id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.2 Rolnummer: S.04.0072.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 190 - laatst gezien 2026-07-04 12:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het recht op een brugpensioen dat is toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het Paritair Comité voor voedingsnijverheid blijft ook na het verstrijken van de bepaalde duur waarvoor deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten, behouden tot de bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Algemeen verbindend verklaard Geldingsduur Beperkt Paritair Comité voedingsnijverheid Brugpensioen Werknemers Rechten Verstrijken van geldingsduur Fiche 2 Zolang de bruggepensioneerde het brugpensioen, toegekend op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het Paritair Comité voor voedingsnijverheid blijft genieten, blijft het sociaal fonds ertoe gehouden de wettelijk bepaalde financiële lasten te dragen van de capitatieve maandelijkse bijdragen verschuldigd ingevolge de toekenning van dit brugpensioen. Thesaurus CAS: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST Algemeen verbindend verklaard Geldingsduur Beperkt Paritair Comité voedingsnijverheid Brugpensioen Financiële lasten Sociaal Fonds bestaanszekerheid Capitatieve maandelijkse bijdragen Verstrijken van geldingsduur Tekst van de beslissing Nr. S.04.0072.N.- HET WAARBORG- EN SOCIAAL FONDS VOOR DE INDUSTRIELE BAKKERIJ, KLEINBAKKERIJ EN KLEINBANKETBAKKERIJ, met zetel gevestigd te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Louis Mettewielaan 83, bus 42, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen BAKKERIJ DE KEERSMAEKER, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met vennootschapszetel gevestigd te 2900 Schoten, Paalstraat 7, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 23 mei 2003 op verwijzing gewezen door het Arbeidshof te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. Gelet op het arrest van dit Hof van 27 oktober
- III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 ; - artikel 1 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid ; - de artikelen 7 en 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende de toekenning van het brugpensioen op 55 jaar aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke bakkerijen, de kleinbanketbakkerijen, de ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 februari 1996 en artikel 1 van dat koninklijk besluit, evenals, voor zoveel als nodig, de artikelen 15, 31 en 33 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités ; - artikel 11, ,§1, tweede lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot uitvoering van Titel II van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen of halftijds brugpensioen. Aangevochten beslissing In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de hoofdvordering van verweerster, het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt het dienvolgens het bestreden vonnis van 3 juli 1998 in zoverre gezegd wordt voor recht dat eiser gehouden is tot ten laste neming van de drie maandelijkse capitatieve bijdragen ingevoerd door de Programmawet van 22 december 1990 (lees : de wet van 29 december 1990 en door de programmawet van 22 december 1989) en de wet van 3 april 1995, in de toekomst en voor zover verbonden aan het recht op brugpensioen van de heer M., ter ontlasting van verweerster en veroordeelt het eiser tot de kosten van beide instanties, met inbegrip van de voorziening in cassatie, op grond van de volgende motieven : "De betwisting in het kader van het hoofdberoep is beperkt tot de vraag wie van huidige gedingvoerende partijen de financiële last dient te dragen van de maandelijkse capitatieve bijdragen verschuldigd aan de Rijksdienst voor Pensioenen en aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor de bruggepensioneerde gewezen werknemer van (verweerster). Er bestaat tussen partijen geen betwisting over volgende punten : 1) de heer M. M. ging, na het ontslag door zijn werkgever op 23 augustus 1995, op brugpensioen zodat dit beheerst werd door de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het paritair comité voor de voedingsnijverheid tot toekenning van het brugpensioen op 55 jaar aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke bakkerijen, de kleinbanketbakkerijen, de ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 februari 1996 ; 2) overeenkomstig artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 dient het sociaal fonds de financiële lasten te dragen van de capitatieve maandelijkse bijdragen ingevoerd door de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen en door de programmawet van 22 december 1989 en door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling ; 3) overeenkomstig artikel 9 werd deze collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 gesloten voor een bepaalde tijd van twee jaar, met ingang van 1 januari 1995 om te eindigen op 31 december
- (Eiser) houdt voor dat de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 gewijzigd werd door een collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 8 augustus 1997, zodat (hij) vanaf 1 februari 1996 niet meer gehouden is tot tenlasteneming van de capitatieve bijdragen. Ter ondersteuning van zijn stelling verwijst (eiser) naar volgende bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997 : - artikel 7 : de bijzondere maandelijkse werkgeversbijdragen per bruggepensioneerde blijven volledig ten laste van de individuele ondernemingen ; - artikel 8 : deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten voor een bepaalde tijd ; zij heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997, met uitzondering van artikel 7, dat geldt vanaf 1 februari 1996, en houdt op van kracht te zijn op 30 juni
