id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050215.4 Rolnummer: P.04.1457.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 523 - laatst gezien 2026-07-04 13:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 779, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt dat, wanneer een rechter wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van een vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd overeenkomstig artikel 778 van datzelfde wetboek, de voorzitter van het gerecht een andere rechter kan aanwijzen om die rechter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen, noch artikel 149 van de Grondwet vereisen dat de voorzitter in zijn bevelschrift de wettige verhindering omschrijft
(1).
(1)Cass., 16 juni 1999, AR P.98.0738.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.7, nr 362. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Uitspraak Wettig verhinderde rechter Vervanging Bevelschrift van de voorzitter Inhoud Fiches 2 - 3 Artikel 779, Gerechtelijk Wetboek, noch enige andere wettelijke bepaling schrijven voor dat het vonnis of arrest moet vermelden dat een van de rechters die het uitspreekt, een andere die mede over de zaak heeft beraadslaagd, vervangt of dient vast te stellen dat deze laatste wettig verhinderd was om de uitspraak bij te wonen; die vervanging bij de uitspraak kan blijken uit de andere processtukken, meer bepaald uit het bevelschrift van de voorzitter van het gerecht dat de andere rechter aanwijst
(1).
(1)Cass., 30 nov. 1999, AR P.98.0353.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991130.2, nr
- Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Samenstelling van het rechtscollege Uitspraak Wettig verhinderde rechter Vervanging Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Uitspraak Wettig verhinderde rechter Vervanging Fiche 4 Wanneer de appèlrechters bij tussenarrest het hoger beroep ontvankelijk verklaren en, vooraleer verder recht te spreken, het debat heropenen, zijn zij ertoe niet gehouden reeds in dat tussenarrest te antwoorden op een verweer dat vreemd is aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep en aan de opportuniteit van die heropening. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Hoger beroep Tussenarrest waarbij het hoger beroep ontvankelijk verklaard wordt en het debat wordt heropend Verweer dat vreemd is aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep en aan de opportuniteit van de heropening van de debatten Verplichting van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet - 17-02-1994 - Art.149 Fiches 5 - 6 Artikel 6.1, E.V.R.M., dat de behandeling binnen een redelijke termijn vereist, en artikel 14.3.c, I.V.B.P.R., dat de berechting zonder onredelijke vertraging vereist, hebben dezelfde draagwijdte en hetzelfde doel, zodat de rechters, door de behandeling van de zaak aan de eis van de redelijke termijn van artikel 6.1, E.V.R.M. te toetsen, deze meteen ook getoetst hebben aan de eis van de berechting zonder onredelijke vertraging van artikel 14.3.c, I.V.B.P.R. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Behandeling binnen een redelijke termijn Artikel 14.3.c, I.V.B.P.R. Berechting zonder onredelijke vertraging Doel en draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Artikel 14.3.c Berechting zonder onredelijke vertraging Artikel 6.1 E.V.R.M. Behandeling binnen een redelijke termijn Doel en draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.04.1457.N I. D B H A, met als raadsman Mr. L.J. Martens, advocaat bij de balie te Gent. II. D B H A, reeds vermeld, met als raadsman Mr. L.J. Martens, advocaat bij de balie te Gent. III. D B H G, met als raadsman Mr. D. Defrance, advocaat bij de balie te Gent. IV. D B L, met als raadsman Mr. D. Defrance, advocaat bij de balie te Gent. V. D B H G, reeds vermeld, met als raadsman Mr. D. Defrance, advocaat bij de balie te Gent. VI. D B L, reeds vermeld, met als raadsman Mr. D. Defrance, advocaat bij de balie te Gent, eisers, beklaagden. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen onder I, III en IV zijn gericht tegen het arrest, op 22 februari 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. De cassatieberoepen onder II, V en VI zijn gericht tegen het arrest, op 14 februari 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Luc Huybrechts heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser onder I en II stelt in een memorie twee middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De overige eisers stellen geen middel voor. IV. Beslissing van het Hof A. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep Overwegende dat de eiser onder IV reeds eerder een cassatieberoep heeft ingesteld tegen het arrest van 22 februari 2001 welk het Hof bij arrest van 24 december 2002 niet ontvankelijk heeft verklaard; Overwegende dat artikel 438 Wetboek van Strafvordering geen tweede cassatieberoep toelaat nadat een eerste verworpen werd; Dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is; B. Onderzoek van de middelen
