id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.3 Rolnummer: C.03.0014.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 406 - laatst gezien 2026-07-04 05:01 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Nietig is het vonnis gewezen door niet alle rechters voor wie de zaak werd behandeld
(1)Cass., 22 nov. 1994, AR P.94.0735.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941122.21, nr 507. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Samenstelling van het rechtscollege Behandeling en uitspraak Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.779 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Samenstelling van het rechtscollege Behandeling en uitspraak Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Art.779 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0014.N V.L., eiser, vertegenwoordigd door Mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen CHRISTON STAINLESS STEEL, naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te 9160 Lokeren, Brandstraat 11, met keuze van woonplaats bij gerechtsdeurwaarder Paul Van Nieuwenhuyze te 8630 Veurne, Brugse Steenweg 54, verweerster. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 september 2002 gewezen door het Hof van Beroep te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 321, eerste lid, 778, 780, 1°, 785, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest stelt dat het "Aldus gewezen en uitgesproken (
- is)in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ten tijde van het behandelen en in beraad nemen van deze zaak: veertiende kamer, thans na naamswijziging zie dienstregeling van het hof van 28 juni 2002 veertiende kamer bis, zetelende in burgerlijke zaken, op tien september tweeduizend en twee" (arrest, p. 7) en vermeldt als aanwezig raadsheer : "M.D. kamervoorzitter" en als aanwezig griffier : "F.J. griffier". Het bestreden arrest is ondertekend door Mevrouw "M.J. D.C." en door de Heer "F. J.". Grieven Het hoger beroep, voorwerp van het bestreden arrest, was ingesteld tegen de beschikking van de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Veurne van 14 november 2001 in de zaak met algemeen rolnummer 01/122/A. Het hoger beroep was ingesteld krachtens verzoekschrift, door eiser ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 11 januari 2002 neergelegd. Op 14 februari 2002 werd de zaak ingeleid voor een kamer met drie raadsheren. Blijkens het zittingsblad van 11 juni 2002 van de kamer 14b van het Hof van Beroep te Gent werd de zaak opgeroepen en in openbare terechtzitting behandeld : de raadslieden van beide partijen pleitten en legden hun dossier neer waarna het hof de debatten heeft gesloten, de zaak in beraad heeft genomen en ze voor uitspraak heeft gesteld op de terechtzitting van 25 juni 2002. De kamer 14b was op de zitting van 11 juni 2002 als volgt samengesteld : M.J.D.C., kamervoorzitter M.H., raadsheer L.T., raadsheer L.L., adjunct-griffier. Het bestreden arrest werd op de zitting van 10 september 2002 van kamer 14b van het hof van beroep uitgesproken. Blijkens het zittingsblad van die zitting velde het hof na beraad, in openbare terechtzitting, het bestreden arrest. De kamer 14b was op de zitting van 10 september 2002 als volgt samengesteld : M.J.D.C., kamervoorzitter F.J., griffier. Alhoewel de zaak ingeleid, - en volgens de uitdrukkelijke bepalingen in het dispositief van het bestreden arrest zelf behandeld en in beraad werd genomen telkens voor en door drie raadsheren, werd het bestreden arrest in deze zaak uitgesproken door een alleenzetelend raadsheer. Het bestreden arrest is slechts ondertekend door Mevrouw M.J.D.C., kamervoorzitter en de Heer F.J., griffier. 1. Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 779, lid 1, juncto 1042 van het Gerechtelijk Wetboek kan het arrest "enkel worden gewezen door het voorgeschreven aantal (raadsheren). Dezen moeten alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben. Een en ander op straffe van nietigheid". In geval van afwezigheid van een raadsheer, preciseert het tweede lid van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek dat "wanneer een (raadsheer) wettig verhinderd is de uitspraak bij te wonen van een (arrest) waarover hij mede heeft beraadslaagd overeenkomstig artikel 778, (...) de voorzitter van het gerecht evenwel een ander rechter (kan) aanwijzen om hem op het ogenblik van de uitspraak te vervangen". Artikel 321 van het Gerechtelijk Wetboek is in dezelfde zin opgesteld. Artikel 779, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vereist dat de raadsheren die de zaak behandeld hebben "alle" zittingen moeten bijgewoond hebben, hetgeen vereist dat dezelfde raadsheren aanwezig moeten zijn op de zitting waarop, in de door hen behandelde zaak, een arrest wordt geveld. Hetzelfde lid bepaalt uitdrukkelijk dat een schending van dit wettelijk vereiste door nietigheid wordt gesanctioneerd. Zulks toont aan welk belang de wetgever hecht aan de naleving van de vereisten van artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof had trouwens de gelegenheid te onderstrepen dat de sanctie van artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek op een schending van artikel 779, lid 1, niet van toepassing is (Cass., 5 mei 1988, A.C., 1987-88, p. 1134; Cass., 30 mei 1991, A.C., 1990-91, nr. 502). Bovendien kan volgens de rechtspraak van het Hof een raadsheer die wettig verhinderd is om de uitspraak bij te wonen alleen worden vervangen door een andere raadsheer die door de voorzitter van dat gerecht is aangewezen (Cass., 13 mei 1981, A.C., 1980-81, nr. 521, p. 1052). Nadat de zaak op de zitting van 14 februari 2002 was ingeleid en op de zitting van 11 juni 2002 was behandeld en, na sluiting der debatten, in beraad was genomen, telkens voor en door drie raadsheren, kon het bestreden arrest, bij gebreke aan melding van door de eerste voorzitter aangeduide raadsheren om de wettig verhinderde raadsheren te vervangen, op de zitting van 10 september 2002 niet worden uitgesproken door een alleenzetelend raadsheer zonder het wettelijk vereiste te schenden dat de raadsheren voor wie de zaak werd behandeld, alle zittingen, waaronder de zitting op dewelke het bestreden arrest werd uitgesproken, moet bijwonen (schending van de artikelen 321, 779, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). 