← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Artt.29,34en Fiche 2 Het karakter van openbare orde van de sociale zekerheid verhindert niet dat een herstelplan, met het oog op de redding van de onderneming en het behoud van de activiteit, voorziet in de vermindering van de sociale zekerheidsschuld

(1).
(1)A. ZENNER, Faillites et concordats. Chronique de jurisprudence 1998-1999, Larcier, 2000, 98; A. ZENNER, Faillites et concordats 2002, la réforme de la réforme et sa pratique, Larcier, 2003, 427-428. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Gerechtelijk akkoord Herstelplan Sociale zekerheidsschuld Vermindering Openbare orde Wettelijke bepalingen:

Art.29Fiche 3 Het komt de nationale rechter toe om uit te maken of een nationale maatregel al dan niet als staatssteun in de zin van het EG-Verdrag is te beschouwen

(1).
(1)H.v.J., 8 nov. 2001, C-143/99, Jur. H.v.J. 2001, I, 8384. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Nationale maatregel Staatssteun Nationale rechter Bevoegdheid Fiche 4 Het verlies van sociale zekerheidsbijdragen voor de Staat als gevolg van de toepassing van een wettelijke regeling van opschorting van betaling, is inherent aan iedere wettelijke regeling die het kader vaststelt waarbinnen de betrekkingen tussen een insolvabele onderneming en al haar schuldeisers worden geregeld, zonder dat daaruit automatisch het bestaan van een extra financiële last kan worden afgeleid die rechtstreeks of zijdelings door de overheid wordt gedragen en die bestemd is om de betrokken ondernemingen een bepaald voordeel toe te kennen
(1).
(1)Zie H.v.J., 1 dec. 1998, C-200/97, Jur. H.v.J. 1998, I, 7926; H.v.J., 12 okt. 2000, C-480/98, Jur. H.v.J. 2000, I, 8733. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Verlies sociale zekerheidsbijdragen Opschorting van betaling Wettelijke regeling Staatssteun Fiches 5 - 6 De kwijtschelding toegekend in toepassing van artikel 34 van de wet op het gerechtelijk akkoord, van een deel van de schuld die de schuldenaar heeft ten aanzien van de rijksdienst voor sociale zekerheid, is geen steunmaatregel indien de kwijtschelding van sociale zekerheidsbijdragen niet van een andere aard is dan de kwijtschelding van de schulden die de schuldenaar heeft ten aanzien van de particuliere schuldeisers die zich ten aanzien van de schuldenaar in dezelfde situatie bevinden als de rijksdienst voor sociale zekerheid, en die de hen verschuldigde bedragen trachten te verhalen. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GERECHTELIJK AKKOORD Vrije woorden: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GERECHTELIJK AKKOORD Sociale zekerheidsschuld Gedeeltelijke kwijtschelding Geen steunmaatregel Wettelijke bepalingen:

Art.34

Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Gerechtelijk akkoord Sociale zekerheidsschuld Gedeeltelijke kwijtschelding Geen steunmaatregel Wettelijke bepalingen:

Art.34Fiches 7 - 8 Niet elke gedeeltelijke kwijtschelding van de sociale zekerheidsschuld is een steunmaatregel in de zin van artikel 87, eerste lid, EG-verdrag

(1).
