id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.25 Rolnummer: C.04.0054.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 185 - laatst gezien 2026-07-03 13:34 Versie(s): Vertaling FR Fiche De medewerking van de commissaris inzake opschorting aan de handelingen van de schuldenaar, waardoor bij faillissement de schulden aangegaan gedurende de akkoordprocedure als boedelschulden van het faillissement gelden, vereist dat de commissaris inzake opschorting daden stelt gericht op het tot stand komen van de handeling; bijstand van de commissaris inzake opschorting kan slechts bestaan indien hij, vóór de handeling gesteld wordt, hulp biedt bij het tot stand komen van de handeling
(1)Zie J. Caeymaex, "Les privilèges - Les modifications entraînées par les lois de 1997 et par la jurisprudence subséquente" in Concordat judiciaire et faillites, 2002, 151-152; Y. Dumon en H. Stranart, "Le concordat judiciaire. Loi du 17 juillet 1997", J.T., 1997, 870; L. Hervé, "Aperçu général du sort des contrats en cours dans le cadre des nouvelles lois sur la faillite et sur le concordat judiciaire" in La Faillite et le concordat en droit positif belge après la réforme de 1997, Faculté de droit de Liège, 1998, 517, nr 57; M. Tison, "Dépistage en gerechtelijk akkoord na de wet van 17 juli 1997", R.W., 1997-1998, 432, 140; I. Verougstraete, Manuel de la faillite et du concordat, Kluwer 2003, 235, nr
- Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GERECHTELIJK AKKOORD Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GERECHTELIJK AKKOORD Schuld aangegaan gedurende de akkoordprocedure Faillissement Boedelschuld Wettelijke bepalingen: Wet - 17-07-1997 - Art.44,tweede Tekst van de beslissing Nr.C.04.0054.N FORTIS BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg, 3, ingeschreven in het handelsregister te Brussel, nummer 76.034, eiseres, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1a. V.J. 1b. D.N. beiden handelend in hun hoedanigheid van curators van het faillissement van de naamloze vennootschap J.M. Balmatt Industries, met maatschappelijke zetel te 2400 Mol, Lichtstraat 20, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer 807, en van het faillissement van de naamloze vennootschap J.M. Balmatt, met maatschappelijke zetel gevestigd te 2400 Mol, Lichtstraat 20, ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder nummer 50.183, hiertoe aangesteld bij vonnissen van Rechtbank van Koophandel te Turnhout van 1 juli 1998, beide faillissementen samengevoegd tot een boedel bij vonnis van 27 oktober 1998 van de Rechtbank van Koophandel te Turnhout,
- HOLCIM (BELGIË), naamloze vennootschap, met zetel te 7034 Obourg, rue des Fabriques 2,
- FORTIS COMMERCIAL FINANCE, naamloze vennootschap, met zetel te 2300 Turnhout, steenweg op Tielen 51,
- KBC BANK, naamloze vennootschap, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2,
- D.A.,
- M.L. verweerders, de partijen sub 3 tot en met 6 minstens in gemeen- en bindendverklaring van het tussen te komen arrest opgeroepen partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 juni 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; - de artikelen 10, 15, ,§1, derde lid, 19 en 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord ; - de artikelen 1315, 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek ; - artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 26 juni 2003 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van de NV Fortis Commercial Finance ongegrond, het incidenteel beroep van de NV Holcim deels gegrond en zegt rechtens dat de schuldvordering van de NV Holcim als een boedelschuld moet worden aangezien voor een bedrag van 188.377,43 euro en dat zij te samen met de pandhoudende schuldeisers mede gerechtigd is op de opbrengst van de verkoop van het handelsfonds van Balmatt, zegt tevens dat haar overige schuldvorderingen kunnen worden opgenomen in het gewoon passief van het faillissement, wijst het overige van haar vordering af, verklaart het incidenteel beroep van de NV KBC Bank en van eiseres ongegrond en compenseert de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer (gesteund) : - op volgende overwegingen : "
