorzitter-curator van het faillissement van de NV Boelwerf aan de rechter-commissaris in zijn schrijven dd. 13 september 1994 verslag heeft gegeven over de stand van zaken nopens het boorplatform Yatzy : 'De onderhandelingen over de verkoop van het boorplatform Yatzy zijn in zeer intense fase getreden sinds de maand juni. De dagelijkse uitgewisselde faxen en brieven hierover nemen honderden bladzijden in beslag. Tot nog toe kon geen koper gevonden worden, die bereid is aan te kopen zonder zekerheid over een nieuw Petrobras-contract. Ten conservatoire titel is dan ook binnen de NV Yatzy beslist dat er niets anders overschiet dan mee te dingen aan de publieke gunning van het nieuwe contract waarvan de eindtermijn gesteld is op 29 september" (zie stuk nr. V 1, 6, dossier Seascope en Platou). Er kan geen andere zinvolle reden zijn voor het verslag van het faillissement NV Boelwerf aan de rechter-commissaris over een boorplatform dat eigendom is van een andere vennootschap, nl. de NV Yatzy die niet in staat van faillissement is (evenmin alsdan in vereffening), dan precies dat de NV Boelwerf rechtstreeks dan wel onrechtstreeks het overgrootste gedeelte van de aandelen en zeggenschap had in die NV Yatzy. Uit de voorliggende gegevens blijk ook dat het boorplatform 'Yatzy' ook het enig noemenswaardige actief van de NV Yatzy was. b. Bij hun aantreden hebben de curatoren de aandelen (rechtstreeks dan wel onrechtstreeks) van de NV Yatzy in het actief van de NV Boelwerf vastgesteld. Binnen het kader van hun vereffeningsopdracht dienden de curatoren deze aandelen te verzilveren. Zij hebben zich evenwel ingelaten met de tegeldemaking van het boorplatform zelf. Mr. Chr. V.B. heeft, onder het briefhoofd waarin uitsluitend verwijzing naar het college van faillissementscuratoren van het faillissement van de NV Boelwerf, op 1 oktober 1993, het makelaarschap aan Seascope en Platou verleend ; hij ondertekent als 'voorzitter van het college van faillissementscuratoren van de NV Boelwerf' (zie stuk nr. I, 11, dossier Seascope en Platou). In zijn schrijven dd. 1 oktober 1993 verwijst mr. Chr. V.B. hierbij naar de 'NV T&H en NV Yatzy' die beslist hebben tot aanstelling van de makelaars. Deze verwijzing brengt evenwel niet met zich mee dat de curatoren van het faillissement van de NV Boelwerf er niets mee te maken zouden hebben. Integendeel, curator mr. Chr. V.B. treedt in deze brief dd. 1 oktober 1993 op qualitate qua ; in de verdere onderhandelingen (alleszins tot 17 juni 1994 zie stuk nr. I, 39, dossier Seascope en Platou) treedt Mr. Chr. V.B. verder op in zijn hoedanigheid van voorzitter van de faillissementscuratoren. De verkoop van het boorplatform konden de curatoren uiteraard niet doen achter de rug van de NV Yatzy. De verkopende partij zou juridisch vanzelfsprekend de NV Yatzy zijn, doch een en ander kan niet anders dan gezien worden binnen de context van de vereffening van het actief dat de curatoren hebben vastgesteld in het faillissement van de NV Boelwerf. Als curatoren hebben zij binnen hun vereffeningopdracht beslist de aandelen van de NV Yatzy niet zomaar te gelde te maken zoals in het beginsel hoorde : zij hebben beslist de vereffening feitelijk uit te voeren via de tegeldemaking van het enig noemenswaardig actief van de NV Yatzy, nl. het boorplatform. Een en ander is goed te begrijpen in hoofde van de curatoren en binnen het kader de bedoeling om alle mogelijkheden voor een optimale vereffening open te houden (ofwel verkoop van de aandelen, ofwel de verkoop van het boorplatform). Als hoofdaandeelhouders qq. waren de curatoren hiertoe bij machte te beslissen, terwijl deze beslissing slechts kan zijn genomen door de curatoren binnen het kader van hun opdracht om de activa van het faillissement van de NV Boelwerf te gelde te maken (zie ook supra). Mr. Chr. V.B. heeft dan ook zowel als lasthebber van de NV Yatzy als in zijn hoedanigheid van (mede-)curator van het faillissement NV Boelwerf Seascope en Platou aangesteld als makelaars, zodat hij (ook) als curator verbintenissen heeft aangegaan voor het beheer van de boedel van de NV Boelwerf. De aan Seascope en Platou verschuldigde commissie die uit de door de curator aangegane verbintenis volgt, is als boedelschuld van de NV Boelwerf in faillissement te aanzien. c. Waar