(1)Zie H.v.J., 1 dec. 1998, C-200/97, Jur. H.v.J. 1998, I, 7926; H.v.J., 12 okt. 2000, C-480/98, Jur. H.v.J. 2000, I, 8733. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Vrije woorden: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beleid Sociale zekerheidsschuld Gedeeltelijke kwijtschelding Steunmaatregel Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID - ALGEMEEN Sociale zekerheidsschuld Gedeeltelijke kwijtschelding E.G.-Verdrag Steunmaatregel Tekst van de beslissing Nr. C.03.0490.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen 1. CHAMPAGNE HOLDING, naamloze vennootschap, met zetel te 3800 Sint-Truiden, Luikersteenweg 149, 2. F.J., 3. B.P., in zijn hoedanigheid van voorlopige bewindvoerder van de NV Champagne Holding, verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 6 februari 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Voorzitter Ivan Verougstraete heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 5, 9, 11, 14 en 23 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (verder afgekort als R.S.Z.-Wet) ; de artikelen 3, 22 en 23, eerste lid, van de Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (verder afgekort als algemene beginselenwet) ; de artikelen 34 en 35 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord ; artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt van 28 juni 2001 waarin eisers derdenverzet werd afgewezen tegen het vonnis van 14 maart 2000 van diezelfde rechtbank waarin het herstelplan werd goedgekeurd en de definitieve opschorting aan verweerster werd toegekend. Het bestreden arrest stelt hierbij vast dat de eerste rechter in zijn vonnis van 28 juni 2001 alle argumenten van eiser op een juiste en volledige wijze heeft beantwoord waarna het de motieven van het beroepen vonnis tot de zijne neemt en als herhaald beschouwt. Het derdenverzet van eiser tegen de goedkeuring van het herstelplan werd door de eerste rechter onder meer op de volgende gronden verworpen : "Zo kan worden aangenomen dat de financiering van de sociale zekerheid de essentiële belangen van de Staat raakt, is een vermindering van de sociale schuld hiermee niet onverenigbaar nu (eiser) zelf, in toepassing van art. 11 van de wet van 27.6.1969 dergelijke kwijtschelding kan toestaan (Luik, 17.6.1999, TBH, 2000, 792; Kh Verviers, 15.10.1998, JLMB, 1999, 996) . Bovendien heeft de kwijtschelding van een bepaald deel der sociale zekerheid tot doel een bedrijf in moeilijkheden te doen overleven, met als gevolg het behoud van zijn activiteiten en tewerkstelling. De sociale zekerheid en haar financiering zijn alleszins beter gediend met een behoud van activiteiten en tewerkstelling dan wel met een eventueel faillissement met hieraan gekoppeld een verlies aan tewerkstelling, waarbij dient opgemerkt te worden dat ingeval van faillissement (eiser) haar vordering niet of nauwelijks zal betaald zien" (vonnis, punt 5). "Daar uit niets blijkt dat het herstelplan strijdig zou zijn met bepalingen van de openbare orde, wordt het derdenverzet ongegrond verklaard" (vonnis, punt 9). Grieven Gedurende de periode waarin de voorlopige opschorting van toepassing is, stelt de schuldenaar een herstelof betalingsplan op, bestaande uit een beschrijvend gedeelte en een bepalend gedeelte (artikel 29, ,§1, van de wet van 17 juli 1997). Het bepalend gedeelte van het herstel- of betalingsplan bevat onder meer de voorgestelde betalingstermijnen en schuldverminderingen (artikel 34,,§3, van de wet van 17 juli 1997) die moeten worden genomen om de schuldeisers te voldoen. Krachtens artikel 34 van de wet van 17 juli 1997 kan de rechtbank, als meer dan de helft van de schuldeisers die aangifte hebben gedaan van hun schuldvordering, die hebben deelgenomen aan de stemming en die in waarde meer dan de helft van de schuldvorderingen vertegenwoordigen, hiermee instemmen, de definitieve opschorting van betaling goedkeuren voor zover de schuldenaar de nodige waarborgen biedt voor een eerlijk bestuur en indien de openbare orde er niet aan in de weg staat. De rechtbank dient bijgevolg na te gaan of het tussen de schuldenaar en de meerderheid van de schuldeisers tot stand gekomen herstelplan, dat na de goedkeuring door de