- Deze stelling druist in tegen het arrest van het Hof van Cassatie van 29 oktober 2001 waarin in zeer duidelijke bewoordingen wordt gesteld - na analyse van de bepalingen van beide collectieve arbeidsovereenkomsten - dat de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997 geen wijziging inhield van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 die betrekking hebben op een volgens andere vereisten geregelde brugpensionering. Er is geen expliciete wijziging van de regeling van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 (geen enkele nieuwe bepaling wijzigt een oude bepaling) en evenmin (is) een impliciete wijziging voorhanden ; er wordt een nieuwe regeling uitgewerkt en deze wordt van kracht vanaf een bepaalde datum, met uitzondering van een specifieke bepaling ; hierdoor wordt zelfs niet impliciet geraakt aan een andersluidende bepaling toepasselijk voor een andere, hieraan voorafgaande regeling. Dienvolgens is de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997 niet van toepassing op de brugpensionering van de heer M. nu deze werknemer ontslagen werd op 23 augustus 1995 en in het kader van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 op brugpensioen ging. Krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 dienen de financiële lasten van de capitatieve maandelijkse bijdragen door (eiser) te worden gedragen tot voormelde bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. De inwerkingtreding met terugwerkende kracht van artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997 doet hieraan geen afbreuk aangezien deze bepaling niet verwijst naar enig impact op de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 en slechts betrekking heeft op brugpensioneringen die voldoen aan de vereisten van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997, andere dan deze van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 (zie Hof van Cassatie, 29 oktober 2001, Nr. S.00.0192.N., Bakkerij De Keersmaeker tegen Waarborg- en sociaal fonds voor de industriële kleinbakkerij en kleinbanketbakkerij). Het bestreden vonnis, gewezen door de achtste kamer van Arbeidsrechtbank te Brussel op 3 juli 1998, waarin gezegd wordt voor recht dat (eiser) gehouden is tot tenlasteneming van de capitatieve maandelijkse bijdragen, ingevoerd door de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen en door de programmawet van 22 december 1989 en door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, in de toekomst en zover verbonden aan het recht op brugpensioen van de heer M., dient derhalve te worden bevestigd. In de conclusie na cassatie, ontvangen ter griffie van dit (arbeidshof) op 31 december 2002, bevestigt (verweerster) dat zij geen capitatieve bijdragen betaald heeft aan de Rijksdienst voor pensioenen of aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zodat (verweerster) ter openbare zitting van 14 maart 2003 afstand doet van haar initiële vordering tot terugbetaling van de door haar betaalde capitatieve bijdragen uit hoofde van de brugpensionering van de heer M.. Het hoofdberoep is ongegrond". (bladzijde 6 - 8 van het arrest, onder 3.21). Grieven
- Eerste onderdeel In een regelmatig ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen neergelegde conclusie voerde eiser aan : "
- De kernvraag is dan ook : geldt de CAO van 17 mei 1995 voor iedereen die tijdens de werkingsduur van deze collectieve arbeidsovereenkomst werd ontslaan en/of voor wie het brugpensioen een aanvang nam tijdens de werkingsduur van die CAO én eens dit vastgesteld wordt, gelden de in de CAO bepaalde regels dan totdat de bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het Hof van Cassatie meent van wel, doch gaat voorbij aan wat in het punt 1 en 2 door (eiser) vermeld werd. In de CAO van 17 mei 1995 wordt nergens gestipuleerd dat eens de CAO van toepassing zou zijn, (eiser - bij vergissing spreekt de conclusie van : "de werkgever") tot de pensioenleeftijd moet betalen". (blz. 5 - 6 van de conclusie ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 28 januari 2003, genaamd "tweede conclusie tevens synthese-conclusie"). In een conclusie in deze zaak neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel voerde eiser in dezelfde zin aan : "De recentere CAO, in werking tredend vanaf 27 oktober 1996 (1 jaar vóór de publicatie) geldt vanaf dat moment en vervangt vanaf die datum de CAO van 17 mei
- De werkgevers zijn bijgevolg gehouden tot betaling van de capitatieve bijdragen vanaf 27 oktober
- Inderdaad, in artikel 7 en 9 van de CAO van 17 mei 1995 wordt enkel vermeld dat (eiser) de capitatieve bijdragen zal betalen vanaf 1 januari 1995 tot en met 31 december 1996 (stuk 11/1). In de CAO van 30 januari 1997 (gepubliceerd 27 oktober 1997) wordt bepaald dat de bijzondere maandelijkse werkgeversbijdragen per bruggepensioneerde volledig ten laste blijven van de individuele ondernemingen en dit vanaf 1 februari 1996 tot en met 30 juni
- Nergens wordt in de CAO van 17 mei 1995 gestipuleerd dat deze CAO aan de werkgevers die tijdens de duur van de CAO een werknemers ontslaan wegens brugpensioen, zij m.b.t. deze recht hebben op de tussenkomst van (eiser) tot de werknemer 65 jaar is. Integendeel, uit artikel 9 blijkt dat dit slechts geldt tot 31 december
