id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050215.6 Rolnummer: P.04.1673.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2005-12-01 Raadplegingen: 414 - laatst gezien 2026-07-04 07:43 Versie(s): Vertaling FR Fiche Er is grond tot regeling van rechtsgebied wanneer de raadkamer de beklaagde verwijst naar de correctionele rechtbank na correctionalisatie van het misdrijf op grond van verzachtende omstandigheden, de correctionele rechtbank deze beklaagde, bij afwezigheid van hoger beroep van het openbaar ministerie en van de beklaagde, op strafgebied definitief veroordeelt, en het hof van beroep, waarvoor, op het enkel hoger beroep van de burgerlijke partij, enkel nog de burgerlijke rechtsvordering tegen de beklaagde aanhangig is, zich later onbevoegd verklaart om van die burgerlijke rechtsvordering kennis te nemen, op grond dat inmiddels gebleken is dat het door de raadkamer gecorrecionaliseerde misdrijf niet voor correctionalisering vatbaar is, en zowel de beschikking van de raadkamer als het arrest van het hof van beroep kracht van gewijsde hebben, aangezien door de onderlinge tegenstrijdigheid tussen beide beslissingen een geschil van rechtsmacht ontstaat die de rechtsgang belemmert; het Hof, beslissend tot regeling van rechtsgebied, vernietigt het arrest van het hof van beroep in zoverre het zich onbevoegd verklaart uitspraak te doen over de tegen de beklaagde ingestelde burgerlijke rechtsvordering en verwijst de zaak naar het hof van beroep, anders samengesteld
(1)
(2)
(3).
(1)In deze zaak waren twee beklaagden betrokken, die beiden voor een identieke maar afzonderlijke telastlegging, meer bepaald het misdrijf bepaald in artikel 406, eerste lid, Strafwetboek, na correctionalisering op grond van verzachtende omstandigheden, naar de correctionele rechtbank werden verwezen. De correctionele rechtbank veroordeelde beide beklaagden op strafgebied en op burgerlijk gebied. Eén van de twee beklaagden stelde hoger beroep in tegen alle beschikkingen van het vonnis, daarin gevolgd door het openbaar ministerie wat de beslissing op de strafvordering betrof. De tweede beklaagde tekende geen hoger beroep aan en het openbaar ministerie evenmin. De burgerlijke partijen stelden evenwel ook hoger beroep in, zodat voor de beklaagde, voor wie de beslissing van de eerste rechter op strafgebied niet werd aangevochten en definitief was, enkel nog de tegen hem gerichte burgerlijke rechtsvorderingen voor de appèlrechters aanhangig waren. Na een tussenarrest, waarbij een deskundige werd aangesteld, vulde het hof van beroep, precies op grond van de bevindingen van de deskundige, de oorspronkelijke telastlegging aan met de verzwarende omstandigheid, bedoeld in artikel 408, Strafwetboek, dat de feiten iemands dood ten gevolge hadden. Het hof van beroep stelde daarop vast dat de feiten, onder hun nieuwe kwalificatie, niet vatbaar bleken voor correctionalisering en verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van deze feiten, van de overige telastleggingen die daarmee samenhangend waren en van de daarop geënte burgerlijke rechtsvorderingen. De assymetrische rechtstoestand ten aanzien van beide beklaagden geeft hier aanleiding tot een dubbele regeling van rechtsgebied die leidt tot twee inhoudelijk onderscheiden beslissingen. Wat betreft de beklaagde, die hoger beroep instelde op strafgebied en op burgerlijk gebied en daarin, op strafgebied, gevolgd werd door het openbaar ministerie, volgt het Hof de klassieke oplossing, waarbij de verwijzingsbeschikking van de raadkamer wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de kamer van inbeschuldigingstelling. Wat betreft de beklaagde die geen hoger beroep instelde, evenmin als het openbaar ministerie en ten aanzien van wie, op het enkel hoger beroep van de burgerlijke partijen, alleen nog de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen voor het hof van beroep aanhangig waren, vernietigt het Hof het arrest van het hof van beroep in zoverre het zich onbevoegd verklaart uitspraak te doen over de tegen deze beklaagde ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen en verwijst het de zaak terug naar hetzelfde hof van beroep, anders samengesteld. De appèlrechters hadden, wat deze beklaagde betreft, immers niet meer te oordelen over de strafvordering, maar zij bleven bevoegd om kennis te nemen van de tegen deze beklaagde ingestelde burgerlijke rechtsvordering, gesteund op het door de eerste rechter definitief bewezen verklaarde misdrijf, met dien verstande evenwel, dat de appèlrechters ook in dat geval nog steeds gehouden zijn de juiste kwalificatie aan het misdrijf te geven (Cass., 17 nov. 1981, AR 6659, nr 180): zij zijn immers niet gebonden door de kwalificatie die op strafgebied definitief werd aangenomen (zie Cass., 18 nov. 1986, AR 186, nr 173 en de noot onder het arrest).