rechtbank bindend zal zijn voor alle betrokken schuldeisers (artikel 35 van de wet van 17 juli 1997), niet indruist tegen bepalingen die de openbare orde aanbelangen. Bepalingen zijn van openbare orde wanneer zij de essentiële belangen van de Staat of Gemeenschap raken of in het privaatrecht de juridische grondslagen vastleggen waarop de economische of morele orde van de maatschappij berust. De sociale zekerheid der werknemers omvat het geheel van de sociale prestaties waarop de sociaal verzekerden recht hebben en die tot doel hebben het arbeidsinkomen van de werknemer te vervangen of aan te vullen ten einde hen te vrijwaren van bepaalde arbeidsrisico's, tegenover bepaalde gezins- en levensomstandigheden en sociale risico's (zie artikel 3 van de wet van 29 juni 1981). De geldmiddelen van de sociale zekerheid komen in hoofdzaak voort uit de solidariteit van de werkgevers en de werknemers in de vorm van sociale zekerheidsbijdragen (artikel 22, ,§1, eerste streep, van voormelde wet). Eiser is als openbare instelling door de wet belast met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen (de artikelen 5 en 9 van de R.S.Z.-Wet). Het stelsel van de sociale zekerheid, zijn financiering en de inning van de sociale- zekerheidsbijdragen, raken de essentiële belangen van de Staat zodat de bepalingen van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en van de Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, van openbare orde zijn. Wanneer het herstelplan in een schuldvermindering voorziet van sociale- zekerheidsbijdragen, in casu tot beloop van 40 pct., dan kan de rechtbank de definitieve opschorting van betaling niet goedkeuren nu deze maatregel strijdig is met de sociale- zekerheidswetgeving en derhalve de openbare orde schendt. Inzonderheid komt de financiering van de sociale - zekerheid, gestoeld op de solidariteit tussen werkgevers en werknemers, in het gedrang door het toekennen van een gedeeltelijke kwijtschelding van sociale- zekerheidsbijdragen. Eiser kan weliswaar dadingen en compromissen afsluiten (artikel 11 R.S.Z.-Wet) doch dit veronderstelt steeds het bestaan van een toekomstig of gerezen geschil nopens de verschuldigdheid van sociale- zekerheidsbijdragen waarbij wederzijdse toegevingen worden gedaan (zie artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek) terwijl het bestaan en de omvang van de sociale-zekerheidschuld zoals die in het herstelplan is opgenomen, niet wordt betwist. Dadingen en compromissen worden door eiser bovendien uit eigen wil afgesloten terwijl de schuldvermindering die in het herstelplan wordt voorzien door een meerderheid van schuldeisers aan eiser kan worden opgedrongen. Uit de loutere mogelijkheid voor eiser om dadingen en compromissen af te sluiten kan bijgevolg zeker niet worden afgeleid dat een schuldvermindering niet onverenigbaar is met het openbaar belang van de financiering van de sociale zekerheid. Aan de wetten die de openbare orde betreffen kan krachtens artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig heeft kunnen beslissen dat de gedeeltelijke kwijtschelding van de betaling van de sociale-zekerheidsbijdragen niet onverenigbaar is met de financiering van de sociale zekerheid en dat het herstelplan niet strijdig is met de openbare orde (schending van alle in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen). 2. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 34 en 35 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord ; de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, gesloten te Rome op 25 maart 1957, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, waarvan het opschrift (door het Verdrag over de Europese Unie, opgemaakt te Maastricht op 7 februari 1992, goedgekeurd bij wet van 26 november 1992) gewijzigd werd in "Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen", in zijn geconsolideerde versie thans de artikelen 87 en 88 (verder afgekort EG-Verdrag) ; de artikelen 8, 9, 11 en 556 van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van eiser ongegrond en bevestigt het vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt van 28 juni 2001 waarin eisers derdenverzet werd afgewezen tegen het vonnis van 14 