id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.5 Rolnummer: S.04.0124.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 204 - laatst gezien 2026-07-04 12:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De beoordeling van het begrip "belangrijkste kostwinner" dient te gebeuren door afweging van het aandeel van de getroffene in het geglobaliseerd inkomen van de ascendenten op het ogenblik van het ongeval
(1)Cass., 18 jan. 1993, AR 8143, nr 32. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Dodelijk ongeval Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Dodelijk ongeval Bloedverwanten in opgaande lijn Belangrijkste kostwinner Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.15en20bi Fiche 2 Bij de beoordeling van de hoedanigheid van "belangrijkste kostwinner" moet het aandeel van de getroffene in het geglobaliseerd inkomen van de ascendenten op het ogenblik van het ongeval de belangrijkste bron van het inkomen van deze ascendenten zijn en hun voornaamste geldelijke steun. Thesaurus CAS: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Dodelijk ongeval Vrije woorden: ARBEIDSONGEVAL - VERGOEDING - Dodelijk ongeval Bloedverwanten in opgaande lijn Belangrijkste kostwinner Hoedanigheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - Artt.15en20bi Tekst van de beslissing Nr. S.04.0124.N.- FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Troonstraat 100, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. L. M., verweerster, 2. S.D., 3. S.F., 4. S. B., 5. S. P., 6. S.T., 7. S. Fr., 8. S. K., 9. S. F., verweerders, 10 FORTIS AG, naamloze vennootschap, verzekeringsmaatschappij (voorgeen A.G. 1824), met vennootschapszetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 februari 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Ghislain Dhaeyer heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet ; - de artikelen 15, 20, 20bis en 59quinquies, eerste lid, van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen (hierna: Arbeidsongevallenwet). Aangevochten beslissing Het arbeidshof : - vernietigt het vonnis a quo, - zegt voor recht dat het slachtoffer, wijlen M.S., op de dag van het arbeidsongeval, die ook die van zijn overlijden was, ongetwijfeld als de "belangrijkste kostwinner" in de zin van de Arbeidsongevallenwet dient te worden aangezien, - wijst de vordering van eiser, strekkende tot het horen veroordelen van tiende verweerster om aan eiser, met toepassing van artikel 59quinquies Arbeidsongevallenwet, de bepaalde in kapitaal omgezette renten te betalen, af als ongegrond, - verklaart de oorspronkelijke vorderingen van eerste verweerster en wijlen J. S., rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders, gegrond en zegt voor recht dat dezen gerechtigd zijn op de bepaalde lijfrente, overeenkomstig de artikelen 15, 20 en 20bis Arbeidsongevallenwet wegens het dodelijk arbeidsongeval van hun zoon wijlen M. S. (zie bestreden arrest, p.12, 13-14), op grond van onder meer de volgende overwegingen : "Het gezamenlijk netto jaarinkomen van de ouders (eerste verweerster en rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders) van het slachtoffer beliep aldus, inclusief vakantiegeld en premies : - M. L. (netto maandloon 08/1995 :20.224 BEF) : 280.102 BEF - J. S. (invaliditeitsdaguitkeringen van 920 BEF x 6 d. x 48
