← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.5 Rolnummer: C.03.0545.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2006-02-02 Raadplegingen: 485 - laatst gezien 2026-07-04 11:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vraag of de eiser ook daadwerkelijk enig recht kan laten gelden met betrekking tot een bepaald goed betreft niet zijn hoedanigheid om de desbetreffende vordering in te stellen en de ontvankelijkheid van zijn vordering, maar wel de gegrondheid ervan. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: VORDERING IN RECHTE Zakelijk recht Hoedanigheid Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.17 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0545.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de minister-president, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19, namens wie optreedt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke ordening, Wetenschap en Technologische Innovatie, wiens kabinet gevestigd is te 1210 Brussel, Phoenixgebouw, Koning Albert II-laan 19, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen

  1. V.H., en zijn echtgenote,
  2. V.J.,
  3. V.L.,
  4. V.H.,
  5. V.M., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 13 mei 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit. IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat het middel aanvoert dat de eerste verweerder met betrekking tot de percelen, met uitzondering van die gekadastreerd T.W. A nrs 741/X en 741/Y, geen hoedanigheid heeft om de vordering in te stellen, zodat het arrest de vordering van de eerste verweerder met betrekking tot die percelen, ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard ; Dat de vraag of de eerste verweerder ook daadwerkelijk enig recht kan laten gelden met betrekking tot de percelen, andere dan die gekadastreerd T.W. A nrs 741/X en 741/Y, niet de hoedanigheid van de eerste verweerder om de vordering in te stellen en de ontvankelijkheid van zijn vordering betreft, maar wel de gegrondheid ervan ; Dat het middel niet kan worden aangenomen ;
  6. Tweede middel 2.
  7. Tweede onderdeel a. Grond van niet-ontvankelijkheid Over de niet-ontvankelijkheid van het onderdeel opgeworpen door de verweerders : het onderdeel vermeldt niet de wettelijke bepaling op grond waarvan de bijzondere verjaringstermijn van artikel 100, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit van toepassing zou zijn op vorderingen die op 29 augustus 1986 tegen eiser werden ingesteld, daar dit artikel 100, 1°, krachtens artikel 71, ,§1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten slechts sedert 1 januari 1989 van toepassing is op vorderingen lastens het Vlaams Gewest : Overwegende dat tot zijn opheffing door artikel 69, ,§1, 2°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, artikel 13, ,§2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalde dat de bepalingen van de wetten van 15 mei 1846 en 28 juni 1963 op de rijkscomptabiliteit van toepassing zijn op de begroting van elke Raad ; Overwegende dat, krachtens artikel 11 van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, de bepalingen van de artikelen 34, 36, 37 gewijzigd bij de wet van 28 december 1867, 38, 39, gewijzigd bij de wet van 28 december 1867, 40 gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 34 van 13 november 1934, 53, 2° en 41 zoals ingevoegd bij toepassing van artikel 2 van de wet van 5 maart 1952, van de wet van 15 mei 1846 vervangen werden door de artikelen 1 tot 8 van de wet van 6 februari 1970 ; dat de wet van 6 februari 1970 aldus slechts enkele artikelen van de wet van 15 mei 1846 heeft vervangen ; Dat meer bepaald artikel 34 van de wet van 15 mei 1846, dat betrekking had op de verjaring en de vervallenverklaring van vorderingen ten voordele van de Staat, vervangen werd door artikel 1 van de wet van 6 februari 1970, zijnde thans artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit ; Overwegende dat uit de wetsgeschiedenis van de wet van 8 augustus 1980 blijkt dat artikel 13, ,§2, van die wet, de wetten van 15 mei 1846 en van 28 juni 1963 in hun geheel en met de latere wijzigingen ervan, toepasselijk maakt op de begroting van elke Raad ; Dat aldus de verjaringstermijn van artikel 1 van de wet van 6 februari 1970, zijnde thans artikel 100 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991, reeds door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 op het Vlaams Gewest van toepassing was en niet pas sedert de inwerkingtreding van artikel 71, ,§1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 ; Overwegende dat aldus de aangevoerde schending van artikel 100, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit volstaat om tot de vernietiging van de bestreden beslissing te leiden, indien het onderdeel gegrond is ; Dat de grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen ; b. Onderdeel zelf Overwegende dat het recht op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad ontstaat vanaf het bestaan van schade die uit een fout volgt en de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag waarop het recht om de rechtsvordering tegen de aansprakelijke in te stellen ontstaat ; Dat aldus met betrekking tot goederen die het voorwerp zijn van een door de overheid op foutieve wijze goedgekeurd plan van aanleg waaruit minderwaarde ontstaat, deze schade kan vastgesteld worden op het ogenblik dat het plan van aanleg uitwerking heeft en op dat ogenblik het recht op schadevergoeding op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ontstaat ; Overwegende dat, krachtens artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, thans artikel 100, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, verjaard zijn en bepaald vervallen ten voordele van de Staat, onverminderd de vervallenverklaringen uitgesproken door andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen : de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan ; Overwegende dat behoudens andersluidende wettelijke bepalingen, die verjaringstermijn van vijf jaar in de regel voor alle schuldvorderingen ten laste van de Staat geldt ; Dat aldus met toepassing van dit artikel de vijfjarige verjaringstermijn voor de buitencontractuele aansprakelijkheid begint te lopen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan dat recht is ontstaan ; Overwegende dat het arrest vaststelt dat :
  8. de verweerders hun vordering steunen op artikel 37 van de Stedenbouwwet wat betreft de beide percelen B. en Br. te A. en zij tevens hun vordering steunen op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek wat betreft het perceel Br. daar de overheid niet het minste onderzoek heeft gedaan naar de precieze functie van deze gronden en op een foutief geachte wijze werd overgegaan tot de klassering ervan in het gewestplan ;
  9. het stedenbouwkundig attest nr. 2 van 2 september 1985 betreffende de onroerende goederen gelegen aan de Br.straat en de T.straat ongunstig was op de aanvraag tot het ontbossen, verkavelen en bouwen van halfopen gebouwde woningen ;
  10. de vordering van de verweerders, in de mate zij wordt gekwalificeerd als een vordering uit onrechtmatige daad steunt op het totstandkomen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 ; dat de verhouding tussen de verweerders en de overheid haar oorsprong vindt in de Stedenbouwwet van 29 maart 1962 ; Overwegende dat het arrest oordeelt dat de schade, in de mate dat deze haar oorsprong zou vinden in de onrechtmatige daad van de overheid aan het daglicht kwam op 2 september 1985, datum van het negatief stedenbouwkundig attest nr. 2 ; Dat het arrest beslist dat de op 29 augustus 1986 ingestelde vordering voldoet aan de voorwaarde van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van de schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën, thans de op 17 juli 1991 gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit ; Dat het arrest zodoende zijn beslissing niet naar recht verantwoordt ; Dat het onderdeel gegrond is ;
  11. Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering van de verweerders gegrond op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en daarvoor een deskundige aanstelt ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitter Robert Boes, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van elf februari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050211.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100325.4 ECLI:BE:CTLIE:2026:ARR.20260105.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.