maart 2000 van diezelfde rechtbank waarin het herstelplan werd goedgekeurd en de definitieve opschorting aan verweerster werd toegekend. Het bestreden arrest stelt hierbij vast dat de eerste rechter in zijn vonnis van 28 juni 2001 alle argumenten van eiser op een juiste en volledige wijze heeft beantwoord waarna het de motieven van het beroepen vonnis tot de zijne neemt en als herhaald beschouwd. Het derdenverzet van eiser tegen de goedkeuring van het herstelplan werd door de eerste rechter onder meer op de volgende gronden verworpen : "(Eiser) is van oordeel dat door kwijtschelding van een deel van haar vordering zowel de Europese als interne regels van mededinging worden geschonden. De regels van mededinging worden niet geschonden wanneer de geboden hulp tot doel heeft een bedrijf in moeilijkheden te redden, er een reële kans op redding bestaat, de geboden hulp tijdelijk is en na het economisch herstel het bedrijf niet in een positie komt te staan die gunstiger is dan deze van zijn concurrenten (C. Matray en P. Martens, Faillite et concurrence ou l' abus de faiblesse économique, TBH, 1996, 407, nr. 16). (Eiser) toont niet aan dat, rekening houdend met het voorgaande, de kwijtschelding van een deel van haar vordering zou leiden tot een 'ongeoorloofde' concurrentievervalsing" (vonnis, punt 6). "Daar uit niets blijkt dat het herstelplan strijdig zou zijn met bepalingen van de openbare orde, wordt het derdenverzet ongegrond verklaard" (vonnis, punt 9). Grieven 2.1. Eerste onderdeel Eiser had in zijn beroepsakte aangevoerd dat de kwijtschelding van een gedeelte van de sociale- zekerheidsschuld in strijd is met de wetgeving inzake maatschappelijke zekerheid, de wet van 5 augustus 1991 tot bescherming van de economische mededinging en de wet op de voorrechten en hypotheken. Tevens was door eiser aangevoerd dat die kwijtschelding van de sociale schuld neerkwam op een verkapte steunmaatregel toegekend in strijd met de Europese bepalingen inzake de steunmaatregelen aan ondernemingen : "b. Verkapte steunmaatregelen Bovendien betekent de kwijtschelding van een gedeelte van de schuld niet meer of niet minder dat aan de betrokken NV steunmaatregelen worden toegekend die in strijd zijn met de Europese bepalingen inzake de steunmaatregelen aan ondernemingen. De kwijtschelding wekt trouwens ook concurrentievervalsing ten aanzien van de werkgevers die wel correct hun zekerheidsbijdragen betalen" (beroepsakte, p.4). Het bestreden arrest stelt vast dat eiser niet aantoont dat de kwijtschelding van een deel van haar vordering tot een "ongeoorloofde" concurrentievervalsing zou leiden zonder hierbij te verduidelijken of deze kwijtschelding in kwestie al dan niet als een steunmaatregel kan worden aanzien naar Europees recht, en zo ja, of het om een geoorloofde dan wel een verboden steunmaatregel gaat. Hieruit volgt dat het bestreden arrest het pertinente verweer van eiser gestoeld op de schending van de Europese regels inzake mededinging, niet regelmatig met redenen heeft omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet). 2.2. Tweede onderdeel Krachtens artikel 34 van de wet van 17 juli 1997 kan de rechtbank de definitieve opschorting van betaling slechts goedkeuren wanneer, onder meer, de openbare orde er niet aan in de weg staat. Krachtens artikel 92, lid 1, EG-Verdrag, thans 87.1 van de geconsolideerde versie, geldt er een principieel verbod op steunmaatregelen : "Behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, zijn steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt". Het begrip steunmaatregel heeft in voormelde context een algemenere strekking dan het begrip subsidie, daar het niet alleen positieve prestaties omvat maar ook maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor - zonder subsidies in de strikte zin van het woord te zijn - van gelijke aard zijn en tot identieke gevolgen leiden. Het gaat hierbij om voordelen die, rechtstreeks of zijdelings, met staatsmiddelen worden bekostigd of die een extra last voor de Staat of voor daartoe aangewezen of ingestelde instellingen meebrengen. Uit de artikelen 5 en 9 R.S.Z.