een en ander neerkomt op verbintenissen uit daden van koophandel, is er solidariteit tussen enerzijds de NV Yatzy, thans in staat van faillissement, en anderzijds de NV Boelwerf in faillissement waarbij er sprake is van een schuld van de boedel van het faillissement van de NV Boelwerf. Waar de curatoren van het faillissement NV Boelwerf qq. worden veroordeeld, is er evident geen sprake van tergend en roekeloos geding te hunnen opzichte. De curatoren faillissement NV Boelwerf respectievelijk de NV Yatzy, thans in staat van faillissement, dienen hun eigen gerechtskosten te dragen, terwijl zij solidair worden veroordeeld tot alle gerechtskosten aan de zijde van Seascope & Platou. Wat de curatoren faillissement NV Boelwerf betreft, de daaruit voortvloeiende schuldvordering is een boedelschuld, bijgevolg een schuld van de massa". Grieven 1. Eerste onderdeel Eisers betwistten op pagina's 12 e.v. van hun laatste syntheseconclusies onder de hoofding "
  1. i)geen contractuele relatie met concluanten" uitdrukkelijk dat er tussen verweersters, de NV Temse en Hoboken Rederij en de curatoren van het faillissement van de NV Boelwerf, enige contractuele relatie bestond. Meer bepaald wezen zij op pagina 13, ,§,§9 en 10 erop, na eraan te hebben herinnerd dat Boelwerf de moedervennootschap van de NV Temse en Hoboken Rederij was, die op haar beurt de moedervennootschap van de NV Yatzy was, dat deze vennootschappen "op volkomen regelmatige wijze werden opgericht en elk hun onderscheiden rechtspersoonlijkheid kennen ; dat de erkenning van een rechtspersoon in een rechtsstelsel noodzakelijkerwijze de erkenning van een juridische fictie inhoudt, waardoor aan een vermogensrechtelijke contractuele constructie rechten worden toegekend die in se aan natuurlijke personen zijn voorbehouden ; dat de naleving van de wettelijke voorschriften tot gevolg heeft dat de 'artificiële' persoon die met eerbiediging van de reglementaire normen werd opgericht als een van zijn leden-contractpartijen (vennoten) afgescheiden persoon met rechtspersoonlijkheid wordt erkend ; dat dit noodzakelijkerwijs impliceert dat de rechtsgeldige oprichting van voormelde drie vennootschappen tot gevolg heeft dat elke vennootschap exclusief titularis van haar rechten en plichten is en daarenboven over een afzonderlijk patrimonium beschikt dat onderscheiden wordt van dat van haar leden-contractpartijen (vennoten) alsmede van dat van andere rechtspersonen ; (...) (verweersters) die, gelet op hun bevoorrechte positie als internationale beroepsverkopers derhalve onmiskenbaar geacht worden te weten dat zij enkel, bij de uitvoering van hun mandaat, instructies en opdrachten van de betrokken (rechts)persoon die eigenaar van het voorwerp van het mandaat is kunnen krijgen ; dat dit, wat (eisers) betreft, in casu geenszins het geval is". Na op pagina 19, voorlaatste alinea, uitdrukkelijk gesteld te hebben dat mr. V.B. bij de verkoop van het boorplatform "Yatzy" geenszins als curator van de NV Boelwerf handelde, maar als bijzonder lasthebber van de NV Yatzy, nu het genoemd platform geen activa van de NV Boelwerf was, vervolgden zij op pagina 23 van diezelfde besluiten onder de hoofding "onderscheiden rechtspersoonlijkheid" dat "de opdracht van de curator er inderdaad, ..., in bestaat om de activa van de gefailleerde te gelde te maken en het opgebrachte geld te verdelen, dat het boorplatform 'Yatzy' van de activa van het faillissement van de NV Boelwerf helemaal geen deel uitmaakte, dat het hoofdaandeelhouderschap van de NV Boelwerf in de NV Yatzy nog niet betekent dat de activa van de dochter plots deel van de activa van de hoofdaandeelhouder zouden uitmaken ; dat de (verweersters) nooit hebben betwist dat de NV Boelwerf en de NV Yatzy twee onderscheiden rechtspersonen zijn met elk een eigen vermogen", waaruit zij de manifeste ongegrondheid van verweersters' vordering afleidden (pagina 19, laatste alinea). Hieruit volgt het hof van beroep dat voornoemd verweer onbeantwoord laat zijn beslissing niet regelmatig met redenen omkleedt (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). 