- Wat betreft de aard van de schuld ontstaan tijdens de periode van voorlopige opschorting. De eerste rechter heeft op grond van vermoedens bewezen geacht dat de commissarissen inzake opschorting hun medewerking hebben verleend bij het ontstaan van de schuld tijdens de periode van voorlopige opschorting. Het hof neemt de motieven van de eerste rechter ter zake over. Deze motieven zijn in hoger beroep niet weerlegd geworden. Hieraan voegt het hof nog toe dat de leveringen van Holcim blijkbaar onontbeerlijk waren in het productieproces van Ballmat zodat het ondenkbaar is dat de verderzetting van de handelsactiviteit mogelijk was zonder deze leveringen. Vermits de commissarissen onmiskenbaar instemden met de voorlopige verderzetting van de activiteit van Ballmatt impliceert dit hun instemming met de betrokken aankopen. Ook al ontbreekt het formele bewijs van de bijstand van de commissarissen bij het ontstaan van de schuld in kwestie dan is deze bijstand alleszins bewezen door het verloop van de feiten. Holcim maakt derhalve terecht aanspraak op de erkenning van dit deel van haar schuldvordering als een boedelschuld art. 44,2 WGA", - evenals op de hierna aangehaalde overwegingen van de eerste rechter : "21.1 NV Obourg Cement is leverancier van de gefailleerden voor en na de periode van het gerechtelijk akkoord. 21.2 NV Obourg Cement vordert de opname in de lijst van de boedelschulden, ontstaan tijdens de periode van gerechtelijk akkoord, ten bedrage van 7.599.127 BEF. 21.3 De curatoren concluderen dat zij akkoord gaan met de opname als boedelschulden, mits alsnog het bewijs wordt geleverd van de medewerking, machtiging of bijstand door de commissaris inzake opschorting. 21.4 Uit de zekere feiten : dat de commissarissen inzake opschorting kennis hadden van het voortduren der cementleveringen tijdens de akkoordprocedure met het oog op de continuïteit van de onderneming, dat de commissarissen inzake opschorting behulpzaam waren bij de continuïteit van de onderneming, dat de commissarissen inzake opschorting stilzwijgend instemden met het voortduren der cementleveringen tijdens de akkoordprocedure met het oog op de continuïteit van de onderneming, leidt de rechtbank af dat de commissarissen inzake opschorting tijdens de akkoordprocedure medewerking verleenden aan de inmiddels gefailleerden voor het aangaan van schilden ten aanzien van de NV Obourg Cement voor het leveren van cement. De medewerking van de commissarissen inzake opschorting is aldus door vermoeden bewezen. Nu de zaak omtrent de omvang van het bedrag, op te nemen in de lijst der boedelschulden, in staat is en er geen betwisting is over dit bedrag zegt de rechtbank voor recht dat de vordering van de NV Obourg Cement voor een bedrag van 7.599.127 BEF worden opgenomen in de lijst van boedelschulden". Grieven 1.
- Eerste onderdeel
- Blijkens artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, worden handelingen door de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting, bij faillissement beschouwd als handelingen van de curator, waarbij de schulden gedurende de akkoordprocedure aangegaan, gelden als boedelschulden van het faillissement. Uit voornoemde bepaling volgt dat enkel die handelingen die worden verricht met medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting bij faillissement zullen kunnen worden beschouwd als boedelschulden. Noch uit deze bepaling, noch uit de artikelen 15, ,§1, derde lid, en 19 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, welke respectievelijk bepalen dat de rechtbank kan bepalen dat de schuldenaar geen daden van bestuur of beschikking mag verrichten zonder machtiging van de commissaris inzake opschorting, die door de rechtbank wordt aangewezen, en dat de commissaris inzake opschorting ermee belast is de schuldenaar bij te staan bij het bestuur, onder toezicht van de rechtbank, kan worden afgeleid dat de handelingen, gesteld door de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure, automatisch moeten geacht worden met medewerking, bijstand of machtiging van de commissaris inzake opschorting te zijn gesteld.