- De CAO van 30 januari 1997 wijzigt dit en bepaalt dat vanaf 1 februari 1996 (daar de terugwerkende kracht beperkt is tot in casu 27 oktober 1996 moet men in feite 27 oktober 1996 lezen) de werkgevers zelf de capitatieve bijdragen dienen te bepalen. Geenszins kan (eiser) dan ook verplicht worden de capitatieve bijdragen te betalen vanaf 27 oktober 1996 tot de pensioenleeftijd van de heer M.." (blz. 3 -4 van de conclusie op 17 december 1998 ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel, genaamd "eerste conclusie in hoger beroep"). Aangezien de partijen na de vernietiging van de arresten van het Arbeidshof te Brussel van 16 september 1999 en 22 juni 2000 door een arrest van het Hof van 29 oktober 2001 waarbij de zaak werd verzonden naar het Arbeidshof te Antwerpen, voor die verwijzingsrechter werden teruggeplaatst in de toestand waarin zij zich bevonden voor het Arbeidshof te Brussel, maakt de conclusie ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 december 1998 deel uit van de procedure gevoerd voor de verwijzingsrechter, het Arbeidshof te Antwerpen. Het arbeidshof beslist dat krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 de financiële lasten van de capitatieve maandelijkse bijdragen door eiser dienen te worden gedragen tot voormelde bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zonder dat het daarbij antwoordt op het middel dat eiser in de hierboven genoemde conclusies aanvoerde met betrekking tot de beperkte gelding van die collectieve arbeidsovereenkomst in de tijd. Het arbeidshof schendt de motiveringsverplichting (schending van artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet).
- Tweede onderdeel Krachtens artikel 1 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid kan de Koning, in de vormen bepaald bij de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, collectieve arbeidsovereenkomsten algemeen verbindend verklaren waarbij deze comités Fondsen voor bestaanszekerheid oprichten met het oog op onder meer het financieren, toekennen en uitkeren van sociale voordelen aan bepaalde personen en worden de aard, de omvang en de toekenningsvoorwaarden van deze voordelen in dezelfde vorm bepaald. Krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende de toekenning van het brugpensioen op 55 jaar aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke bakkerijen, de kleinbanketbakkerijen, de ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 februari 1996, zal eiser de financiële lasten dragen van de capitatieve maandelijkse bijdragen ingevoerd door de wet van 19 december 1990 houdende sociale bepalingen, door de programmawet van 22 december 1989 en door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en dit krachtens deze collectieve arbeidsovereenkomst. Artikel 15, eerste lid, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités bepaalt dat een collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten voor een bepaalde tijd, voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met verlengingsbeding. Krachtens artikel 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 is die collectieve arbeidsovereenkomst gesloten voor een bepaalde tijd van twee jaar, heeft zij uitwerking met ingang van 1 januari 1995 en houdt zij op van kracht te zijn op 31 december
- Artikel 31 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités bepaalt dat de algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst bindend is voor alle werkgevers en werknemers die behoren tot het ressort van het paritair orgaan en voor zover zij vallen onder de werkingssfeer zoals in de overeenkomst is bepaald. Krachtens artikel 33 van dezelfde wet, houdt het koninklijk besluit tot algemeen verbindend verklaring op uitwerking te hebben bij het verstrijken van die tijd. Uit de samenlezing van die bepalingen volgt dat het voorschrift van artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 slechts bindend is voor eiser tot het verstrijken van de bepaalde tijd waarvoor de collectieve arbeidsovereenkomst werd gesloten, zijnde tot 31 december 1996, te meer daar artikel 7 uitdrukkelijk vermeldt dat eiser de opgesomde financiële lasten zal dragen "krachtens deze collectieve arbeidsovereenkomst". Hoewel het arbeidshof vaststelt dat M. M. werd geboren op 3 juli 1939, beslist het dat eiser de bijdragen waarvan sprake in het voornoemde artikel 7 dient te dragen tot voormelde bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en gaat het aldus voorbij aan de in artikel 9 van diezelfde collectieve arbeidsovereenkomst bepaalde geldigheidsduur. Het arbeidshof beslist niet wettig dat eiser krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 de financiële lasten van de capitatieve maandelijkse bijdragen dient te dragen tot de bruggepensioneerde M. M. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt in de mate dat die periode zich uitstrekt tot na 31 december 1996 (schending van artikel 1 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor Bestaanszekerheid, de artikelen 7 en 9 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende de toekenning van het brugpensioen op 55 jaar aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke bakkerijen, de kleinbanketbakkerijen, de ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 februari 1996 en artikel 1 van dat koninklijk besluit, evenals van de artikelen 15, 31 en 33 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités).
