id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.6 Rolnummer: S.04.0139.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 191 - laatst gezien 2026-07-04 12:56 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De regel krachtens welke de vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen niet als loon worden aangemerkt voor de heffing van sociale zekerheidsbijdragen betreft niet uitsluitend de sluitingsvergoeding bedoeld in art. 6, Sluitingswet maar alle vergoedingen die uitgekeerd worden als schadeloosstelling van zulke ontslagen werknemers bij de sluiting van een onderneming zoals bedoeld in de Sluitingswet
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de vernietiging op grond van het eerste onderdeel. Het oordeelde dat art. 19, ,§ 2, 1° van het uitvoeringsbesluit enkel de wettelijke sluitingsvergoeding bedoeld in art. 6, Sluitingswet 1966 op het oog heeft zodat conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen onder het loonbegrip vallen en bijgevolg niet vrijgesteld zijn van bijdrageheffing. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Bijdragen Vrijstelling Sluiting van onderneming Sluitingswet 1966 Vergoedingen Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - Art.19,§2,1° Fiche 2 Voor de toepassing van art. 19, ,§ 2, 1°, K.B. 28 nov. 1969 dient te worden voldaan aan de vereisten van sluiting van onderneming in de zin van de Sluitingswet en van gerechtigde op de toekenning van de in art. 6, Sluitingswet bedoelde sluitingsvergoeding; werknemers die zelf ontslag nemen voldoen niet aan deze vereisten
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de vernietiging op grond van het eerste onderdeel. Het oordeelde dat art. 19, ,§ 2, 1° van het uitvoeringsbesluit enkel de wettelijke sluitingsvergoeding bedoeld in art. 6, Sluitingswet 1966 op het oog heeft zodat conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen onder het loonbegrip vallen en bijgevolg niet vrijgesteld zijn van bijdrageheffing. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Bijdragen Sluiting van onderneming Sluitingswet 1966 Werknemer Vrijwillig ontslag Vergoedingen R.S.Z.-vrijstelling Wettelijke bepalingen: Wet - 28-06-1966 - Art.6 Fiche 3 De regel krachtens welke de vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen niet als loon worden aangemerkt voor de heffing van sociale zekerheidsbijdragen betreft niet uitsluitend de sluitingsvergoeding bedoeld in art. 6, Sluitingswet maar alle vergoedingen die uitgekeerd worden als schadeloosstelling van zulke ontslagen werknemers bij de sluiting van een onderneming zoals bedoeld in de Sluitingswet
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de vernietiging op grond van het eerste onderdeel. Het oordeelde dat art. 19, ,§ 2, 1° van het uitvoeringsbesluit enkel de wettelijke sluitingsvergoeding bedoeld in art. 6, Sluitingswet 1966 op het oog heeft zodat conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen onder het loonbegrip vallen en bijgevolg niet vrijgesteld zijn van bijdrageheffing. Thesaurus CAS: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMINGEN Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMINGEN Sluitingswet 1966 Sociale zekerheid werknemers Bijdragen Vrijstelling Vergoedingen Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - Art.19,§2,1° Fiche 4 Voor de toepassing van art. 19, ,§ 2, 1°, K.B. 28 nov. 1969 dient te worden voldaan aan de vereisten van sluiting van onderneming in de zin van de Sluitingswet en van gerechtigde op de toekenning van de in art. 6, Sluitingswet bedoelde sluitingsvergoeding; werknemers die zelf ontslag nemen voldoen niet aan deze vereisten
(1).