- w): + 264.960 BEF -samen : 545.062 BEF. De reële financiële draagkracht (het netto jaarinkomen) van het slachtoffer, inclusief het vakantiegeld en de premies, beliep daarentegen : - (371, 70 BEF/u. x 40 u. x 13 w. : 3 m.) x 13, 85 892.328 BEF - kwartaalpremie 46.682 BEF - overuren: + 11.708 BEF 950.718 BEF - of, na aftrek van RSZ bijdragen (13,07%) en bedrijfsvoorheffing. : 571.563 BEF. Te noteren dat laatstgenoemd bedrag overeenstemt met 47.630 BEF netto per maand, zijnde iets minder dan het door (eiser) zelf vooropgestelde nettobedrag van 47.789 BEF. Het netto-inkomen van het slachtoffer M.S. overtrof derhalve het geglobaliseerde dito inkomen van zijn nota bene inwonende ouders. Hij had dus, en in ruime mate, de hoogste verdienste van de drie. Bovendien had M.S. het jaar voorafgaand aan zijn overlijden voor de volgende, door het (arbeidshof) afdoende bewezen geachte uitgaven van de gezamenlijke huishouding ingestaan : - huishuur (8.700 BEF/m. x 12) : 104.400 BEF - brandverzekering : 3.699 BEF - familiale verzekering : 1.915 BEF - onderhoud auto (berekend op basis van een jaargemiddelde van voorliggende facturen) : 26.475 BEF - afbetaling autolening : 72.000 BEF - autoverzekering (zonder belastingen) : 12.142 BEF - verzekering van de caravan : 3.583 BEF - persoonlijke bijdrage in de dagdagelijkse aankopen in verband met de gemeenschappelijke huishouding 25.000 BEF/m. x 12) :+300.000 BEF - totaal : 524.214 BEF Ook voormelde auto-uitgaven moeten als gezinsuitgaven worden bestempeld en als bijdrage in het gezin van de ouders worden beschouwd, des te meer nu het slachtoffer M.S. zelf niet eens een rijbewijs had. Laatstgenoemde had ten tijde van zijn overlijden geen spaartegoeden, doch wel enkele schulden (102.000 BEF i. v. m. zijn Visa-kaart ; 45.000 BEF t.a.v. de Administratie der directe belastingen; nog 21.184 BEF aflossingen i.v.m. een persoonlijke lening bij n.v. Eural Unipar). Zijn ouders betaalden van hun kant, onverminderd hun persoonlijke bijdrage in de dagdagelijkse aankopen van de gemeenschappelijke huishou-ding : - elektriciteit : 32.400 BEF - water : 6.000 BEF - de helft in de kosten voor de aankoop van kolen. Wijlen M.S. diende op de dag van het ongeval, die ook die van zijn overlijden was, derhalve ongetwijfeld als de "belangrijkste kostwinner" in de zin van de Arbeidsongevallenwet te worden aangezien, vermits zijn globale feitelijke bijdrage, dus zijn aandeel in het gezinsbudget, de belangrijkste bron van inkomen van zijn ouders en hun voornaamste geldelijke steun was (...). Het verslag aan de Koning bij het K.B. nr. 285 (B.S. van 13 april 1984) geeft trouwens precies als voorbeeld van een belangrijkste kostwinner : een ongehuwde arbeider die bij zijn ouders inwoont en voor hun onderhoud instaat. Dit was voor M.S. het geval". Grieven 1. Eerste onderdeel 1.1. In zijn regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusie betwistte eiser dat te dezen de getroffene, wijlen M.S., de "belangrijkste kostwinner" van zijn ouders (zijnde : eerste verweerster en de rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders) in de zin van artikel 20bis van de Arbeidsovereenkomstenwet, was. Eiser voerde daartoe volgend middel aan : bij de beoordeling van het "belangrijkste kostwinnerschap" mag enkel het aandeel van de inkomsten van de getroffene dat werkelijk werd besteed aan het onderhoud van de ouders zelf in aanmerking worden genomen terwijl het aandeel van die inkomsten dat werd besteed aan de eigen uitgaven en kosten van de getroffene niet ten goede kwam aan de ouders en bijgevolg bij de beoordeling niet in aanmerking mag worden genomen. Eiser betoogde, met andere woorden, dat het onderscheid dient te worden gemaakt tussen, enerzijds, de bijdragen die uitsluitend dienden voor het onderhoud van de ouders en die alleen bij de beoordeling in aanmerking mogen worden genomen, en, anderzijds, de bijdragen die dienden voor het onderhoud van de getroffene en die bij de beoordeling niet in aanmerking mogen worden genomen. Meer bepaald liet eiser in zijn regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusies zowel voormeld principe als de concrete toepassing ervan onder meer als volgt gelden: - "Het geschil betreft de vraag of de heer M.S. al dan niet als de belangrijkste kostwinner kan worden beschouwd voor zijn ouders, huidige appellanten. De voorhanden zijnde gegevens dienen te worden beoordeeld als volgt. Daarenboven is voor de beoordeling van het belangrijkste kostwinnerschap - ongeacht het door het slachtoffer ontvangen loon - enkel het gedeelte van het loon dat werkelijk besteed werd aan het onderhoud van de ouders bepalend. Dit aandeel moet de belangrijkste bron van het inkomen van de bloedverwanten in opgaande lijn zijn geweest en de voornaamste geldelijke steun hebben uitgemaakt van voormelde ascendenten (Arbh. Antwerpen, 28/07/1987, onuitg., A.R. nr. 59/86 ; Arbh. Brussel, 23/11/1987, R. W, 1988-89, 473). Gelet op artikel 20bis van de Arbeidsongevallenwet moet rekening worden gehouden met de situatie op het ogenblik van het ongeval. Deze zal beoordeeld worden in functie van de concrete toestand, nl. aan de hand van gegevens die aantonen welk deel van het inkomen van de getroffene werkelijk werd besteed aan het levensonderhoud van de rechthebbenden (Arbh. Brussel, 08/02/1993, onuitg., A.R. nr. 27.041). Voormelde principes worden hierna op onderhavige casus toegepast : De vader verklaarde (P.V. van verhoor, stuk 3) dat de getroffene maandelijks ongeveer 25.000 BEF gaf aan zijn moeder, voor zijn eten, was, sigaretten, kleren enz. Deze bedragen kwamen niet ten goede aan de ouders en komen aldus niet in aanmerking voor het belangrijkste kostwinnerschap. Het onderscheid dient inderdaad te worden gemaakt tussen de bedragen die dienen voor het onderhoud van de getroffene en de bedragen die uitsluitend dienen voor het onderhoud van de ouders. Daarenboven dient nog te worden vermeld (zie nogmaals het P.V. van verhoor) dat de getroffene om de veertien dagen uitging en dan veel geld uitgaf. Hij was ook vrijgevig tegenover zijn neven en nichten. Nogmaals, voor de beoordeling van het belangrijkste kostwinnerschap is - ongeacht het door het slachtoffer ontvangen loon - enkel het gedeelte van het loon dat werkelijk besteed werd aan het onderhoud van de ouders bepalend. Dit aandeel moet de belangrijkste bron van het inkomen van de bloedverwanten in opgaande lijn zijn geweest en de voornaamste geldelijke steun hebben uitgemaakt van voormelde ascendenten (Zie Cass., 18/01/1993, R. W., 1993-94, 45 en de door (eiser) voorgebrachte rechtspraak (stukken 5 t. e. m. 13). De opmerking van de ouders als zou het feit dat de getroffene af en toe op stap ging en een neef of nicht financieel bijsprong in casu geen enkele rol spelen, moet in het licht gesteld worden van het criterium dat het de bijdrage is van de getroffene in het onderhoud van zijn ouders die doorslaggevend is : rekening gehouden met het inkomen van de getroffene ten belope van 46.000 BEF per maand en zijn talrijke uitgaven, waaronder reizen, dient dan te worden vastgesteld dat er weinig kon zijn overgebleven voor het onderhoud van de ouders. Het is de reële bijdrage van de getroffene in het onderhoud zelf van de ouders die bepalend is voor de beoordeling van het belangrijkste kostwinnerschap. Het is de concrete toestand die geldt. Welnu, die concrete toestand wijst uit dat er van het loon van de getroffene, na aftrek van het bedrag van 25.000 BEF voor zijn eigen onderhoud, van het bedrag van 8.700 BEF als huishuur, van zijn hoge kosten voor eigen vermaak en reizen, van de vrijgevigheden jegens zijn neven en nichten en van het bedrag van 2.648 BEF als terugbetaling van zijn persoonlijke lening, nog weinig kon zijn overgebleven voor het onderhoud zelf van zijn