- Van medewerking, machtiging of bijstand van de commissaris inzake opschorting inzake artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord is er per definitie slechts sprake in geval van actieve tussenkomst van de betrokkene. De term "machtiging" verwijst meer bepaald naar de handelingen die door de gemachtigde persoon, in casu de schuldenaar, worden gesteld na hiertoe speciaal toelating van een daartoe door de wet aangewezen persoon, in casu de commissaris inzake opschorting, te hebben bekomen, anders gezegd naar handelingen die aan de voorafgaande machtiging van een derde zijn onderworpen, die de voorafgaande goedkeuring van die derde vereisen. Dergelijke handeling komt slechts rechtsgeldig tot stand mits de tussenkomst van de betrokkene, hypothese die door artikel 15, ,§1, derde lid, van de wet van 17 juli 1997 wordt geviseerd, doch waarvan in de onderhavige zaak geen toepassing werd gemaakt. De begrippen "bijstand" en "medewerking" viseren hunnerzijds de tussenkomst van een derde bij de totstandkoming van een bepaalde handeling, zonder dat deze bijstand of medewerking, behoudens afwijkende bepaling in de wet, de rechtsgeldigheid van de kwestieuze handeling zal beïnvloeden. Een handeling gesteld met bijstand van een derde is meer bepaald de handeling die wordt gesteld door een persoon naast wie tegelijkertijd een derde optreedt die de bijgestane persoon met raad bijstaat, tussenkomst die per definitie is te situeren vóór de handeling. Bijstand verwijst zodoende naar een actieve tussenkomst van een derde, te weten de commissaris inzake opschorting, bij de totstandkoming van de handeling. De medewerking van een derde, waarvan sprake in artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997, viseert ten slotte hulp die verleend wordt bij het streven naar een bepaald doel, die bijdraagt tot de totstandkoming van een handeling. Per definitie verwijst ook dit zelfstandig naamwoord naar een actieve daad, naar een actieve tussenkomst van een derde bij de totstandkoming van een verbintenis.
- Uit de ontleding van voorgaande begrippen volgt dat er slechts sprake zal zijn van een boedelschuld wanneer blijkt dat de commissaris inzake opschorting op actieve wijze heeft bijgedragen tot de totstandkoming van die verbintenis. Bovendien moet deze medewerking of bijstand per definitie aan de nieuwe verbintenis voorafgaan. Hieruit volgt dat op grond van de gedane vaststellingen van het bestreden arrest, waaruit niet blijkt dat de commissarissen inzake opschorting actief tussenkwamen bij de totstandkoming van de nieuwe verbintenissen, aangegaan door Balmatt ten aanzien van de NV Obourg Cement, naderhand NV Holcim, het hof van beroep niet wettig kon besluiten, zonder aldus de begrippen "medewerking" en "bijstand", waarvan sprake in artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, te miskennen, dat vaststond dat de commissarissen inzake opschorting meewerkten aan de totstandkoming van de nieuwe cementleveringen dan wel hierbij hun bijstand verleenden (schending van artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord). In ieder geval kon het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, waaruit niet blijkt dat de beweerde instemming van de commissarissen inzake opschorting met de nieuwe cementleveringen en aankopen iets anders inhield dan een afwezigheid van bezwaar tegen de gedane aankopen en waaruit ook niet blijkt dat die stilzwijgende "instemming" aan het ontstaan van de schulden ten aanzien van de NV Obourg Cement voorafging, niet wettig besluiten dat het bewijs was geleverd dat de schulden met de bijstand of medewerking van de commissarissen inzake opschorting werden aangegaan en de schulden derhalve als boedelschulden waren te aanzien (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 19 en 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord). Minstens is het bestreden arrest, waarvan de vaststellingen niet toelaten uit te maken of volgens het hof van beroep de medewerking dan wel de bijstand, waarvan sprake in artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, al dan niet een actieve en voorafgaande tussenkomst van de commissaris inzake opschorting bij de totstandkoming van de overeenkomst vergt, met dien verstande dat in het ontkennend geval de beslissing door een onwettigheid zou zijn aangetast, waardoor het de wettigheidscontrole van het hof onmogelijk maakt, niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994). 1.