(1)Het O.M. concludeerde tot de vernietiging op grond van het eerste onderdeel. Het oordeelde dat art. 19, ,§ 2, 1° van het uitvoeringsbesluit enkel de wettelijke sluitingsvergoeding bedoeld in art. 6, Sluitingswet 1966 op het oog heeft zodat conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen onder het loonbegrip vallen en bijgevolg niet vrijgesteld zijn van bijdrageheffing. Thesaurus CAS: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMINGEN Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING - SLUITING VAN ONDERNEMINGEN Sluitingswet 1966 Sociale zekerheid werknemers Bijdragen Werknemers Vrijwillig ontslag Vergoedingen R.S.Z.-vrijstelling Wettelijke bepalingen: Wet - 28-06-1966 - Art.6 Tekst van de beslissing Nr. S.04.0139.N.- RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen HOME TEXTILES, naamloze vennootschap, voorheen genoemd NV UCO HOME & CONTRACT TEXTILES, met zetel te 9031 Drongen, Brouwerijstraat 1, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre-Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 26 januari 2004 gewezen door het Arbeidshof te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 19, ,§ 2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Uitvoeringsbesluit) ; - artikel 2, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Loonbeschermingswet) ; - de artikelen 1, ,§ 1, eerste lid, 14 en 23, ,§ 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (R.S.Z.-wet) ; - de artikelen 2, ,§1, eerste lid, 23, eerste en tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid) ; - de artikelen 1, 2, 4 en 6 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen (Sluitingswet 1966), artikel 6 voor zijn wijziging bij Koninklijk Besluit van 13 juli 2001. Bestreden beslissing Het bestreden arrest bevestigt in al zijn onderdelen het beroepen vonnis dat eisers vordering ongegrond verklaarde en hem veroordeelde tot terugbetaling aan verweerster van de som van 2.196.456 BEF (54.448,72 euro), meer de intresten, zulks op de volgende gronden : "Samen met de eerste rechter stelt het arbeidshof vast dat het voornoemde besluit niet verwijst naar de sluitingsvergoeding in de Sluitingswet 1966 en dat de uitsluiting hiertoe bijgevolg niet beperkt is (dit in tegenstelling tot artikel 19, ,§ 1, 3°, van het Koninklijk Besluit van 23 november 1969, waar sprake is van de uitwinningsvergoeding van de handelsvertegenwoordiger 'bedoeld in artikel 101 van de Wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten' waar er duidelijk wél een beperking
- is)zie in dezelfde zin, van Eeckhoutte, W., 'Het begrip loon in de bijdrageregeling van het sociale-zekerheidsstelsel voor werknemers', in Van Steenberge, J., en Dorens, Y., (eds), Het loonbegrip, Brugge, 1995, 1, nr. 75). Het Openbaar Ministerie merkt in zijn geschreven advies terecht op dat het gebruik van het meervoud 'vergoedingen' erop wijst dat de tekst ook betrekking heeft op andere vergoedingen dan deze van de Sluitingswet 1966. De rechter mag aan de wet geen voorwaarden toevoegen die er niet in voorkomen. Ook in artikel 35, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet worden 'de vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen' uit het loonbegrip gesloten. Als hier een beperkende interpretatie aangewezen is (zie Lenaerts, H., concl. Cass., 12 februari 1990, R.W., 1989-90, 1362) dan blijkt nochtans ook hier niet dat de gebruikte termen enkel slaan op de sluitingsvergoeding van de Sluitingswet 1966. Dat de vergoedingen die het Sluitingsfonds betaalt op grond van de Sluitingswet 1967, niet onder de toepassing van artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 vallen, is evident. Deze waarborg is zelfs geen loon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet (zie De Vos, M., Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht, Antwerpen, 2001, nr. 266). De vaststelling is niet relevant voor de interpretatie van de in betwisting zijnde bepaling. Artikel 19, ,§ 2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 maakt de uitsluiting van een aan een werknemer betaalde 'vergoeding toegekend in geval van sluiting van ondernemingen' niet afhankelijk van de vraag of aan de betrokkene de sluitingsvergoeding van de Sluitingswet 