2. Tweede onderdeel Overeenkomstig artikel 780, 1°, juncto 1042 van het Gerechtelijk Wetboek bevat het arrest "op straffe van nietigheid, behalve de gronden en het beschikkende gedeelte, 1° de vermelding van (...) de namen van de (raadsheren) die over de zaak hebben geoordeeld (...)". Artikel 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek stelt dat "indien de voorzitter of een van de (raadsheren) in de onmogelijkheid verkeert om het (arrest) te ondertekenen, (...) de griffier daarvan melding (maakt) onderaan op de akte" en verder dat "de beslissing (...) geldig (
- is)met de handtekening van de overige (raadsheren) die ze hebben uitgesproken". Alhoewel uit de samenlezing van de artikelen 780, 1°, en 785, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat alle bij de behandeling en beraadslaging aanwezige raadsheren het door hen gevelde arrest moeten ondertekenen, vermeldt het bestreden arrest slechts de handtekening van één raadsheer. Het Hof besliste nochtans dat een vonnis dat door geen der rechters is ondertekend zonder dat is vastgesteld dat de rechters in de onmogelijkheid verkeerden het te ondertekenen, nietig is (Cass., 8 juni 1988, A.C., 1987-88, nr. 613, p. 1296). Nadat de zaak op de zitting van 14 februari 2002 was ingeleid en op de zitting van 11 juni 2002 was behandeld en, na sluiting der debatten, in beraad was genomen, telkens voor en door drie raadsheren, kon het bestreden arrest, bij gebreke aan melding dat de raadsheren wier handtekening op het bestreden arrest ontbreken in de onmogelijkheid verkeerden om het arrest te ondertekenen, niet geldig door slechts één enkele van de raadsheren worden ondertekend, zonder de wettelijke vereiste te schenden dat de raadsheren voor wie de zaak werd behandeld allen het arrest moeten ondertekenen (schending van artikel 780, 1°, 785, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek) ; 3. Derde onderdeel Wanneer de zaak na de pleidooien wordt gesloten en in beraad wordt genomen en ingeval de kamer met drie raadsheren zetelt, doet de voorzitter, krachtens artikel 778 juncto artikel 1042 van het Gerechtelijk Wetboek, "hoofdelijke omvraag, te beginnen met de jongstbenoemde (raadsheer) en zo opklimmend, tot de oudstbenoemde" waarbij hij "het laatst zijn mening te kennen (geeft)". Ditzelfde artikel bepaalt in zijn tweede lid dat indien de meningen verdeeld zijn "er opnieuw wordt gestemd". Dat ratio legis van dit artikel is de vlotte beraadslaging en beslissingneming van een collegiaal samengesteld rechtscollege te bewerkstelligen. Alsdusdanig draagt dit artikel bij tot de rechten van de verdediging door te zorgen dat alle bij de behandeling van de zaak betrokken raadsheren, effectief hun mening kunnen uiten en dat ingeval van meningsverschil de meerderheidsopvatting het haalt. In een zaak die zoals het bestreden arrest het uitdrukkelijk zelf vaststelt - "ten tijde van het behandelen en in beraad nemen van deze zaak" (arrest, p. 7) behandeld werd voor een kamer met drie raadsheren, vermag het arrest naderhand niet te worden uitgesproken door een kamer met een alleenzetelend raadsheer noch ondertekend te worden door slechts één van de drie raadsheren aanwezig tijdens de behandeling en de beraadslaging ervan. Nadat de zaak voor een kamer met drie raadsheren was ingeleid en, vooral door een kamer met drie raadsheren was behandeld en in beraad was genomen, vermocht eiser erop te vertrouwen dat het bestreden arrest eveneens door een kamer met drie raadsheren zou geveld en ondertekend worden hetgeen de naleving van de pleegvormen zoals vooropgezet in artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek zou bevestigen. Door een door en voor een kamer met drie raadsheren behandelde in en beraad genomen zaak te laten uitspreken door een kamer met een alleenzetelend raadsheer en het in het raam daarvan uitgesproken arrest slechts te laten ondertekenen door één van de drie raadsheren die de zaak behandeld en in beraad hebben genomen, zelfs als heeft die raadsheer mede de zaak behandeld en beraadslaagd, bestaat er geen garantie dat de beraadslaging collegiaal is gebeurd met toepassing van de pleegvormen vooropgesteld door artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek zodat dit laatste artikel en de rechten van de verdediging werden geschonden (schending van de artikelen 778 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging voorschrijft). IV. Beslissing van het Hof Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door het voorgeschreven aantal rechters en dat deze alle zittingen over de zaak moeten hebben bijgewoond, een en ander op straffe van nietigheid ; Dat aan die bepaling het behoud van de eenheid van samenstelling van de zetel die in een zaak de zittingen bijwoont en die welke het vonnis wijst, ten grondslag ligt ; Dat uit die bepaling volgt dat in een zaak het vonnis moet worden gewezen door alle rechters die de zittingen hebben bijgewoond ; Dat dit artikel 779 ook van toepassing is in hoger beroep ; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de zaak werd behandeld voor kamervoorzitter D.C. en de raadsheren M.H. en L.T. ; Dat het arrest alleen werd gewezen door kamervoorzitter D.C. ; Dat aldus het arrest niet werd gewezen door de rechters voor wie de zaak werd behandeld ; Dat het onderdeel gegrond is ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Antwerpen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van achttien februari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.3 Gerelateerde publicatie(
- s)precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19941122.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div