- Tweede onderdeel Blijkens artikel 19 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord wordt de commissaris inzake opschorting, aangewezen door de rechtbank, ermee belast de schuldenaar bij te staan bij het bestuur, onder toezicht van de rechtbank. Behoudens de uitzondering, bepaald bij artikel 15, ,§1, derde lid, van diezelfde wet, naar luid waarvan de rechtbank kan bepalen dat de schuldenaar geen daden van bestuur of beschikking mag verrichten zonder machtiging van de commissaris inzake opschorting, behoudt de schuldenaar weliswaar zijn volledige handelingsbekwaamheid. De commissaris inzake opschorting heeft zodoende zelf geen enkele bestuurs- of beslissingsbevoegdheid. Zijn opdracht moet bovendien worden geïnterpreteerd in het licht van het opzet van de wet, zoals omschreven in artikel 10 van de wet, te weten een onderneming, die tijdelijk haar schulden niet kan voldoen of waarvan de continuïteit wordt bedreigd door moeilijkheden die op min of meer korte termijn kunnen leiden tot het ophouden van betalen, helpen om haar tijdelijke moeilijkheden te overbruggen. De opdracht van de commissaris inzake opschorting bestaat er dan ook in essentie in toezicht uit te oefenen op het verloop van de verderzetting van de activiteiten en, waar nodig, bepaalde herstelmaatregelen te suggereren. Het komt hem evenwel niet toe, behoudens de hypothese van artikel 15, ,§1, derde lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, om in te stemmen met het aangaan door de schuldenaar van nieuwe verbintenissen. Hieruit volgt dat in zoverre het bestreden arrest oordeelt dat uit het enkele feit dat de commissaris inzake opschorting behulpzaam is bij de continuïteit van de onderneming en kennis heeft van de verderzetting van de activiteit van de onderneming volgt dat de commissarissen inzake opschorting moeten hebben ingestemd met de gedane cementleveringen, zelfs buiten de hypothese van artikel 15, ,§1, derde lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, het hof van beroep de opdracht van de commissaris inzake opschorting miskent (schending van de artikelen 10, 15, ,§1, derde lid, en 19, eerste lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord). 1.3 Derde onderdeel Het bewijs van een rechtsfeit kan door alle middelen van recht, waaronder getuigen en vermoedens, worden geleverd. Blijkens artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek, zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om tot een onbekend feit te besluiten. Voornoemd artikel wordt dan ook geschonden wanneer een vermoeden wordt afgeleid uit gegevens zonder dat vaststaat dat deze als bekende feiten moeten worden aangemerkt. Te dezen blijkt uit de procedurestukken dat betwisting bestond aangaande de medewerking aan of de bijstand bij de totstandkoming van de verbintenissen van de NV Obourg Cement, naderhand Holcim genaamd, die door de commissarissen inzake opschorting zou zijn verleend geworden. Inzonderheid werd iedere voorafgaande tussenkomst vanwege de commissarissen inzake opschorting bij de totstandkoming van deze nieuwe leveringen betwist. Uit de overwegingen van het bestreden arrest zelf blijkt overigens dat deze instemming betwist was en derhalve een onzeker karakter vertoonde, nu het hof van beroep het bewijs van die instemming afleidt uit de instemming van de commissaris inzake opschorting met de verderzetting van de handelsactiviteit en zodoende bevestigt dat het bewijs van de medewerking door de eerste rechter, wiens redenen het overneemt, werd afgeleid uit een feit dat zelf onbekend was. Hieruit volgt dat het hof van beroep dat, met overname van de redenen van de eerste rechter, de stilzwijgende instemming van de commissaris inzake opschorting met het voortduren van de cementleveringen als een bekend feit weerhoudt om hieruit het bewijs van de medewerking in hoofde van de commissaris inzake opschorting af te leiden, en aldus een onbekend en derhalve nog te bewijzen feit weerhoudt om mede hieruit het vermoeden van de medewerking van de commissarissen inzake opschorting af te leiden, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (schending van artikel 1349 van het Burgerlijk Wetboek) en derhalve niet wettig kon besluiten dat de medewerking van de commissarissen inzake opschorting bij de nieuwe cementleveringen bewezen was (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek). 