ouders ; wat had kunnen dienen voor hun onderhoud ware alleszins miniem geweest en kon, rekening houdend met hun inkomen van ongeveer 53.000 BEF geenszins als hun voornaamste financiële steun worden beschouwd.", (zie eerste conclusie van eiser, neergelegd op 24 februari 1999, p. 1 (nr. 1), p. 2 - 4 (nr. 2.1.3.), p. 5 - 8; deze conclusie wordt uitdrukkelijk hernomen in de vijfde conclusie van eiser, neergelegd op 5 mei 2003, p. 2) ; - "Samengevat weze herhaald dat, volgens de vader, de getroffene aan zijn moeder 25.000 BEF per maand afgaf voor zijn eigen onderhoud (eten, drinken, was, sigaretten, kleren, enz.) welk bedrag dan ook geenszins ten goede kon komen van de ouders. Van het loon van de getroffene bleef dan op het ogenblik van het ongeval nog 21.000 BEF over. Zélfs indien per impossibile - gelet op de vele persoonlijke uitgaven en schulden van de getroffene - zou worden aanvaard dat dit bedrag volledig had kunnen dienen voor het onderhoud van de ouders, dan nog kon het geenszins als hun voornaamste financiële steun worden beschouwd, hun eigen inkomsten ten bedrage van 53.000 BEF in acht genomen.", (zie tweede conclusie van eiser, neergelegd op 7 juli 1999, p. 6; deze conclusie wordt uitdrukkelijk hernomen in de vijfde conclusie van eiser, neergelegd op 5 mei 2003, p. 2) ; - "Er kan enkel rekening worden gehouden met de concrete toestand, d.w.z. met de gelden van de getroffene die op het ogenblik van het ongeval werkelijk hebben kunnen dienen voor de bestrijding van de kosten van onderhoud van de ouders zelf.", (zie vierde conclusie van eiser, neergelegd op 30 mei 2001, p. 2 ; deze conclusie wordt uitdrukkelijk hernomen in de vijfde conclusie van eiser, neergelegd op 5 mei 2003, p. 2) ; - "Gelet op de ondubbelzinnige verklaring van de vader is het wel duidelijk dat deze gelden (de kwestieuze 25.000 BEF per maand) voor het onderhoud van de getroffene moesten dienen. Van het resterend deel van zijn loon, nl. ongeveer 22.000 BEF, kon maar heel weinig zijn overgebleven dat voor het onderhoud zelf van de ouders kon hebben gediend. Dit blijkt opnieuw overduidelijk uit de eigen verklaring van de vader die erop wees dat (...). Deze gegevens wijzen erop dat de getroffene weinig heeft kunnen bijdragen aan het onderhoud zelf van de ouders. Het bewijs dat de bijdrage van de getroffene in het onderhoud van zijn ouders ten tijde van het ongeval hun belangrijkste financiële steun uitmaakte, wordt niet geleverd.", (zie vijfde conclusie van eiser, neergelegd op 5 mei 2003, p. 5). 1.2. Het bestreden arrest oordeelt dat de getroffene als de belangrijkste kostwinner in de zin van de Arbeidsongevallenwet dient te worden aangezien vermits zijn globale feitelijke bijdrage, dus zijn aandeel in het gezinsbudget, de belangrijkste bron van inkomen van zijn ouders en hun voornaamste geldelijke steun was. Het arbeidshof stelt vast dat het gezin uit drie personen was samengesteld, met name beide ouders en de getroffene (zie bestreden arrest, p. 8-9). Het overweegt dat de getroffene de hoogste verdienste van de drie (te weten beide ouders en de getroffene) had, dat de getroffene voor de in het arrest bepaalde uitgaven van de gezamenlijke (idem) huishouding had ingestaan, waarbij het de persoonlijke bijdrage van 25.000 BEF per maand, in de dagdagelijkse aankopen in verband met de gemeenschappelijke huishouding in aanmerking neemt, en dat de auto-uitgaven als gezinsuitgaven (idem) moeten worden bestempeld en als bijdrage in het gezin van de ouders moeten worden beschouwd. Deze noch andere overwegingen van het bestreden arrest beantwoorden voormelde conclusie waarin eiser, zoals hoger gezegd, op omstandige wijze liet gelden, samengevat, dat te dezen het onderscheid