← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050217.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050217.11 Rolnummer: F.04.0010.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2005-11-15 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-07-04 13:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Niet onregelmatig is de bezichtiging van de bedrijfslokalen door ambtenaren van de administratie der directe belastingen, die niet voorzien zijn van hun aanstellingsbewijs, wanneer de belastingplichtige uitdrukkelijk met de plaatsbezichtiging instemt. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Vrije woorden: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Allerlei Bedrijfslokalen Bezichtiging Ambtenaar Aanstellingsbewijs Geen aanstellingsbewijs Toestemming van de belastingplichtige Wettelijke bepalingen: Wet - 12-06-1992 - Art.319,eerste Tekst van de beslissing Nr. F.04.0010.F.- BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, tegen

  1. D. T.
  2. H. M.-R. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 29 oktober 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Luik. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Christian Storck heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddel Eiser voert een middel aan. Het is gesteld als volgt : Geschonden wettelijke bepaling - artikel 319, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
  3. Aangevochten beslissingen en redenen Na te hebben vastgesteld : -"dat het onderhavig geschil met name betrekking heeft op de regelmatigheid van de plaatsbezichtiging die de ambtenaren van de administratie op 15 december 1994 hebben verricht met de bedoeling na te gaan welke gedeelte van het onroerend goed voor bedrijfsdoeleinden werd gebruikt ; -dat het hof (van beroep), onder de verschillende gegevens die de (verweerders) dienaangaande aanvoeren, in elk geval rekening moet houden met het feit dat volgens artikel 319 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 de ambtenaren van de administratie voorzien moeten zijn van hun aanstellingsbewijs ; -dat uit het bij die gelegenheid opgemaakte proces-verbaal weliswaar blijkt dat zij hun identiteit en hun functie kenbaar hebben gemaakt, maar niet dat zij dat aanstellingsbewijs bij zich hadden ; -dat, ondanks het feit dat die grief niet recent is, bovenstaand argument van de belastingplichtigen door geen enkel ander gegeven van het administratief dossier kan worden ontkracht en dat de administratie in deze zaak die van openbare orde is, vergeefs aanvoert dat (verweerster) uiteindelijk, op aanraden van haar gevolmachtigde, toegang heeft verleend aan de ambtenaren", overweegt het arrest "dat daaruit volgt dat (...) de plaatsbezichtiging van 15 december 1994 op onregelmatige wijze werd verricht" en beslist het dat een dergelijke plaatsbezichtiging "geen geldige grondslag kan verlenen aan de wijzigingsberichten betreffende de litigieuze aanslagjaren" zodat "de betrokken aanslagen moeten worden vernietigd". Grieven Artikel 319, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 legt de natuurlijke personen en de rechtspersonen een voorwaardelijke verplichting op : "(laatstgenoemden) zijn gehouden aan de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek (...), vrije toegang (...) te verlenen tot hun beroepslokalen". Indien de ambtenaren van de administratie die verplichting niet nakomen, kunnen de natuurlijke personen en de rechtspersonen tot wie het verzoek wordt gericht, de toegang weigeren en zich verzetten tegen het in die bepaling bedoelde onderzoek, namelijk de vaststelling van de aard en de belangrijkheid van (bedoelde) werkzaamheden (Memorie van toelichting, Parlementaire stukken, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting, 1961-1662, nr. 264/1, p. 112). De belastingplichtige behoudt evenwel de mogelijkheid om vrije toegang te verlenen tot zijn beroepslokalen, ook al voldoet de ambtenaar van de administratie niet aan de voorwaarden waaraan de bij artikel 319, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 ingevoerde verplichting onderworpen zijn. Wanneer die belastingplichtigen, zonder dwang of geweld, met kennis van zaken beslissen vrije toegang te verlenen tot hun beroepslokalen, is het aldaar verrichte onderzoek aldus regelmatig. Te dezen staat het vast en wordt het niet betwist dat verweerster, na naar behoren advies te hebben ingewonnen, aan de ambtenaren wier identiteit en functie zij kende, zoals het bestreden arrest preciseert, toegang heeft verleend tot de beroepslokalen. In een dergelijk geval hangt de regelmatigheid van de gedane plaatsbezichtiging uitsluitend af van de weloverwogen toestemming van de belastingplichtige, die zonder bezwaar afstand kan doen van zijn recht om zich te beroepen op de voorwaardelijke verplichting van artikel 319, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen
  4. Daaruit volgt dat het arrest, door op grond van de vaststelling dat uit geen enkel gegeven van het administratief dossier kan worden afgeleid dat de ambtenaren van de administratie hun aanstellingsbewijs bij zich hadden, dat "de plaatsbezichtiging van 15 december 1994 op onregelmatige wijze werd verricht" en dat een dergelijke plaatsbezichtiging "geen geldige grondslag kan verlenen aan de wijzigingsberichten betreffende de litigieuze aanslagjaren", terwijl het arrest, zonder op dat punt ook maar in het minst te worden betwist, stelt dat "de ambtenaren van de administratie hun identiteit en hun functie kenbaar hebben gemaakt" en "dat (verweerster) uiteindelijk, op aanraden van haar gevolmachtigde, toegang heeft verleend aan de ambtenaren", een verkeerde toepassing maakt van artikel 319, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, gelet op het feit dat verweerster haar weloverwogen toestemming heeft verleend voor de bezichtiging van de beroepslokalen. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat, krachtens artikel 319 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, de natuurlijke personen gehouden zijn aan de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, voorzien van hun aanstellingsbewijs en belast met het verrichten van een controle of een onderzoek betreffende de toepassing van de personenbelasting, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot hun beroepslokalen, ten einde aan die ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen onder meer om de aard en de belangrijkheid van bedoelde werkzaamheden vast te stellen ; Overwegende dat, wanneer ambtenaren van de administratie der directe belastingen niet voorzien zijn van hun aanstellingsbewijs, de plaatsbezichtiging niet onregelmatig is indien de belastingplichtige uitdrukkelijk met de bezichtiging van de lokalen instemt ; Overwegende dat het arrest, daar het vaststelt dat de ambtenaren van de administratie hun identiteit en hun functie kenbaar hebben gemaakt en daar het aanneemt dat "(verweerster) uiteindelijk, op aanraden van haar gevolmachtigde, (hun) toegang heeft verleend, niet wettig beslist dat de door die ambtenaren verrichte bezichtiging onregelmatig was ; Dat het middel gegrond is; OM DIE REDENEN, HET HOF Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de feitenrechter ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door raadsheer Christian Storck, waarnemend voorzitter, Didier Batselé, Albert Fettweis, Daniel Plas en Philippe Gosseries, en in openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend en vijf uitgesproken door raadsheer Christian Storck, waarnemend voorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Ernest Waûters en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050217.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2021:ARR.20211022.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080912.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.