1.4 Vierde onderdeel Indien de feitenrechter op onaantastbare wijze de feiten bepaalt die hij ten titel van vermoeden weerhoudt, vermag hij weliswaar niet uit de door hem gedane vaststellingen gevolgen af te leiden die op grond van de gedane vaststellingen onmogelijk kunnen worden verantwoord. Te dezen stelt het hof van beroep, met overname van de redenen van de eerste rechter, vast dat de commissarissen inzake opschorting kennis hadden van het voortduren van de cementleveringen, behulpzaam waren bij de continuïteit en stilzwijgend instemden met het voortduren van de cementleveringen c.q. met de aankopen. Geen van deze feiten laat evenwel toe te besluiten dat de commissarissen inzake opschorting actief zouden hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de nieuwe verbintenissen, verband houdende met de cementleveringen tijdens de akkoordprocedure dan wel terzake hun bijstand zouden hebben verleend. Zij wijzen er hoogstens op dat de commissarissen inzake opschorting van de cementleveringen op een gegeven tijdstip op de hoogte zijn geweest en hiertegen geen bezwaar hebben geformuleerd. Hieruit volgt dat het hof van beroep uit de gedane vaststellingen niet wettig kon afleiden, zonder aldus het rechtsbegrip "vermoeden" te miskennen door hieruit gevolgen af te leiden die op grond van die feiten onmogelijk konden worden gerechtvaardigd, dat de medewerking aan dan wel de bijstand bij de totstandkoming van de cementleveringen tijdens de akkoordprocedure van de commissaris inzake opschorting was bewezen (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). In ieder geval kon het hof van beroep op grond van de gedane vaststellingen, inzonderheid de vaststelling dat de commissarissen inzake opschorting kennis hadden van de verderzetting, van de activiteit van de schuldenaar, behulpzaam waren bij de continuïteit van de onderneming, stilzwijgend instemden met het voortduren van de leveringen, feit dat betwist was, en instemden met de nieuwe aankopen, vaststellingen waaruit echter geenszins blijkt dat de commissarissen inzake opschorting actief tussenkwamen bij de totstandkoming van de nieuwe verbintenissen ten aanzien van de NV Obourg Cement, thans de NV Holcim, niet wettig besluiten dat het bewijs was geleverd dat de schulden met de bijstand of medewerking van de commissarissen inzake opschorting werden aangegaan (schending van artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek, 870 van het Gerechtelijk Wetboek, 19 en 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord).
- Tweede middel Geschonden wetsbepalingen - artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord ; - artikel 99 van de wet van 8 augustus 1997 ; - de artikelen 1, 2 en 9 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede door de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen ; - de artikelen 8 en 9 van de Hypotheekwet. Aangevochten beslissingen Bij het bestreden arrest van 26 juni 2003 verklaart het Hof van Beroep te Antwerpen het hoger beroep van de NV Fortis Commercial Finance ongegrond, het incidenteel beroep van de NV Holcim deels gegrond en zegt rechtens dat de schuldvordering van de NV Holcim als een boedelschuld moet worden aangezien voor een bedrag van 188.377,43 euro en dat zij te samen met de pandhoudende schuldeisers mede gerechtigd is op de opbrengst van de verkoop van het handelsfonds van Balmatt, verklaart het incidenteel beroep van eiseres ongegrond en compenseert de kosten van beide aanleggen. Deze beslissing is onder meer op volgende overwegingen gegrond : "Het hof verwijst naar de beginselen zoals de hiervoor werden uiteen gezet met betrekking tot de schuldvordering van Fortis. De leveringen van Holcim hadden geen enkel verband met de onroerende goederen waarop de hypotheek rustte. Holcim kan dan ook geen aanspraak maken op de opbrengst van de verkoop van deze onroerende goederen ter delging van haar boedelschuld. De leveringen van Holcim tijdens de periode van opschorting hebben een rechtstreekse invloed gehad op het bestaande handelsfonds. De geleverde goederen zijn immers deel gaan uitmaken van het handelsfonds, hetzij in de vorm van voorraad (het feit dat desgevallend het pand zich slechts uitstrekt tot de helft van de voorraad doet hieraan geen afbreuk), hetzij als afgewerkt product na verwerking in het productieproces. De leveringen stelden Balmatt tevens in staat te blijven produceren en aldus het cliënteel te blijven beleveren en dit in stand te houden. Zodoende betreft het