- Eerste middel Overwegende dat uit de processtukken en het arrest van 22 februari 2001 blijkt dat het werd gewezen door de raadsheren die alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben; Dat verder uit de processtukken en het arrest van 14 februari 2002 blijkt dat de behandeling van de zaak na het tussenarrest van 22 februari 2001 dat eisers hoger beroep ontvankelijk verklaarde en de heropening van het debat beval, volledig werd hernomen; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat artikel 779, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer een rechter wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van een vonnis waarover hij mede heeft beraadslaagd overeenkomstig artikel 778 van datzelfde wetboek, de voorzitter van het gerecht een andere rechter kan aanwijzen om die rechter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen; Dat die wetsbepaling noch artikel 149 van de Grondwet vereisen dat de voorzitter in zijn bevelschrift de wettige verhindering omschrijft; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat voor het overige noch artikel 779 Gerechtelijk Wetboek noch enige andere wettelijke bepaling voorschrijft dat het vonnis of arrest moet vermelden dat een van de rechters die het uitspreekt, een andere die mede over de zaak heeft beraadslaagd, vervangt noch dient vast te stellen dat deze laatste wettig verhinderd was om de uitspraak bij te wonen; dat die vervanging bij de uitspraak kan blijken uit de andere processtukken, meer bepaald, zoals hier, uit het bevelschrift van de voorzitter van het gerecht dat deze rechter aanwijst; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen;
- Tweede middel 2.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest van 22 februari 2001 het hoger beroep ontvankelijk verklaart en, vooraleer verder recht te spreken, het debat heropent teneinde de partijen toe te laten over een aantal punten nader uitleg te verschaffen; Dat de appèlrechters ertoe niet gehouden waren reeds in dat arrest te antwoorden op het in het middel bedoelde verweer dat vreemd is aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep en aan de opportuniteit van die heropening; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 2.
- Tweede onderdeel Overwegende dat het artikel 6.1 EVRM dat de behandeling binnen een redelijke termijn en het artikel 14.3.c IVBPR dat de berechtiging zonder onredelijke vertraging vereisen, dezelfde draagwijdte en doel hebben; Overwegende dat de rechters door de behandeling van de zaak aan de eis van de redelijke termijn van artikel 6.1 EVRM te toetsen, deze meteen getoetst hebben aan de eis van de berechtiging zonder onredelijke vertraging van artikel 14.3.c IVBPR; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; 2.
- Derde onderdeel Overwegende dat het arrest met de in het onderdeel weergegeven redenen aan de eisers geen bewijslast oplegt noch partijdig ten voordele van het openbaar ministerie optreedt, maar enkel het verweer dat het recht van verdediging van de eisers door het tijdsverloop van de procedure is aangetast, als ongeloofwaardig verwerpt; Overwegende, voor het overige, dat het niet tegenstrijdig is te oordelen zoals in het onderdeel weergegeven na in het arrest van 22 februari 2001 de heropening van het debat te hebben bevolen teneinde de partijen toe te laten nadere uitleg te verschaffen; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering Overwegende dat, behoudens wat het arrest van 21 februari 2001 en de eiser onder 4 betreft, de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van driehonderd eenennegentig euro zevenenveertig cent, waarvan
- op de cassatieberoepen van H A D B: honderd dertig euro zevenenveertig cent verschuldigd,
- op de cassatieberoepen van H G D B: honderd dertig euro zevenenveertig cent verschuldigd en
- op de cassatieberoepen van L D B: honderd dertig euro zevenenveertig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijftien februari tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050215.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110505.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990616.7 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19991130.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070215.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div