1966 of enige andere vergoeding, zoals de wettelijke opzeggingsvergoeding, verschuldigd was. Zodoende wordt niet enkel de sluitingsvergoeding van de Sluitingswet 1966 uitgesloten, doch ook andere vergoedingen die, inzonderheid ingevolge een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, door de werkgever worden betaald 'in geval van' sluiting van onderneming, d.w.z. omwille van die sluiting. Er is tenslotte geen reden om het begrip 'sluiting van onderneming' op een meer beperkende wijze te interpreteren dan bijvoorbeeld in de Sluitingswet 1966 het geval is, waarvan artikel 2 voor het begrip 'onderneming' naar de technische bedrijfseenheid in artikel 14 van de Bedrijfsorganisatiewet verwijst (zie ook het vierde lid van deze bepaling) zodat ook in artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 zonder twijfel een sluiting van een afdeling wordt bedoeld. De stelling van (eiser) dat de interpretatie van het arbeidshof tot wetsontduiking of misbruik zou leiden, dient in elk geval te worden verworpen. Indien dit in het verleden wél het geval ware geweest, dan zou de tekst van het besluit vooreerst reeds lang in de door (eiser) gewenste zin zijn gewijzigd, quod non. Bovendien bleken noch de partijen noch de eerste rechter (n)och dit arbeidshof bij machte om ook maar één enkele (zelfs niet-gepubliceerde) rechtspraak te vinden die op het huidige probleem betrekking heeft, wat erop wijst dat er in de praktijk géén moeilijkheden rijzen. Dat er in casu sprake was van een 'sluiting van onderneming' staat vast. De vestiging in Deinze werd gesloten. Dat de 'bijkomende sluitingsvergoeding' van 200.000 BEF werd betaald omwille van die sluiting, is evenzeer boven elke twijfel verheven. De betrokken werknemers hebben de vergoeding ontvangen nadat zij zelf ontslag hadden genomen. Zij verkozen het beëindigen van de arbeidsovereenkomst boven een mutatie naar een andere afdeling van de onderneming. Dat zij, mochten zij voor géén van beide mogelijkheden hebben geopteerd, door (verweerster) zelf zouden zijn ontslagen, gelet op de sluiting van de vestiging en dat hun keuzevrijheid aldus beperkt was, is evident, maar dit neemt niet weg dat er formeel sprake is geweest van een ontslag uitgaande van die werknemers zelf. Of (verweerster) in die omstandigheden op grond van de wet een opzeggingsvergoeding of een sluitingsvergoeding verschuldigd was, is niet aan de orde. In elk geval waren er krachtens de C.A.O. vergoedingen met die naam en op dezelfde wijze berekend verschuldigd en staat het feit of zij al dan niet aan R.S.Z.-bijdragen onderworpen waren, niet ter discussie vermits die bijdragen daadwerkelijk werden geïnd. (Verweerster) heeft zich gekweten van alle verplichtingen die op haar rustten wanneer de ontslagen formeel van zichzelf zouden zijn uitgegaan. Wetsontduiking is er niet. Zoals hierboven werd geoordeeld, kan een vergoeding toegekend in geval van sluiting van onderneming onder de toepassing van artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 vallen ongeacht of de werkgever krachtens de wet een opzeggingsvergoeding of wettelijke sluitingsvergoeding verschuldigd was. Het volstaat dat die vergoeding - zoals in casu 'omwille van' de sluiting werd 'toegekend' . Gelet op de sluiting van de vestiging diende (verweerster) zich op de één of andere wijze te ontdoen van de werknemers die niet in de groep konden of wilden blijven werken. Hun 'vrijwillig vertrek' werd verzacht door de betaling van een vergoeding van 200.000 BEF bruto, boven op de vergoedingen die zij ook bij gedwongen ontslag zouden ontvangen hebben. De vordering heeft geen betrekking op enige vergoeding betaald krachtens de artikelen 1, tweede lid, of 11 van de C.A.O. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat op de betaalde vergoedingen de door (eiser) gevorderde bijdragen niet verschuldigd waren. Diens vordering is ongegrond. Hij is er integendeel toe gehouden terug te betalen wat (verweerster) hem ten onrechte heeft betaald". (arrest, p.5 - 8). Grieven Eerste onderdeel Het loon waarop de bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend, wordt luidens artikel 14, ,§ 2, van de R.S.Z.