id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4 Rolnummer: P.04.1317.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2006-02-02 Raadplegingen: 756 - laatst gezien 2026-07-04 21:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De redelijke termijn zoals bepaald bij de artikelen 6.1 E.V.R.M. en 14.3.c I.V.B.P.R., moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden; de te beoordelen duur van de strafprocedure omvat zowel deze van het vooronderzoek als van de behandeling van de zaak voor de vonnisrechter
(1).
(1)Hof Mensenrechten, arrest Faivre t. Frankrijk van 17 december 2002, nr 46215/99; Hof Mensenrechten, arrest Stratecom t. Belgium van 15 juli 2002, J.L.M.B., 2002, 1407. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Redelijke termijn Strafzaken Beoordeling Criteria Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-1981 - Art.14 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Artikel 14.3.c Redelijke termijn Strafzaken Beoordeling Criteria Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-1981 - Art.14 Fiches 3 - 4 De vonnisrechter die in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, oordeelt dat de redelijke termijn van de strafprocedure tijdens de onderscheiden fasen daarvan niet is overschreden, oordeelt meteen dat die redelijke termijn ook niet is overschreven door het loutere tijdsverloop van de strafprocedure in haar geheel. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Redelijke termijn Strafzaken Beoordeling door de vonnisgerechten Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-1981 - Art.14 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Artikel 14.3.c Redelijke termijn Strafzaken Beoordeling door de vonnisgerechten Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-1981 - Art.14 Fiches 5 - 6 De redelijke termijn in strafzaken begint te lopen vanaf het ogenblik waarop een persoon wordt beschuldigd; een persoon is beschuldigd wanneer hij hetzij formeel door de onderzoeksrechter in verdenking wordt gesteld, hetzij door een beroepshalve bij het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek betrokken persoon als verdachte wordt ondervraagd of tegen zijn persoon, zijn huis of zijn goederen een bij de wet bepaalde dwangmaatregel wordt genomen die inhoudt dat tegen hem verdenking is gerezen
(1).
(1)Zie Cass., 20 maart 2000, AR S.99.0163.N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000320.9, nr 191. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Redelijke termijn Strafzaken Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-1981 - Art.14 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Artikel 14.3.c Redelijke termijn Strafzaken Aanvang Wettelijke bepalingen: Wet - 15-05-1981 - Art.14 Tekst van de beslissing Nr. P.04.1317.N I. A J H J, eiser, verdachte. II. A J H J, reeds vermeld, eiser, beklaagde, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. Mr. Michiel VAN DAELE en Mr. Koen GOBIN, advocaten, kantoor houdende te Tielt, Kasteelstraat 96, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de heer A J, 2. KBC BANK nv, met zetel te Brussel, Havenlaan 2, verweerders, burgerlijke partijen. III. 1. A J C, 2. B A M, eisers, beklaagden, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen Mr. Michiel VAN DAELE en Mr. Koen GOBIN, advocaten, reeds vermeld, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de heer A J, verweerders, burgerlijke partijen. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep sub I is gericht tegen het arrest, op 20 maart 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling. De cassatieberoepen sub II en III zijn gericht tegen het arrest, op 14 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser sub I stelt geen middel voor. De eiser sub II en de eisers sub III stellen elk in een memorie een middel voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van het middel van de eiser sub II 1. Eerste onderdeel Overwegende dat de artikelen 6.1 EVRM en 14.3.