(2)Zie Cass., 8 maart 1988, AR 2195, nr 429, waar in voetnoot
(1)gepreciseerd wordt dat ook als het geschil van rechtsmacht enkel betrekking heeft op de burgerlijke rechtsvordering, het openbaar ministerie een verzoek tot regeling van rechtsgebied kan indienen; 9 april 1997, AR P.97.0223.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970409.9, nr 177; Contra: Cass., 23 okt. 1990, AR 4733, nr 102.
(3)In zijn arrest van 16 december 1968 (Arr. Cass., 1969, p. 379) oordeelde het Hof dat er geen bevoegdheidsconflict bestaat tussen de beslissing van onbevoegdheid van het vonnisgerecht en de verwijzingsbeschikking van de raadkamer "daar deze laatste vreemd is aan de burgerlijke rechtsvordering". Uit dit arrest blijkt evenwel dat in die zaak de burgerlijke partij zich slechts ter zitting van de correctionele rechtbank had gesteld. In het thans geannoteerde arrest ligt de situatie anders, aangezien er ook reeds gestelde burgerlijke partijen voor de raadkamer waren verschenen: de verwijzingsbeschikking heeft dus niet enkel betrekking op de strafvordering, maar ook op de erbij horende burgerlijke rechtsvorderingen, hetgeen uiteindelijk leidt tot onderling tegenstrijdige beslissingen omtrent de bevoegdheid. Thesaurus CAS: REGELING VAN RECHTSGEBIED - STRAFZAKEN - Tussen onderzoeksgerecht en vonnisgerecht - Aard van het misdrijf Vrije woorden: REGELING VAN RECHTSGEBIED - STRAFZAKEN - Tussen onderzoeksgerecht en vonnisgerecht - Aard van het misdrijf Correctionalisering door de raadkamer Verwijzing naar de correctionele rechtbank Veroordeling van beklaagde Afwezigheid van hoger beroep van het openbaar ministerie en de beklaagde Definitieve beslissing op strafgebied Hoger beroep van de burgerlijke partij Burgerlijke rechtsvordering aanhangig voor het hof van beroep Vaststelling door het hof van beroep dat het misdrijf niet voor correctionalisering vatbaar is Onbevoegdheidsverklaring Beschikking van de raadkamer en arrest in kracht van gewijsde Onderlinge tegenstrijdigheid Tekst van de beslissing Nr. P.04.1673.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, verzoeker tot regeling van rechtsgebied, inzake
- O D,
- V E R, beklaagden, tegen
- W K,
- V R M-L,
- V G,
- V M,
- D L, burgerlijke partijen,
- DVV VERZEKERINGEN NV, met zetel te Brussel, Livingstonelaan 6,
- KBC VERZEKERINGEN NV, met zetel te Leuven, Waaistraat 6, vrijwillig tussengekomen partijen. I. Bestreden beslissingen De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen verzoekt om regeling van rechtsgebied ingevolge: - een beschikking, op 21 mei 2002 gewezen door de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout. - een arrest, op 24 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Paul Maffei heeft verslag uitgebrach t. Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd. III. Reden van het verzoek De procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Antwerpen licht in een verzoekschrift het verzoek toe. Dit verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Feitelijke voorafgaanden De raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout heeft D O en R V E naar de correctionele rechtbank verwezen wegens de in het verzoekschrift vermelde telastleggingen. De Correctionele Rechtbank te Turnhout heeft bij vonnis van 18 juni 2003 beiden wegens die telastleggingen tot straf en in kosten veroordeeld en heeft op burgerlijk gebied deze beklaagden samen met de vrijwillig tussengekomen partijen solidair tot schadevergoeding veroordeeld en onderzoeksmaatregelen bevolen. Tegen dat vonnis stelden hoger beroep in: - R V E tegen alle schikkingen ervan; - het openbaar ministerie in zoverre het vonnis op strafgebied uitspraak doet ten aanzien van R V E; - G V, M V en L D; - de vrijwillig tussengekomen partijen. Het hof van beroep heeft de kwalificatie van de telastlegging A tegen D O en G tegen R V E, zijnde telkens het misdrijf bepaald in artikel 406, eerste lid, Strafwetboek, aangevuld door de verzwarende omstandigheden bepaald in artikel 407 en 408 van hetzelfde wetboek aan te houden, met name dat de feiten verwondingen bedoeld