-wet en 23, tweede lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, bepaald bij artikel 2 van de Loonbeschermingswet, behoudens verruiming of beperking door de Koning van het aldus bepaalde loonbegrip. Artikel 2, eerste lid, van de Loonbeschermingswet staat een ruim loonbegrip voor en aanziet als loon, het loon in geld, de fooien of het bedieningsgeld, evenals alle in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van zijn werkgever. De in voormeld artikel bepaalde voordelen hebben niet alleen betrekking op de voordelen die voortvloeien uit de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, maar ook op de voordelen die verband houden met de beëindiging van de dienstbetrekking. Artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit bepaalt, in afwijking van artikel 2, eerste lid, van de Loonbeschermingswet, dat niet als loon moeten worden aangemerkt de vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen. Onder deze noemer vallen de vergoedingen bedoeld in artikel 6 van de Sluitingswet 1966 die worden toegekend aan de werknemers van wie het ontslag te wijten is aan de sluiting van hun onderneming, of een afdeling ervan, en die verschuldigd zijn door hun werkgever of door het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, wanneer de werkgever nalaat deze vergoedingen tijdig te betalen. Het bedrag van de sluitingsvergoeding wordt overeenkomstig artikel 6 van de Sluitingswet 1966 bepaald in functie van de anciënniteit van de werknemer in de onderneming, met toekenning van een supplement per leeftijdsjaar boven vijfenveertig jaar. Enkel deze wettelijke sluitingsvergoeding stond de Koning voor ogen toen hij in artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit de vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen uitsloot van het loonbegrip. Ten tijde van de afkondiging van het Uitvoeringsbesluit op 28 november 1969 was dit immers de enige gekende wettelijke sluitingsvergoeding terwijl de praktijk om, bovenop de wettelijke sluitingsvergoedingen, aanvullende sluitingsvergoedingen te betalen, volstrekt onbestaande was zodat het nooit de bedoeling kan zijn geweest van de Koning om ook conventionele sluitingsvergoedingen van het loonbegrip uit te sluiten. Tegen deze achtergrond verdient artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit, als uitzonderingsbepaling waarin wordt afgeweken van een ruim gedefinieerd wettelijk loonbegrip, een beperkende interpretatie. Conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen, zoals de "verhoogde sluitingsvergoeding" toegekend door verweerster aan haar werknemers die de onderneming hebben verlaten, vallen derhalve buiten het bereik van het toepassingsveld van artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoerings-besluit. Ten onrechte oordeelde het bestreden arrest bijgevolg, zonder rekening te houden met het tijdskader waarin artikel 19, ,§ 2, 1° van het Uitvoeringsbesluit tot stand kwam, dat niet blijkt dat de gebruikte termen enkel slaan op de sluitingsvergoeding van de Sluitingswet 1966 en dat de uitsluiting hiertoe bijgevolg niet is beperkt. Zoals de vergoedingen verschuldigd door de werkgever naar aanleiding van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst loon zijn (artikel 19, ,§ 2, 2°, a, Uitvoeringsbesluit), maakt ook de "verhoogde sluitingsvergoe-ding" bijgevolg loon uit in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Loonbeschermingswet. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de "verhoogde sluitingsvergoeding" geen loon is en vrijgesteld is van de heffing van sociale-zekerheidsbijdragen (schending van alle in de aanhef van het middel aangevoerde bepalingen, artikel 19, ,§ 2, 1° van het Uitvoerings-besluit in het bijzonder). Tweede onderdeel Eerste subonderdeel In de mate dat, subsidiair, aanvaard moet worden dat ook conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen geviseerd worden door artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit, dan zal de uitsluiting van het loonbegrip van deze conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen slechts kunnen gelden voor zover de werknemer in rechte aanspraak kan maken op de wettelijke sluitingsvergoedingen voorzien in de Sluitingswet 1966 en ook effectief deze wettelijke vergoeding