- Derde onderdeel Artikel 10, ,§1, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling bepaalt dat voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996 in de paritaire comités of subcomités collectieve arbeidsovereenkomsten kunnen worden gesloten die voorzien in de invoering van een stelsel van conventioneel brugpensioen, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 december 1992 betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen, voor de ontslagen werknemers die 55 jaar of ouder zijn tijdens de looptijd van deze collectieve arbeidsovereenkomst en op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die op dat ogenblik 33 jaar beroepsverleden als loontrekkende kunnen rechtvaardigen, berekend overeenkomstig artikel 114, ,§4, tweede lid, en 117, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsuitkeringen. Op grond van dat artikel werd in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid betreffende de toekenning van het brugpensioen op 55 jaar aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke bakkerijen, de kleinbanketbakkerijen, de ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 gesloten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 februari
- Artikel 11, ,§1, eerste lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling bepaalt dat met ingang van 1 januari 1995 een bijzondere compenserende maandelijkse werkgevers-bijdrage wordt ingevoerd, bestemd voor de sector werkloosheid voor ieder conventioneel brugpensioen dat wordt toegekend, krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten met toepassing van artikel 10, ,§
- Krachtens artikel 11, ,§1, tweede lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot uitvoering van Titel II van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen of halftijds brugpensioen, is deze bijzondere compenserende bijdrage verschuldigd tot en met de maand waarin de conventioneel bruggepensioneerde de leeftijd van 58 jaar bereikt. Krachtens artikel 12, ,§3, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling wordt de storting van de in dit artikel bedoelde compenserende bijdrage verricht door de debiteur van de aanvullende vergoeding, hetzij de werkgever, hetzij het Fonds voor Bestaanszekerheid waaronder de werkgever ressorteert, hetzij elke andere persoon of elke andere instelling die tot de verplichting van de werkgever inzake de betaling van de aanvullende vergoeding gehouden is. Het arbeidshof beslist dat eiser krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 de financiële lasten dient te dragen van de capitatieve maandelijkse bijdragen, waartoe die behoren die werden ingevoerd door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, "tot voormelde bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt". Het arbeidshof beslist niet wettig dat eiser krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 de financiële lasten van de capitatieve maandelijkse bijdragen dient te dragen tot de bruggepensioneerde M. M. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voor zover die beslissing betrekking heeft op de bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdragen ingevoerd door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en in de mate dat die periode zich uitstrekt tot na de maand waarin de bruggepensioneerde de leeftijd van 58 jaar bereikt heeft (schending van artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, betreffende de toekenning van het brugpensioen op 55 jaar aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke bakkerijen, de kleinbanketbakkerijen, de ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 februari 1996 en artikel 1 van dat koninklijk besluit, van artikel 11, ,§1, tweede lid, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en van artikel 9, derde lid, van het koninklijk besluit van 6 april 1995 tot uitvoering van Titel II van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en betreffende de toekenning van werkloosheidsuitkeringen in geval van conventioneel brugpensioen of halftijds brugpensioen). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat eiser aan het bestreden arrest verwijt niet te hebben geantwoord op het verweer dat eiser in zijn "eerste conclusie in hoger beroep" heeft gevoerd met betrekking tot de beperkte gelding in de tijd van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 ; Overwegende dat het Arbeidshof te Antwerpen, waarnaar de zaak ingevolge cassatie werd verwezen, niet diende te antwoorden op de vroegere conclusie die eiser voor het Arbeidshof te Brussel heeft genomen en die niet werd hernomen voor het Arbeidshof te Antwerpen ; Dat het onderdeel in zoverre niet kan worden aangenomen ; Overwegende voorts dat eiser in zijn syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 28 januari 2003, aanvoerde dat de in de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 bepaalde regels niet gelden totdat de bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, gelet op de beperkte werkingsduur van deze overeenkomst en vermits de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997 met terugwerkende kracht bepaalt dat vanaf 1 februari 1996 de werkgever de bijdragen moet betalen en deze collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging inhield van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat, krachtens artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, de wettelijk bepaalde financiële lasten van de capitatieve maandelijkse bijdragen door het Fonds worden gedragen tot de bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en dat de inwerkingtreding met terugwerkende kracht van artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997 hieraan geen afbreuk doet aangezien deze bepaling niet verwijst naar enige impact op de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 en slechts betrekking heeft op brugpensioneringen die voldoen aan de vereisten van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 januari 1997, andere dan deze van artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 ; Dat het arrest aldus het bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt ; Dat het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist ;