2. Tweede onderdeel 1. Te rekenen van het vonnis van faillietverklaring verliest de gefailleerde, krachtens artikel 444 van de Wet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, die boek III van het Wetboek van koophandel vormt, zoals dit artikel van kracht was vóór de opheffing van de oude Faillissementswet door artikel 149 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, thans artikel 16 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, het beheer over al zijn goederen en wordt dat beheer toevertrouwd aan een curator die als gerechtelijk lasthebber de bij wet bepaalde machten uitoefent in het belang zowel van de gezamenlijke schuldeisers als van de gefailleerde. De algemene opdracht van de curator in het faillissement bestaat erin het actief van de gefailleerde te gelde te maken en het opgebrachte geld te verdelen. Meer bepaald oefent de curator voor rekening van de boedel alle vorderingen uit die verband houden met het gemeenschappelijk vermogen van de gefailleerde, inzonderheid de vorderingen die strekken tot de wedersamenstelling, de bescherming of de vereffening van het vermogen, zonder dat hij weliswaar andere rechten dan deze die hij in de boedel aantreft kan uitoefenen. 2. Blijkens de artikelen 1832 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Vennootschappen, en 1 van het Wetboek van Vennootschappen, wordt een vennootschap opgericht door een contract op grond waarvan twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met als doel een of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen. Uit artikel 2 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, thans artikel 2, ,§4, van het Wetboek van Vennootschappen, volgt dat de handelsvennootschap, opgericht overeenkomstig de bepalingen van de gecoördineerde Vennootschappenwet, thans het Wetboek van vennootschappen, rechtspersoonlijkheid verkrijgt, waardoor zij is te onderscheiden van de persoon van haar vennoten. Zolang zij als rechtspersoon bestaat is zij bovendien uitsluitend eigenaar van haar vermogen, dat afgescheiden is van het vermogen van haar vennoten, wier aandelen alleen recht geven op de uitkering van een dividend en, bij vereffening, op een evenredig deel van het liquidatiesaldo. Uit het voorgaande volgt onder meer dat de aandeelhouders van een naamloze vennootschap, die eigenaar is van aandelen van een andere vennootschap, zelf geen aandeelhouders van laatstgenoemde vennootschap zullen zijn en a fortiori in die vennootschap ook geen enkel persoonlijk recht zullen kunnen laten gelden dan wel enig rechtstreekse zeggenschap uitoefenen aangaande de tegeldemaking van het actief van die vennootschap. 3. Uit de artikelen 13 en 61 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, thans artikel 61, ,§1, van het Wetboek van Vennootschappen, volgt dat de vennootschappen handelen door hun organen, waarvan de bevoegdheid wordt vastgelegd door het Wetboek van Vennootschappen, het doel en de statuten. De leden van deze organen zijn niet persoonlijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap. Artikel 53 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, thans artikel 517 van het Wetboek van Vennootschappen, bepaalt voorts dat de naamloze vennootschap bestuurd wordt door natuurlijke of rechtspersonen, al dan niet bezoldigd. Deze bestuurders zijn blijkens artikel 54 van de gecoördineerde Vennootschappen, bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet alleen de algemene vergadering bevoegd is. Artikel 70 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, thans artikel 531 van het Wetboek van Vennootschappen, stelt voorts dat de algemene vergadering van aandeelhouders de meest uitgebreide bevoegdheid heeft om de handelingen die de vennootschap aangaat te verrichten of te bekrachtigen. Diezelfde algemene vergadering van vennoten, met uitsluiting van de individuele aandeelhouders, zal overeenkomstig artikel 179 van de gecoördineerde Vennootschapswet, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 8 augustus 1997 en zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Vennootschappen, thans artikel 184 van het Wetboek van Vennootschappen, voor zover niets anders is overeengekomen, de wijze van vereffening bepalen. Uit het voorgaande volgt dat, zolang een vennootschap bestaat, de beslissingen die de vennootschap aanbelangen, daaronder begrepen de beslissing tot tegeldemaking van het actief van die vennootschap, door haar organen, waaronder de algemene vergadering der