-Wet blijkt dat eiser een openbare instelling is die door de wet met de inning van de sociale- zekerheidsbijdragen is belast en die valt onder de waarborg van de Staat. Het stelsel van de sociale zekerheid raakt de essentiële belangen van de Staat in de mate dat dit stelsel met eigen geldmiddelen van de Staat wordt gefinancierd (artikel 22 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers). Wanneer aan een onderneming een gedeeltelijke kwijtschelding wordt verleend van sociale zekerheidsbijdragen dan maakt deze schuldvermindering een steunmaatregel uit die verboden is krachtens artikel 92, lid 1, EG-Verdrag, thans 87.1 van de geconsolideerde versie, nu deze maatregel een extra last teweegbrengt voor de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid en de concurrentie verstoort ten aanzien van de ondernemingen die niet van een schuldvermindering kunnen genieten. De gedeeltelijke kwijtschelding van sociale- zekerheidsbijdragen, tot beloop van 40 pct., in het kader van onderhavig gerechtelijk akkoord, was derhalve strijdig met de Europese regels inzake steunmaatregelen die eveneens van openbare orde zijn. De omstandigheid dat deze kwijtschelding tot doel heeft een bedrijf in moeilijkheden te redden, dat er te dezen een reële kans op redding bestaat, dat de geboden hulp tijdelijk is en dat na het economisch herstel het bedrijf niet in een positie komt te staan die gunstiger is dan deze van zijn concurrenten, neemt niet weg dat deze kwijtschelding gedurende de opschorting concurrentievervalsend werkt ten aanzien van de werkgevers die wel correct hun sociale-zekerheidsbijdragen betalen en zodoende het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Hieruit volgt dat het bestreden arrest ten onrechte heeft beslist dat eiser niet aantoont dat de gedeeltelijke kwijtschelding van een deel van zijn vordering, zou leiden tot een "ongeoorloofde" concurrentievervalsing en dat niet is aangetoond dat het herstelplan strijdig zou zijn met bepalingen van openbare orde. Door deze kwijtschelding van sociale- zekerheidsbijdragen niet als een steunmaatregel te weerhouden in de zin van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag, thans 87.1 van de geconsolideerde versie, verantwoordde het bestreden arrest bijgevolg zijn beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 34 en 35 van de wet van 17 juli 1997 en 92, lid 1, EG-Verdrag, thans 87.1). 2.3. Derde onderdeel Krachtens artikel 87.2 en 3, voorheen 92, lid 2 en 3, E.G.-Verdrag, kunnen bepaalde steunmaatregelen als geoorloofd en verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd : "2. Met de gemeenschappelijke markt zijn verenigbaar :
  1. a)steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de producten ;
  2. b)steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen ;
  3. c)steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voorzover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren. 3. Als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd :
  4. a)steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst ;
  5. b)steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen ;
  6. c)steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad ;
  7. d)steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, wanneer door deze maatregelen de voorwaarden inzake het handelsverkeer en de mededingingsvoorwaarden in de Gemeenschap niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad ;
  8. e)andere soorten van steunmaatregelen aangewezen bij besluit van de Raad, genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie". De beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt behoort exclusief toe aan de Commissie, onder toezicht van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen : "Artikel 88 (voorheen artikel 93 E.G.