- c)IVBPR, de beklaagde het recht verlenen op de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn of zonder onredelijke vertraging; dat de strafrechter bij overschrijding van de redelijke termijn van de strafprocedure, met toepassing van het artikel 13 EVRM, daarvoor een overeenkomstig het Belgisch recht passend rechtsherstel moet bepalen; dat het artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering hem de mogelijkheid biedt bij overschrijding van de redelijke termijn van de strafprocedure desnoods een straf uit te spreken die lager is dan de wettelijke minimumstraf, hetzij zelfs een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring; Overwegende dat het redelijke karakter van de duur van de strafprocedure moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden; dat de te beoordelen duur van de strafprocedure zowel deze van het vooronderzoek als van de behandeling van de zaak voor de vonnisrechter omvat; Overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, wanneer het wegens het geheime karakter van het vooronderzoek in België geen verantwoording krijgt van de duur van het vooronderzoek, de duur van de strafprocedure op zich als onredelijk kan beschouwen; dat daarentegen de vonnisrechter in België de duur van het vooronderzoek kan beoordelen; Dat de vonnisrechter die in het licht van de omstandigheden van de zaak en met inachtneming van de complexiteit ervan, het gedrag van de beklaagde en van de gerechtelijke overheden, oordeelt dat de redelijke termijn van de strafprocedure tijdens de onderscheiden fasen daarvan niet is overschreden, meteen oordeelt dat die redelijke termijn ook niet is overschreden door het loutere tijdsverloop van de strafprocedure in haar geheel; Overwegende dat de appèlrechters aan de hand van het hun ter beschikking staande volledige strafdossier en op grond van de gegevens die ze in hun arrest vermelden, oordelen dat de redelijke termijn van de strafprocedure niet is overschreden; dat zij na dit oordeel niet meer hoefden te antwoorden op de wegens hun oordeel doelloos geworden conclusie dat de redelijke termijn van de strafprocedure is overschreden door het loutere tijdsverloop daarvan; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters oordelen: "Er is weliswaar een tussenperiode tussen de datum van het eerste vonnis (4 februari 2002) en de inleiding voor het hof (van beroep) (27 oktober 2003), maar ook hier kan, gelet op de complexiteit van de zaak waarbij voorbereidings- en studiewerk noodzakelijk zijn, en de werkverdeling voor het hof (van beroep) waarbij het ook voor beklaagden een voordeel is dat de zaak voor de juiste en in deze materie gebruikelijke kamer van het hof (van beroep) wordt behandeld, niet gesproken worden van een onredelijke termijn voor beklaagden"; Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, de appèlrechters met deze redenen hun beslissing naar recht verantwoorden; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; B. Onderzoek van het middel van de eisers sub III 1. Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel om de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het middel van de eiser sub II niet kan worden aangenomen; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de motivering van de appèlrechters, aangehaald in het antwoord op het tweede onderdeel van het middel van de eiser sub II, noch de procesgegevens die het Hof vermag te beoordelen, wijzen op structurele problemen in de organisatie van de werking van het Hof van Beroep te Gent; dat de appèlrechters met hun beoordeling het artikel 6.1 EVRM, noch het artikel 14.3 IVBPR schenden; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 3. Derde onderdeel Overwegende dat de redelijke termijn in strafzaken begint te lopen vanaf het ogenblik waarop een persoon wordt beschuldigd; Dat een persoon is beschuldigd wanneer hij hetzij formeel door de onderzoeksrechter in verdenking wordt gesteld, hetzij door een beroepshalve bij het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek betrokken persoon als verdachte wordt ondervraagd of tegen zijn persoon, zijn huis of zijn goederen een bij de wet bepaalde dwangmaatregel wordt genomen die inhoudt dat tegen hem verdenking is gerezen; Overwegende dat de appèlrechters, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, omtrent de aanvang van de termijn oordelen: "Wat betreft(de eisers sub III) geldt 23 juni 1997, datum van eerste verhoor"; Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, de appèlrechters op grond van het door hen beschreven feitelijke verloop van het na 23 juni 1997 gevoerde gerechtelijk onderzoek en doorlopen procesgang voor de correctionele rechtbank en voor het hof van beroep, wettig hebben kunnen oordelen dat de redelijke termijn van de strafprocedure niet is overschreden; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van tweehonderd zesentwintig euro negenenvijftig cent, waarvan I. op de cassatieberoepen van J A: honderd tweeëndertig euro vijfentwintig cent verschuldigd en II. op het cassatieberoep van J A: vierennegentig euro vierendertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Paul Maffei, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van acht februari tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2008:CONC.20080528.7 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2013:CONC.20130206.1 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211103.2F.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000320.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.10 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080313.11 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080527.12 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100105.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101222.14 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140114.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div