aandeelhouders, zullen worden genomen, met uitsluiting van enig ander persoon, en dat die beslissingen vervolgens ook door haar organen en lasthebbers zullen worden ten uitvoer gelegd. De daadwerkelijke tegeldemaking van enig actief van een andere vennootschap dan de failliet verklaarde vennootschap kan zodoende nooit begrepen zijn in de vereffeningopdracht van de curator van de failliet verklaarde vennootschap, ongeacht of die failliet verklaarde vennootschap, rechtstreeks dan wel onrechtstreeks, eigenaar is van een aanzienlijk pakket aandelen in eerstgenoemde vennootschap en als aandeelhouder zou beslist hebben tot de tegeldemaking van dat actief door bemiddeling van een makelaar. Hieruit volgt dat het hof van beroep dat oordeelt dat mr. V.B. in zijn hoedanigheid van mede-curator van het faillissement van de NV Boelwerf, binnen het raam van zijn vereffeningopdracht, verweersters heeft aangesteld als makelaar, zodat hij ook als curator van het faillissement van de NV Boelwerf verbintenissen heeft aangegaan voor het beheer van de boedel van de NV Boelwerf, zodoende de draagwijdte miskent van de opdracht, die de curator uit de Faillissementswet put (schending van de artikelen 444, 470, 479, 487, eerste lid, 528 van de wet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, die boek III van het Wetboek van Koophandel vormt, zoals deze artikelen van kracht waren vóór de opheffing van het oude Faillissementswet door artikel 149 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 16, 51, 57, eerste lid, 75 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 4 september 2002), daarbij tevens de van elkaar onderscheiden rechtspersoonlijkheden en vermogens van vennootschap en aandeelhouder miskent (schending van de artikelen 1, 2, 13, 53, 54, 61, 70, 179 van de gecoördineerde Vennootschappenwet, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Vennootschappen, 1832 van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Vennootschappen, 1, 2, ,§,§2 en 4, 61, ,§1, 184, 517, 522 en 531 van het Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wetten van 23 januari 2001 en 2 augustus 2002) evenals de regels inzake de vertegenwoordiging van de rechtspersoon (schending van de artikelen 13, 53, 54, 61, 70, 179 van de gecoördineerde Vennootschapswet, zoals van toepassing vóór de inwerkingtreding van het Wetboek van Vennootschappen, 61, ,§1, 184, 517, 522 en 531 van het Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wetten van 23 januari 2001 en 2 augustus 2002) en in die omstandigheden evenmin wettig kon besluiten dat er in hoofde van de failliet verklaarde vennootschap Boelwerf sprake was van een schuld van de boedel (schending van de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet, 451, 561 van de wet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, die boek III van het Wetboek van koophandel vormt, zoals deze artikelen van kracht waren vóór de opheffing van de oude Faillissementswet door artikel 149 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 23 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, evenals het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldeisers). 3. Derde onderdeel Een schuld kan alleen dan een boedelschuld zijn wanneer de curator qualita qua verbintenissen heeft aangegaan voor het beheer van de boedel. Alleen in dat geval moet de boedel de verbintenissen uit dat beheer nakomen en de lasten ervan dragen. De boedel kan zodoende niet worden aangesproken voor verbintenissen die door de curator in een andere hoedanigheid dan deze van curator van de gefailleerde zouden worden aangegaan. Te dezen stelt het hof van beroep vast dat mr. V.B. handelde als lasthebber van de NV Yatzy en als mede-curator van het faillissement van de NV Boelwerf. Bij toepassing van artikel 1984 van het Burgerlijk Wetboek is de lastgeving een handeling, waarbij een persoon aan een ander de macht geeft om iets voor de lastgever en in zijn naam te doen. Artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt voorts dat de lastgever gehouden is de verbintenissen na te komen, die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan. De handelingen, gesteld door een persoon als lasthebber van een ander persoon, zullen dan ook uitsluitend aan die lastgever kunnen worden toegerekend, tenzij wordt