- Tweede onderdeel Overwegende dat de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, gesloten in het paritair comité voor de voedingsnijverheid, tot toekenning van het brugpensioen op 55 jaar aan de werklieden en werksters van de industriële en ambachtelijke roomijsfabrikanten en suikerbakkers en de consumptiesalons bij een ambachtelijke banketbakkerij, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 13 februari 1996, krachtens artikel 9 gesloten is voor een bepaalde tijd van twee jaar, met uitwerking vanaf 1 januari 1995 om op te houden van kracht te zijn op 31 december 1996 ; Overwegende dat, na het verstrijken van de bepaalde duur waarvoor de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 is gesloten, geen nieuw brugpensioen kan worden toegekend op grond van deze collectieve arbeidsovereenkomst ; Dat evenwel het recht op een brugpensioen dat is toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, ook na het verstrijken van de bepaalde duur waarvoor deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten, behouden blijft tot de bruggepensioneerde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt ; Overwegende dat artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 bepaalt dat het sociaal fonds de financiële lasten zal dragen van de capitatieve maandelijkse bijdragen ingevoerd door de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, door de programmawet van 22 december 1989 en door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling en dit krachtens deze collectieve arbeidsovereenkomst ; Dat uit de opzet van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995 en uit de termen "krachtens deze collectieve arbeidsovereenkomst" in voornoemd artikel 7, blijkt dat de het ten laste nemen van de bedoelde bijdragen door het Fonds verbonden is aan de toekenning van een brugpensioen op grond van deze collectieve arbeidsovereenkomst ; Dat dienvolgens, zolang de bruggepensioneerde het brugpensioen, toegekend op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, blijft genieten, het Fonds, krachtens voornoemd artikel 7, ertoe gehouden blijft de wettelijk bepaalde financiële lasten te dragen van de capitatieve maandelijkse bijdragen verschuldigd ingevolge de toekenning van dit brugpensioen ; Dat het onderdeel, dat hierop berust dat de bepaling van artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 mei 1995, met betrekking tot een brugpensioen toegekend tijdens de geldingsduur van deze collectieve arbeidsovereenkomst, slechts bindend is voor eiser tot het verstrijken van de bepaalde termijn waarvoor de collectieve arbeidsovereenkomst werd gesloten, faalt naar recht ;
- Derde onderdeel Overwegende dat artikel 11, ,§1, van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, bepaalt dat met ingang van 1 januari 1995 een bijzondere compenserende maandelijkse bijdrage wordt ingevoerd, bestemd voor de sector werkloosheid voor ieder conventioneel brugpensioen dat wordt toegekend krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten met toepassing van artikel 10, ,§l ; dat, overeenkomstig het tweede lid van artikel 11, ,§1, deze bijzondere compenserende bijdrage verschuldigd is tot en met de maand waarin de conventioneel bruggepensioneerde de leeftijd van 58 jaar bereikt ; Overwegende dat het arrest, bij bevestiging van het vonnis van 3 juli 1998 van de Arbeidsrechtbank te Brussel, oordeelt dat "(eiser) gehouden is tot ten laste neming van de drie maandelijkse capitatieve bijdragen, zoals ingevoerd door de Programmawet van 22 december 1989, de wet houdende sociale bepalingen van 29 december 1990 en de wet van 3 april 1995, in de toekomst en zover verbonden aan het recht op brugpensioen van de heer M., ter ontlasting van (verweerster)" ; Dat het arbeidshof aldus eiser veroordeelt tot het ten laste nemen van de bijzondere werkgeversbijdragen, zoals zij overeenkomstig de genoemde wetten, en derhalve binnen de beperkingen aangeduid door deze wetten, verschuldigd zijn voor het brugpensioen toegekend aan de heer M. ; Dat het onderdeel, dat hierop berust dat het arbeidshof beslist dat eiser de financiële lasten dient te dragen van de bijzondere compenserende maandelijkse werkgeversbijdragen ingevoerd door de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, ook voor de periode na de maand waarin de bruggepensioneerde M. de leeftijd van 58 jaar heeft bereikt, op een onjuiste lezing van het arrest berust, mitsdien feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van vijfentachtig euro achtendertig cent jegens de eisende partij en op de som van vijfenzeventig euro veertig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div