-Verdrag) : 1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist. 2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn. Indien deze Staat dat besluit niet binnen de gestelde termijn, nakomt, kan de Commissie of iedere andere belanghebbende staat zich in afwijking van de artikelen 226 en 227 rechtstreeks tot het Hof van Justitie wenden. Op verzoek van een lidstaat kan de Raad met eenparigheid van stemmen beslissen dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel in afwijking van de bepalingen van artikel 87 of van de in artikel 89 bedoelde verordeningen als verenigbaar moet worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijke beslissing rechtvaardigen. Als de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregel de in de eerste alinea van dit lid vermelde procedure heeft aangevangen, wordt deze door het verzoek van de betrokken staat aan de Raad geschorst, totdat de Raad zijn standpunt heeft bepaald. Evenwel, indien de Raad binnen een termijn van drie maanden te rekenen van het verzoek. zijn standpunt niet heeft bepaald, beslist de Commissie. 3. De Commissie wordt van elk voornemen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. Indien zij meent dat zulk een voornemen volgens artikel 87 onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, vangt zij onverwijld de in het vorige lid bedoelde procedure aan. De betrokken lidstaat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid." De nationale rechter die het bestaan vaststelt van een steunmaatregel waarvan geen melding werd gedaan bij de Commissie, kan bijgevolg niet zelf oordelen over de verzoenbaarheid ervan met het Gemeenschapsrecht nu dit het exclusieve terrein is van de Commissie, en kan dus evenmin beslissen over het al dan niet concurrentievervalsend karakter van deze steunmaatregel. Wel kan de nationale rechter vaststellen dat de niet-melding van deze steun overeenkomstig de procedure van artikel 88 EG (voorheen artikel 93) een schending inhoudt van dit artikel waardoor hij elke uitwerking kan ontzeggen aan de niet-gemelde steunmaatregel. Het arrest kwam in casu tot het besluit dat eiser niet aantoonde dat de kwijtschelding van een deel van zijn vordering zou leiden tot een "ongeoorloofde" concurrentievervalsing. In de mate dat het arrest er zodoende vanuit ging dat de kwijtschelding van de sociale- zekerheidsschuld in casu als een geoorloofde en met de gemeenschappelijke markt verenigbare steunmaatregel kan worden aanzien, maakte het arrest zich bijgevolg schuldig aan machtsoverschrijding nu het desbetreffend over geen rechtsmacht beschikt, en is zijn beslissing tot goedkeuring van de definitieve opschorting niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 34 en 35 van de wet van 17 juli 1997, 92 en 93, thans 87 en 88, EG-Verdrag, 8, 9, 11 en 556 van het Gerechtelijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof Eerste middel Overwegende dat, overeenkomstig artikel 29, ,§1, van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord, de schuldenaar gedurende de periode waarin de voorlopige opschorting van toepassing is, een herstelof betalingsplan opstelt, bestaande uit een beschrijvend gedeelte en een bepalend gedeelte ; Dat het bepalend gedeelte van het herstel- of betalingsplan, volgens artikel 29, ,§3, de voorgestelde betalingstermijnen en schuldverminderingen vermeldt, die moeten worden genomen om de schuldeisers te voldoen ; Dat, krachtens artikel 34 van de wet van 17 juli 1997, als meer dan de helft van de schuldeisers die aangifte hebben gedaan van hun schuldvordering, die hebben deelgenomen aan de stemming en die in waarde meer dan de helft van de schuldvorderingen vertegenwoordigen, hiermee instemmen, de rechtbank de definitieve opschorting van betaling kan goedkeuren, voor zover de schuldenaar de nodige waarborgen biedt voor een eerlijk bestuur en indien de openbare orde er niet aan in de weg staat ; Overwegende dat eiser, als algemeen bevoorrechte schuldeiser met betrekking tot de sociale zekerheidsbijdragen, door het goedgekeurde herstelplan is gebonden, ook al heeft hij er zelf niet mee ingestemd ; Dat uit de parlementaire voorbereiding en uit de specifieke vereisten van het gerechtelijk akkoord volgt dat het karakter van openbare orde van de sociale zekerheid niet verhindert dat een herstelplan, met het oog op de redding van de ondernemingen en het behoud van de activiteit, in een vermindering voorziet van de sociale zekerheidsschuld ; Dat het middel faalt naar recht ; 2. Tweede middel 2.1. Eerste onderdeel Overwegende dat het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer dat de kwijtschelding van de sociale zekerheidsschuld neerkomt op een verkapte steunmaatregel, verwerpt