schulden die rechtstreeks verband houden met het handelsfonds en zijn de leveringen mede ten goede gekomen aan de pandhoudende schuldeisers op dit handelsfonds. Holcim kan dan ook aanspraak maken op betaling van deze schuldvordering uit de opbrengst van de verkoop van het handelsfonds. Er is evenwel geen gegronde reden om deze schuldvordering te laten primeren boven de schuldvordering van de pandhoudende schuldeisers : 1) deze verliezen immers niet hun rechten op het onderpand van hun zekerheid door het feit dat andere schuldeisers hierop ook aanspraken kunnen laten gelden en 2) de goederen van de gefailleerde die het onderpand vormen van genoemde schuldeiser mag dan al een separate boedel vormen, dan nog biedt dit enkel een bescherming ten overstaan van de schuldeisers in de massa en geldt deze bescherming niet ten overstaan van de schuldeisers van de massa aan wie het trouwens in beginsel toegelaten is de uitvoering van hun vordering na te streven ondanks het faillissement. Tussen de pandhoudende schuldeisers en Holcim ontstaat aldus een samenloop op de opbrengst van de verkoop van het handelsfonds en deze opbrengst dient in verhouding met de omvang van hun schuldvorderingen tussen hen te worden verdeeld (mede rekeninghoudend met de rang tussen de pandhoudende schuldeisers onderling). De curators zijn bij de verkoop van de goederen in kwestie te dezen in het uitsluitend belang opgetreden van de pandhouders en de boedelschuldeisers zodat de kosten in verband met de realisatie ten laste moeten blijven van deze schuldeiseres en de genoemde samenloop zich enkel voordoet op de netto-opbrengst.
- Wat betreft de rangregeling De argumenten van Fortis Bank werden beantwoord in hetgeen voorafgaat. Wat betreft de verdeling van de opbrengst van de verkoop van het handelsfonds zal zij de concurrentie moeten dulden van Holcim in hiervoor bepaalde mate". Grief De boedelschulden, waarvan sprake in artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, kunnen slechts worden voorafgenomen van de opbrengst van het met een rechtsgeldige hypotheek, voorrecht of pand bezwaarde goed, waarvan de curator aantoont dat zij hebben bijgedragen tot het behoud of de verwezenlijking ervan. Slechts als zij een specifiek voordeel hebben gehaald uit de schulden, gemaakt voor de bewaring en de tegeldemaking van het pand, en slechts in de mate, zullen zij kunnen worden betaald met de opbrengst van het hypothecaire of bevoorrechte goed. Te dezen stelt het hof van beroep uitdrukkelijk vast dat de leveringen van Holcim tijdens de periode van opschorting een rechtstreekse invloed hebben gehad op het bestaande handelsfonds, vermits de geleverde goederen deel zijn gaan uitmaken van het handelsfonds, hetzij in de vorm van voorraad, hetzij als afgewerkt product na verwerking in het productieproces en dat de leveringen Balmatt in staat stelden te blijven produceren en aldus het cliënteel te blijven beleveren en dit in stand te houden en besluit dat deze schulden rechtstreeks verband hielden met het handelsfonds en dat de leveringen mede ten goed zijn gekomen aan de pandhoudende schuldeisers op dit handelsfonds. Uit de gedane vaststellingen blijkt aldus dat de aangegane schulden deels hebben bijgedragen tot het vormen van de voorraad, welke weliswaar slechts ten belope van 50 pct van de waarde ervan deel uitmaakt van het pand op handelszaak. Blijkens artikel 2 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede door de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen, omvat het pand inderdaad het geheel der waarden die een handelszaak uitmaken en mag het de aanwezige voorraad opgeslagen waren ("les marchandises en stock") tot een bedrag van 50 pct. hunner waarde bevatten, met dien verstande dat onder de voorraad de goederen worden bedoeld die voor belevering in aanmerking komen, anders gezegd de koopwaar. De schulden aangegaan tot vorming van de voorraad zullen dan ook slechts ten belope van de mate waarin zij hebben bijgedragen tot de vorming van de voorraad, die tot een bedrag van 50 pct. deel uitmaakt van het pand op handelszaak, in samenloop kunnen komen met de pandhoudende schuldeiser op de opbrengst ervan. Hieruit volgt dat het hof van beroep, dat uitdrukkelijk vaststelt dat de door Holcim geleverde goederen deel zijn gaan uitmaken van het handelsfonds, hetzij in de vorm van voorraad, hetzij als afgewerkt product na verwerking in het productieproces en derhalve ook