vastgesteld dat de lasthebber buiten de hem verleende macht heeft gehandeld. Hieruit volgt dat het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit volgt dat mr. V.B. handelde als lasthebber van de NV Yatzy, aan wie de handelingen, door voornoemde persoon gesteld, derhalve dienden te worden toegerekend, niet wettig kon besluiten dat de aan verweersters verschuldigde commissie als een boedelschuld van de NV Boelwerf, dit is als een schuld aangegaan door de curatele voor het beheer van het faillissement van de NV Boelwerf, was te aanzien (schending van de artikelen 1984, 1998 van het Burgerlijk Wetboek, 8 en 9 van de Hypotheekwet die titel XVIII van boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt 451, 561, van de Faillissementswet van 18 april 1851 inzake faillissement, bankbreuk en uitstel van betaling, die boek III van het Wetboek van koophandel vormt, zoals deze artikelen van kracht waren vóór de opheffing van de oude Faillissementswet door artikel 149 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, 23 en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 4 september 2002, evenals van het algemeen rechtsbeginsel inzake de gelijkheid van de schuldeisers). IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters door te oordelen dat eisers in het actief van de NV Boelwerf "het overgrootste gedeelte van de aandelen (vonden) (...) van de NV Yatzy", zij als curatoren van de NV Boelwerf met verweerders onderhandelingen voerden over de verkoop van het boorplatvorm "Yatzy" toebehorend aan de NV Yatzy, hierbij steeds de hoedanigheid vermeldend van curator van het faillissement van de NV Boelwerf en deze onderhandelingen "niet anders dan gezien (kunnen) worden binnen de context van de vereffening van het actief dat de curatoren hebben vastgesteld in het faillissement van de NV Boelwerf", het bedoelde verweer verwerpen en beantwoorden ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat ten laste van de faillissementsboedel komen, de schulden die na het faillissement zijn ontstaan en die door de curator werden aangegaan als beheerder van de failliete boedel ; Dat hiertoe ook moeten worden gerekend de handelingen die de curator in het raam van zijn opdracht stelt met het oog op de tegeldemaking van de activa van een vennootschap die door de failliete vennootschap wordt gecontroleerd ; Dat de omstandigheid dat alleen de aandeelhouders van de gecontroleerde vennootschap over de vereffening ervan kunnen beslissen niets afdoet ten aanzien van de boedel aan de aard van de opdracht gegeven door de curator van de controlerende vennootschap ; Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de NV Boelwerf "het overgrootste gedeelte van de aandelen en zeggenschap had in de NV Yatzy", dat de eisers met vermelding van hoedanigheid als curatoren van de NV Boelwerf onderhandelingen voerden over de verkoop van het boorplatform "Yatzy" dat het "enig noemenswaardig actief van de NV Yatzy was" en hierover verslag werd uitgebracht aan de rechter-commissaris ; Dat de appèlrechters oordelen dat de onderhandelingen over de verkoop van het boorplatform kaderden in de vereffening van het faillissement van de NV Boelwerf en deze verkoop was ingegeven door de bedoeling die vereffening op de meest optimale wijze te laten verlopen ; dat zij op grond hiervan beslissen dat de aan de makelaars verschuldigde commissie voor de verkoop van het boorplatform een boedelschuld is van het faillissement van de NV Boelwerf ; Dat de appèlrechters door aldus te oordelen dat de aanstelling van de curator als mandataris noodzakelijk was voor het beheer van de boedel, hun beslissing naar recht verantwoorden ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; 3. Derde onderdeel Overwegende dat gelet op het antwoord op tweede onderdeel, het onderdeel dat opkomt tegen een ten overvloede gegeven redengeving, al ware het gegrond, niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van negenhonderd vierenzestig euro acht cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd tweeënzestig euro negen cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.23 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090116.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020307.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.