heeft ontvangen. Aan de wettelijke voorwaarden die recht geven op de wettelijke sluitingsvergoedingen bedoeld in de Sluitingswet 1966 moet derhalve zijn voldaan opdat ook de conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen niet als loon moeten worden aanzien. De toekenning van conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoe-dingen heeft uit zijn aard immers een accessoir karakter en onderstelt bijgevolg steeds de verschuldigdheid van de wettelijke sluitingsvergoedingen. Het loutere feit dat conventionele of bovenwettelijke sluitingsvergoedingen worden toegekend "omwille van" of "in geval van" de sluiting van de onderneming volstaat derhalve niet om van de bijdragevrijstelling van artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit te kunnen genieten. Door te oordelen dat een vergoeding toegekend in geval van sluiting van onderneming onder de toepassing van artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit kan vallen ongeacht of de werkgever krachtens de wet de wettelijke sluitingsvergoedingen was verschuldigd, heeft het bestreden bijgevolg zijn beslissing niet naar recht verantwoord. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit heeft kunnen toepassen op de "verhoogde sluitings-vergoeding" nu niet werd nagegaan of de wettelijke voorwaarden waren vervuld voor de toekenning van de wettelijke sluitingsvergoedingen bedoeld in de Sluitingswet 1966 (schending van alle bepalingen vermeld in de aanhef van het middel). Tweede subonderdeel Artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit onderwerpt de uitsluiting van het loonbegrip van "vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen" aan de voorwaarde dat de wettelijke sluitingsvergoedingen voorzien in de Sluitingswet 1966 aan de betrokkene zijn verschuldigd (zie het eerste subonderdeel). Het recht op de wettelijke sluitingsvergoedingen bedoeld in de Sluitingswet 1966 ontstaat wanneer aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer omwille van de sluiting van de onderneming een einde wordt gemaakt door de werkgever, behalve wanneer hij door zijn werkgever of door diens toedoen onmiddellijk in een andere onderneming wordt tewerkgesteld (artikel 4 Sluitingswet 1966). In de zin van de Sluitingswet 1966 kan bovendien slechts sprake zijn van een "sluiting van de onderneming" wanneer, in geval van definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van de onderneming of van een afdeling ervan, het aantal tewerkgestelde werknemers wordt verminderd beneden het vierde van het aantal werknemers dat er gemiddeld was tewerkgesteld tijdens het kalenderjaar dat datgene voorafgaat, waarin de stopzetting van de activiteit zich voordoet (artikel 2, vierde lid, Sluitingswet 1966, na wijziging bij wet van 2 augustus 2002, thans het vijfde lid). Het bestreden arrest stelde vast dat de "verhoogde sluitingsvergoeding" in casu aan de werknemers was toegekend nadat zij zelf ontslag hadden genomen nu zij de beëindiging van hun arbeidsovereenkomst verkozen boven een mutatie naar een andere afdeling zodat er formeel sprake is geweest van een ontslag uitgaande van die werknemers zelf (arrest, p.7, 4.2.4). Verder oordeelden de appèlrechters dat, gelet op de sluiting van de vestiging in Deinze, er in casu sprake was van een "sluiting van onderneming", doch uit de vaststellingen van het arrest (zie p.4, 4.2.1) blijkt tevens dat, overeenkomstig artikel 1 van de C.A.O. van 8 oktober 1997, nog 10 van de 33 werklieden zouden behouden blijven, waardoor er geen vermindering van het werkliedenbestand was beneden het vierde van het aantal werknemers dat er gemiddeld was tewerkgesteld. Nu de voorwaarden niet waren vervuld om van een "sluiting van onderneming" in de zin van de Sluitingswet 1966 te kunnen gewagen en de werknemers zelf een einde hebben gesteld aan hun arbeidsovereenkomst, was aan de werknemers in kwestie bijgevolg geen wettelijke sluitingsvergoeding verschuldigd. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen oordelen dat de "verhoogde sluitingsvergoeding" onder de toepassing valt van artikel 19, ,§ 2, 1°, van het Uitvoeringsbesluit (schending van alle bepalingen aangehaald in de aanhef van het middel). IV. Beslissing van het Hof Eerste subonderdeel van het tweede onderdeel 1. Ontvankelijkheid van het subonderdeel Over de grond van niet-ontvankelijkheid, opgeworpen door verweerster : het subonderdeel is nieuw : Overwegende dat het subonderdeel aanvoert dat de in artikel 19, ,§2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bedoelde uitsluiting slechts toegekend is voor "vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen", met gevolg dat van zodra vaststaat dat aan de bedoelde werknemers geen wettelijke sluitingsvergoeding verschuldigd is, ook geen accessoire bovenwettelijke of conventionele sluitingsvergoeding kan verschuldigd zijn, zodat de te dezen aan de betrokken werknemers betaalde "verhoogde sluitingsvergoedingen" geen sluitingsvergoeding zijn in de zin van de voormelde wettelijke bepaling ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat eiser, tot staving van zijn stelling dat de in artikel 19, ,§2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bedoelde uitsluiting te dezen niet van toepassing was, aanvoerde "dat werknemers die zelf ontslag nemen, niet worden ontslagen, geen recht hebben op een sluitingsvergoeding en dus ook niet op een verhoogde sluitingsvergoeding" ; Dat het arrest in antwoord hierop oordeelt dat de in artikel 19, ,§2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 bedoelde uitsluiting niet afhankelijk is van de vraag of aan de betrokkene de sluitingsvergoeding van de Sluitingswet 1966 verschuldigd is ; Dat het in het subonderdeel aangevoerd middel niet nieuw is ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ; 2. Het subonderdeel zelf Overwegende dat, krachtens artikel 19, ,§2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met afwijking van artikel 2, eerste lid, van de Loonbeschermingswet, de vergoedingen, toegekend in geval van sluiting van ondernemingen, niet als loon worden aangemerkt voor de heffing van de socialezekerheidsbijdragen ; Dat deze wettelijke bepaling niet uitsluitend de sluitingsvergoeding betreft, bedoeld in artikel 6 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, maar alle vergoedingen die uitgekeerd worden als schadeloosstelling van zulke ontslagen werknemers bij de sluiting van een onderneming, zoals bedoeld in de wet van 28 juni 1966 ; dat daaruit volgt dat voor de toepassing van voormeld artikel 19, ,§2, 1°, alleszins dient te worden voldaan aan de vereisten van sluiting van onderneming in de zin van de Sluitingswet en van gerechtigde op de toekenning van de voormelde in artikel 6 van deze wet bedoelde sluitingsvergoeding ; Dat werknemers die zelf ontslag nemen niet aan deze vereisten voldoen ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat : - op 8 oktober 1967 een ondernemings-c.a.o. gesloten werd met melding van de beslissing van verweerster het werkliedenbestand van 33 naar 10 te verminderen en maximaal op te vangen door conventioneel brugpensioen en herplaatsing in andere bedrijven van de groep ; - krachtens artikel 12 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, wanneer de af te vloeien werklieden zouden verkiezen noch te muteren, noch met brugpensioen te gaan, zij tot en met 14 oktober 1997 kunnen opteren voor "het vrijwillig verlaten" van de onderneming ; - zestien werknemers overeenkomstig artikel 13 van de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst "als sociale begeleiding" de "verhoogde sluitingspremie van 200.000 BEF bruto" ontvangen hebben nadat zij zelf ontslag hadden genomen omdat zij geen mutatie naar een andere onderneming wensten ; Dat het arrest, niettegenstaande het vaststelt dat de betrokken werknemers niet ontslagen werden, zoals in de Sluitingswet 1966 vereist, maar zelf ontslag hebben genomen, tot de toepasselijkheid van artikel 19, ,§ 2, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 beslist en zodoende deze wettelijke bepaling schendt ; Dat het subonderdeel in zoverre gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Ernest Waûters, Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Anne De Raeve, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050207.6 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:AHGNT:2004:ARR.20040126.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div