en beantwoordt met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat eiser niet aantoont dat de kwijtschelding van een deel van de vordering zou leiden tot ongeoorloofde concurrentievervalsing ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 2.2. Tweede onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 34, eerste lid, van de wet van 17 juli 1997, indien de openbare orde er niet aan in de weg staat en de schuldenaar de nodige waarborgen biedt voor een eerlijk bestuur, de rechtbank de definitieve opschorting van betaling kan goedkeuren als meer dan de helft van de schuldeisers die aangifte hebben gedaan van hun schuldvordering, die hebben deelgenomen aan de stemming en die in waarde meer dan de helft van de schuldvorderingen vertegenwoordigen, hiermee instemmen ; Overwegende dat, krachtens artikel 87.1 EG-Verdrag, behoudens de afwijkingen waarin dit Verdrag voorziet, steunmaatregelen van de Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, voorzover deze steun het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig beïnvloedt ; Dat het de nationale rechter toekomt uit te maken of een nationale maatregel al dan niet als staatssteun in de zin van het EG-Verdrag is te beschouwen, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8 november 2001, C-143/99 ; Overwegende dat het verlies van sociale zekerheidsbijdragen voor de Staat als gevolg van de toepassing van een wettelijke regeling van opschorting van betaling, inherent is aan iedere wettelijke regeling die het kader vaststelt waarbinnen de betrekkingen tussen een insolvabele onderneming en al haar schuldeisers worden geregeld, zonder dat daaruit automatisch het bestaan van een extra-financiële last kan worden afgeleid die rechtstreeks of zijdelings door de overheid wordt gedragen en die bestemd is om de betrokken ondernemingen een bepaald voordeel toe te kennen ; dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen reeds in dezelfde zin oordeelde bij de arresten van 12 oktober 2000, Spanje/Commissie, C-480/98, en van 1 december 1998, Ecotrade, C-200/97 ; Dat de kwijtschelding toegekend in toepassing van artikel 34 van de wet op het gerechtelijk akkoord, van een deel van de schuld die de schuldenaar heeft ten aanzien van eiser, geen steunmaatregel is indien de kwijtschelding van de sociale zekerheidsbijdragen niet van een andere aard is dan de kwijtschelding van de schulden die de schuldenaar heeft ten aanzien van de particuliere schuldeisers die zich ten aanzien van de schuldenaar in dezelfde situatie bevinden als eiser, en die de hen verschuldigde bedragen trachten te verhalen ; Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat aan de eerste verweerster een definitieve opschorting van betaling werd toegekend over de periode van 14 maart 2000 tot 31 december 2001 en dat het herstelplan bepaalt dat de vordering van alle schuldeisers, de algemeen bevoorrechten inbegrepen, waaronder eiser, zal worden voldaan tot beloop van 60 pct. ; Overwegende dat de te dezen toegekende gedeeltelijke kwijtschelding van de sociale zekerheidsschuld derhalve niet kan worden aangemerkt als een steunmaatregel in de zin van artikel 87.1 EG-Verdrag ; Dat het onderdeel, dat ervan uitgaat dat elke gedeeltelijke kwijtschelding van de sociale zekerheidsschuld een steunmaatregel is die verboden is krachtens artikel 87.1 EG-Verdrag, niet kan worden aangenomen ; 2.3. Derde onderdeel Overwegende dat het onderdeel gebaseerd is op de onderstelling dat de kwijtschelding van de sociale zekerheidsschuld een verboden steunmaatregel uitmaakt in de zin van artikel 87.1 EG-Verdrag ; Dat uit het antwoord op het tweede onderdeel van het tweede middel blijkt dat dit niet het geval is ; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten. De kosten begroot op de som van zeshonderd zevenenveertig euro vijftien cent jegens de eisende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Eric Stassijns en Albert Fettweis, en in openbare terechtzitting van achttien februari tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050218.5 Gerelateerde publicatie(
  9. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220516.3F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.