een rechtstreekse invloed uitoefenden op de vorming van de voorraad, die weliswaar slechts ten belope van de helft van de waarde ervan deel uitmaakte van het pand van eiseres, niet wettig kon besluiten dat de NV Holcim voor het geheel van haar schuldvordering met eiseres in samenloop kwam op de opbrengst van de handelszaak (schending van de artikelen 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, 8 en 9 van de Hypotheekwet, 1, 2, 9 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede door de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik van de gedane leveringen en 99 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997). Bovendien is het bestreden (arrest) niet naar recht verantwoord in zoverre het de afgewerkte producten na verwerking in het productieproces niet aanziet als voorraad in de zin van artikel 2 van de wet van 25 oktober 1919 (schending van artikel 2 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede door de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de appèlrechters te dezen niet konden oordelen dat er sprake was van bijstand en medewerking van de commissaris inzake opschorting ; Overwegende dat, luidens artikel 44, tweede lid, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, handelingen door de schuldenaar tijdens de akkoordprocedure verricht met medewerking, machtiging, of bijstand van de commissaris inzake opschorting, bij faillissement worden beschouwd als handelingen van de curator, waarbij de schulden gedurende de akkoordprocedure aangegaan gelden als boedelschulden van het faillissement ; Dat er slechts bijstand van de commissaris inzake opschorting kan bestaan indien, vóór de handeling gesteld wordt, de commissaris inzake opschorting hulp biedt bij het tot stand komen van de handeling ; dat medewerking van de commissaris inzake opschorting vereist dat hij daden stelt gericht op het tot stand komen van de handeling ; Overwegende dat de appèlrechters, gedeeltelijk met verwijzing naar de redenen van het beroepen vonnis, oordelen wat betreft de aard van de schuld ontstaan tijdens de periode van voorlopige opschorting, dat de bijstand en de medewerking van de commissaris bewezen zijn ; Dat zij met overname van de redenen van de eerste rechter, de medewerking van de commissaris in de contracten gesloten met de NV Obourg Cement, thans NV Holcim, afleiden uit de volgende feiten :
- de commissarissen inzake opschorting hadden kennis van het voortduren der cementleveringen tijdens de akkoordprocedure ;
- de commissarissen inzake opschorting waren behulpzaam bij de continuïteit van de onderneming ;
- de commissarissen inzake opschorting stemden stilzwijgend in met het voortduren der cementleveringen tijdens de akkoordprocedure met het oog op de continuïteit van de onderneming ; Dat zij op grond van volgende feiten oordelen dat de commissarissen inzake opschorting bijstand verleenden aan de debiteur :
- de leveringen van Holcim waren blijkbaar onontbeerlijk in het productieproces van Balmatt zodat het ondenkbaar is dat de voortzetting van de handelsactiviteit mogelijk was zonder deze leveringen ;
- aangezien de commissarissen onmiskenbaar instemden met de voorlopige voortzetting van de activiteit van Ballmat, impliceert dit hun instemming met de betrokken aankopen ; Dat de appèlrechters op grond van deze vaststellingen niet konden oordelen dat de commissaris inzake opschorting medewerking en bijstand had verleend aan de debiteur in de contractuele relatie van deze laatste met de NV Obourg Cement ; Dat het onderdeel gegrond is ; 1.
- Overige grieven van het eerste middel Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ;
- Tweede middel Overwegende dat het tweede middel aan het arrest verwijt te hebben beslist dat de NV Holcim (vroeger Obourg Cement) voor het geheel van haar schuldvordering met eiseres in samenloop kwam op de opbrengst van de handelszaak en te hebben geoordeeld dat afgewerkte producten geen voorraad zijn ; Overwegende dat de vernietiging op grond van het eerste middel de vernietiging meebrengt van de beslissing over de opbrengst van de handelszaak, die er nauw mee verbonden is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de NV Holcim en over het incidenteel beroep van de NV Fortis Bank ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns en in openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050204.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div