dient te worden gemaakt tussen, enerzijds, de bijdragen van de getroffene die uitsluitend dienden voor het onderhoud van de ouders en die alleen bij de beoordeling in aanmerking mogen worden genomen, en, anderzijds, de bijdragen van de getroffene die dienden voor het onderhoud van de getroffene zelf en die bij de beoordeling niet in aanmerking mogen worden genomen (zie hoger nr. 1.1.). De in het middel bestreden beslissing neemt de vordering van eerste tot en met negende verweerders aan, wijst de vordering van eiser af en oordeelt dat de getroffene als de belangrijkste kostwinner in de zin van de Arbeidsongevallenwet dient te worden aanzien zonder te antwoorden op voormelde conclusie waarin eiser, zoals hoger gezegd, op omstandige wijze het middel liet gelden naar luid waarvan, samengevat, bij de beoordeling of de getroffene te dezen de "belangrijkste kostwinner" van de ouders (eerste verweerster en de rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders) was, enkel het aandeel van de inkomsten van de getroffene dat werkelijk werd besteed aan het onderhoud van de ouders zelf in aanmerking mag worden genomen terwijl het aandeel van die inkomsten dat werd besteed aan de eigen uitgaven en kosten van de getroffene niet ten goede kwam aan de ouders en bijgevolg bij de beoordeling niet in aanmerking mag worden genomen (zie hoger nr. 1.1 .). Bijgevolg is het bestreden arrest niet regelmatig met redenen omkleed en schendt het artikel 149 van de gecoördineerde Grondwet. 2. Tweede onderdeel 2.1. Naar luid van artikel 20bis van de Arbeidsongevallenwet is voor de bloedverwanten in opgaande lijn, te dezen de ouders (zijnde eerste verweerster en de rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders), de in artikel 15 van die wet bedoelde rente verschuldigd tot op het ogenblik waarop de getroffene, te dezen M.S., de leeftijd van vijfentwintig jaar zou hebben bereikt, tenzij zij het bewijs leveren dat de getroffene voor hen de belangrijkste kostwinner was. Op grond van artikel 20 van die wet ontvangen in casu de ouders (idem) de rente alleen wanneer zij rechtstreeks voordeel uit het loon van de getroffene haalden. Op grond van artikel 59quinquies, eerste lid, van dezelfde wet wordt de in kapitaal omgezette rente die in toepassing van voormeld artikel niet verschuldigd is, gestort aan eiser. 2.2. De beoordeling van het wettelijk begrip "belangrijkste kostwinner" dient te gebeuren door afweging van het aandeel van de getroffene in het geglobaliseerd inkomen van de ouders (idem) op het ogenblik van het ongeval. Om te kunnen besluiten tot de hoedanigheid van belangrijkste kostwinner moet dit aandeel de belangrijkste bron van het inkomen van de ouders zijn en hun voornaamste geldelijke steun. Er dient derhalve een vergelijking te worden gemaakt tussen, enerzijds, de werkelijke bijdrage van de getroffene tot het onderhoud van de ouders en, anderzijds, tot hun totale inkomsten. Met andere woorden : het bedrag van de gezamenlijke inkomsten waarover de ouders beschikken dient te worden bepaald en er dient te worden nagegaan in welke mate de door het arbeidsongeval getroffen persoon daartoe bijdroeg. 2.3.1. Bij de beoordeling of de getroffene te dezen de "belangrijkste kostwinner" van de ouders (eerste verweerster en de rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders) was, mag bijgevolg enkel het aandeel van de inkomsten van de getroffene dat werkelijk bijdroeg tot het inkomen van de ouders zelf in aanmerking worden genomen terwijl het aandeel van de inkomsten van de getroffene dat werd besteed aan de eigen uitgaven en kosten van de getroffene niet ten goede kwam aan de ouders en bijgevolg bij de beoordeling niet in aanmerking mag worden genomen. Dit vloeit ook voort uit het volgende. 