in artikel 399 Strafwetboek en iemands dood ten gevolge gehad hebben. Het hof van beroep heeft geoordeeld dat het misdrijf bepaald in artikel 406, eerste lid, Strafwetboek, op het ogenblik van de feiten strafbaar was met levenslange opsluiting en thans strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar. Tevens heeft het geoordeeld dat die feiten op het ogenblik van de verwijzing door de raadkamer voor geen correctionalisering vatbaar waren. Het hof van beroep heeft op die grond geoordeeld dat het niet bevoegd is om kennis te nemen van de telastleggingen A en G zoals aangevuld, van de overige telastleggingen die daarmee samenhangend zijn en van de daarop geënte burgerlijke rechtsvorderingen. V. Beslissing van het Hof A. Ten aanzien van D O Overwegende dat de beschikking van de raadkamer en het arrest van het hof van beroep kracht van gewijsde hebben; Dat hun onderlinge tegenstrijdigheid een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de rechtsgang belemmert; Overwegende dat bij afwezigheid van hoger beroep van het openbaar ministerie en de beklaagde, tegen deze laatste enkel de burgerlijke rechtsvorderingen voor de appèlrechters aanhangig waren; dat de tegen de beklaagde door de eerste rechter gewezen beslissing op strafgebied niet werd aangevochten en definitief is; Overwegende dat de appèlrechters in die omstandigheden niet meer te oordelen hadden over de strafvordering maar bevoegd bleven kennis te nemen van de burgerlijke vordering gesteund op het door de eerste rechter bewezen verklaarde misdrijf; Dat er grond bestaat tot regeling van rechtsgebied op grond van artikel 526 Wetboek van Strafvordering; B. Ten aanzien van R V E Overwegende dat er tegen de beschikking van de raadkamer vooralsnog geen rechtsmiddel openstaat en het arrest van het hof van beroep kracht van gewijsde heeft; Dat hun onderlinge tegenstrijdigheid een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de procesgang belemmert; Overwegende dat, zoals door het hof van beroep aangevuld met de verzwarende omstandigheid dat de feiten iemands dood ten gevolge gehad hebben en indien bewezen, de telastlegging G krachtens artikel 408 Strafwetboek thans strafbaar is met opsluiting van twintig tot dertig jaar; dat alhoewel deze straf lichter is dan deze van levenslange opsluiting die ten tijde van de verwijzing van toepassing was, overeenkomstig artikel 2, derde lid, 2°, Wet Verzachtende Omstandigheden, de feiten niet konden en nog steeds niet kunnen worden gecorrectionaliseerd; Dat de raadkamer de correctionalisering van die feiten ten onrechte heeft beslist; Overwegende dat er samenhang lijkt te bestaan tussen de overige feiten en de telastlegging G zoals aangevuld met de verzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 407 Strafwetboek alsmede de overige telastleggingen waarvoor R V E naar de correctionele rechtbank werd verwezen; Overwegende dat er derhalve grond bestaat tot regeling van rechtsgebied overeenkomstig artikel 526 Wetboek van Strafvordering; OM DIE REDENEN, HET HOF, Beslissend tot regeling van rechtsgebied; Ten aanzien van D O Vernietigt het arrest, op 24 november 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen in zoverre het zich onbevoegd verklaart uitspraak te doen over de tegen de beklaagde ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld; Ten aanzien van R V E Vernietigt de beschikking van 21 mei 2002 van de raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Turnhout, die uitspraak doet over de regeling van de rechtspleging in zoverre R V E naar de correctionele rechtbank wordt verwezen; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest en de gedeeltelijk vernietigde beschikking; Laat de kosten ten laste van de Staat; Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Luc Huybrechts, Etienne Goethals, Paul Maffei, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijftien februari tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2017:CONC.20171220.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970409.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div