2.3.2. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 20bis van de Arbeidsongevallenwet blijkt dat het doel van de wetgever was om de toekenningsvoorwaarden van de kwestieuze rente te verstrengen (zie Pasinomie, 31 maart 1984, K.B. nr. 285, Verslag aan de Koning, Artikelsgewijze commentaar). 2.3.3. De aan de ouders uitgekeerde lijfrente dient te beantwoorden aan het oogmerk van de Arbeidsongevallenwet, met name de vergoeding van de schade veroorzaakt door een arbeidsongeval, en mag geen bron van verrijking vormen. 2.3.4. De toepassing van artikel 20bis van de Arbeidsongevallenwet veronderstelt dat aan de voorwaarde van artikel 20 van die wet is voldaan, met name dat, te dezen, de ouders rechtstreeks voordeel uit het loon van de getroffene haalden. 2.3.5. Het in aanmerking te nemen loonsvoordeel van de ouders is bijgevolg de werkelijke bijdrage van de getroffene tot de inkomsten van de ouders onder aftrek van de eigen onderhoudskosten van de getroffene. 2.4. Het arbeidshof stelt vast dat het gezin uit drie personen was samengesteld, met name beide ouders en de getroffene (zie bestreden arrest, p. 8-9). Het besluit dat de getroffene als de "belangrijkste kostwinner" dient te worden aangezien op grond van de bijdrage van de getroffene in het gezinsbudget zijnde de gezamenlijke huishouding van de beide ouders en de getroffene zelf. Bij die beoordeling neemt het arbeidshof dus op onwettige wijze ook het aandeel van de inkomsten van de getroffene dat werd besteed aan de eigen onderhoudskosten en uitgaven van de getroffene zelf in aanmerking terwijl dit niet ten goede kwam aan de ouders en bijgevolg bij de beoordeling niet in aanmerking mag worden genomen (zie hoger nrs. 2.2., 2.3.1. en 2.3.5.). 2.5. De vaststelling dat de getroffene de hoogste verdienste van de drie (te weten beide ouders en de getroffene) had, vermochten de appèlrechters evenmin bij de beoordeling van de "belangrijkste kostwinner" in aanmerking te nemen. Uit het feit dat de getroffene de hoogste verdienste van de drie zou gehad hebben, kan immers niet wettig afgeleid worden dat hij van dat inkomen aan de ouders zulkdanig aandeel zou afgestaan hebben dat dit de belangrijkste bron van hun inkomen en hun voornaamste geldelijke steun zou geweest zijn (zie hoger nrs. 2.2., 2.3.1. en 2.3.5.). In de mate waarin de bestreden beslissing op deze overweging is gesteund, schendt zij de artikelen 20 en 20bis van de Arbeidsongevallenwet. 2.6. De overwegingen van het arbeidshof naar luid waarvan het Verslag aan de Koning als voorbeeld van een belangrijkste kostwinner een ongehuwde arbeider die bij zijn ouders inwoont en voor hun onderhoud instaat en dit voor M.S. het geval was, verantwoorden evenmin wettig de aangevochten beslissing. In de mate waarin de bestreden beslissing op deze overwegingen is gesteund, schendt zij eveneens de artikelen 20 en 20bis van de Arbeidsongevallenwet. Het arbeidshof stelt immers te dezen niet vast dat het aandeel van de getroffene in het geglobaliseerd inkomen van de ouders op het ogenblik van het ongeval de belangrijkste bron van het inkomen van de ouders en hun voornaamste geldelijke steun zou geweest zijn (zie hoger nrs. 2.2., 2.3.1. en 2.3.5.). Het stelt enkel de bijdrage van de getroffene in het gezamenlijk gezinsbudget van beide ouders en de getroffene samen vast en deze vaststelling verantwoordt niet wettig het besluit dat de getroffene de belangrijkste kostwinner was (zie hoger nr. 2.4.). De in het middel bestreden beslissing neemt de vordering van eerste tot en met negende verweerders aan en wijst de vordering van eiser af om reden dat de getroffene als de belangrijkste kostwinner in de zin van de Arbeidsongevallenwet dient te worden aangezien op grond van de in het middel aangevochten overwegingen en meer bepaald rekening houdend met de bijdrage van de getroffene in het gezinsbudget zijnde de gezamenlijke huishouding van de beide ouders en de getroffene zelf (zie hoger nr. 2.4.) . Bij die beoordeling van de hoedanigheid van "belangrijkste kostwinner" in hoofde van de getroffene M.S. neemt het arbeidshof dus te dezen ook het aandeel van de inkomsten van de getroffene dat werd besteed aan de eigen uitgaven en kosten van deze getroffene in aanmerking. Dit aandeel kwam echter niet ten goede aan de ouders (eerste verweerster en de rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders), maakte voor hen geen rechtstreeks voordeel uit het loon van de getroffene uit en mag bijgevolg bij die beoordeling van "belangrijkste kostwinner" niet in aanmerking worden genomen (zie hoger nrs. 2.2. en 2.3.1.). Bijgevolg schendt het bestreden arrest de artikelen 20 en 20bis van de Arbeidsongevallenwet. De overige overwegingen van het aangevochten arrest houden geen wettige verantwoording in van de bestreden beslissing (zie hoger nrs. 2.5. en 2.6.). Door de oorspronkelijke vorderingen van eerste verweerster en wijlen J.S., rechtsvoorganger van eerste tot en met negende verweerders, gegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat dezen gerechtigd zijn op de bepaalde lijfrente, overeenkomstig de artikelen 15, 20 en 20bis Arbeidsongevallenwet, schendt het bestreden arrest, benevens de artikelen 20 en 20bis, ook artikel 15 van die wet. Door de vordering van eiser, op diezelfde onwettige grond, af te wijzen, schendt het bestreden arrest eveneens artikel 59quinquies, eerste lid, van de Arbeidsongevallenwet (zie hoger nr. 2.1 .). IV. Beslissing van het Hof 1. Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 20bis van de Arbeidsongevallenwet, de in artikel 15 van de in deze wet bedoelde rente aan de bloedverwanten in opgaande lijn verschuldigd is tot op het ogenblik waarop de leeftijd van 25 jaar zou hebben bereikt, tenzij zij het bewijs leveren dat de getroffene voor hen de belangrijkste kostwinner was ; Overwegende dat de beoordeling van het begrip belangrijkste kostwinner dient te gebeuren door afweging van het aandeel van de getroffene in het geglobaliseerde inkomen van de ascendenten op het ogenblik van het ongeval ; Dat om te kunnen besluiten tot de hoedanigheid van belangrijkste kostwinner, dit aandeel de belangrijkste bron van het inkomen van de bloedverwanten in opgaande lijn moet zijn en hun voornaamste geldelijke steun ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de getroffene de belangrijkste kostwinner was voor zijn ouders op grond van : 1. de verdiensten van de getroffene, die hoger waren dan deze van zijn ouders ; 2. de bijdrage van de getroffene, niet in het budget van de ouders, maar in het gezinsbudget, zijnde de gezamenlijke huishouding van de beide ouders en de getroffene ; Dat het arrest aldus artikel 20bis van de Arbeidsongevallenwet schendt ; Dat het onderdeel in zoverre gegrond is ; 2. Kosten Overwegende dat verweerster sub 10 overeenkomstig artikel 68 van de arbeidsongevallenwet in de kosten dient te worden veroordeeld ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Veroordeelt verweerster sub 10 in de kosten ; Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Brussel. De kosten begroot op de som van vijfhonderd zesenzeventig euro tweeëndertig cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.5 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040219.4 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050606.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div