← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33 Rolnummer: P.04.1345.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 938 - laatst gezien 2026-07-04 13:57 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het middel dat alleen opkomt tegen de hoedanigheid van de stedenbouwkundige inspecteur als procespartij zonder dat de wettigheid van de beslissing op het door het openbaar ministerie samen met eerstgenoemde gevorderde herstel wordt betwist is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Stedenbouw Herstel van plaats in de vorige staat Middel dat betrekking heeft op de regelmatigheid van de tussenkomst van het bestuur in de rechtspleging Ontvankelijkheid Fiche 2 Ongeacht de wijze van herstel, is de herstelvordering éénzelfde vordering, die ertoe strekt de gevolgen van het stedenbouwkundige misdrijf te doen ophouden, en die samen met de strafvordering voor de rechter wordt aanhangig gemaakt; deze herstelvordering bestaat zodra het bevoegde bestuur ze heeft ingesteld en blijft bestaan zolang de strafrechter daarover geen uitspraak heeft gedaan; niets staat eraan in de weg dat deze vordering in de loop van het geding wordt gewijzigd, zelfs voor het eerst in hoger beroep
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering Aard Doel Wijziging Geldigheidsduur Fiche 3 Uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals onder meer geregeld door de artikelen 26 en 28, Bijzondere Wet Arbitragehof, volgt weliswaar dat ook in andere zaken die hetzelfde voorwerp hebben als een reeds beantwoorde prejudiciële vraag, de rechter de wetsbepaling die het Arbitragehof ongrondwettig heeft bevonden, niet vermag toe te passen; de rechter vermag evenwel niet de door het Arbitragehof ongrondwettig bevonden wetsbepaling bij analogie uit te breiden tot een andere wetsbepaling waarover het Arbitragehof nog geen uitspraak heeft gedaan, ook al heeft deze laatste een gelijkaardige inhoud als deze die reeds door het Arbitragehof ongrondwettig is beoordeeld
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële beslissing Schending van de Grondwet Gezag Gevolgen Rechtbanken Fiche 4 De herstelvordering van artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 beoogt niet de strafbaarstelling van een gedraging maar het herstel van de onrechtmatige toestand die door het stedenbouwmisdrijf is ontstaan; daaruit volgt dat het algemeen rechtsbeginsel van de legaliteit in strafzaken niet geldt voor die herstelvordering
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstelvordering Doel Gevolg Algemeen rechtsbeginsel van de legaliteit in strafzaken Fiche 5 Het Hof van cassatie is niet gehouden aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen, wanneer die vraag uitgaat van een door het Hof verworpen rechtsopvatting
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Verplichting Grenzen Vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting Fiche 6 Bij het bepalen van de werken die ten gevolge van het plegen van een stedenbouwmisdrijf noodzakelijk zijn om de plaats in de vorige toestand te herstellen, moet enkel rekening gehouden worden met de onwettigheid van een herstelvordering wanneer het door de stedenbouwkundig inspecteur gevorderde herstel mede door deze onwettigheid is bepaald
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering tot herstel Onwettigheid van een herstelvordering Beoordeling Fiche 7 Het oorzakelijk verband tussen een herstelvordering, waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, en het gevorderde herstel blijkt niet uit de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel in overeenstemming is met de formulering van de vordering
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering tot herstel Onwettigheid van een herstelvordering Verband Fiche 8 Er bestaat geen oorzakelijk verband tussen een herstelvordering, waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, en het gevorderde herstel en er is bijgevolg geen grond om de aangevoerde onwettigheid van de herstelvordering te onderzoeken, wanneer blijkt dat ook zonder deze onwettigheid dezelfde herstelmaatregel noodzakelijk is om de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf te doen ophouden
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering tot herstel Onwettigheid van een herstelvordering Verband Beoordeling door de rechter Fiches 9 - 16 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 22 feb. 2005, AR P.04.1345.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Vrije woorden: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Stedenbouw Herstel van plaats in de vorige staat Middel dat betrekking heeft op de regelmatigheid van de tussenkomst van het bestuur in de rechtspleging Ontvankelijkheid STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering Aard Doel Wijziging Geldigheidsduur ARBITRAGEHOF Prejudiciële beslissing Schending van de Grondwet Gezag Gevolgen Rechtbanken STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstelvordering Doel Gevolg Algemeen rechtsbeginsel van de legaliteit in strafzaken ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Verplichting Grenzen Vraag die uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering tot herstel Onwettigheid van een herstelvordering Beoordeling STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering tot herstel Onwettigheid van een herstelvordering Verband STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Herstel van plaats in de vorige staat Vordering tot herstel Onwettigheid van een herstelvordering Verband Beoordeling door de rechter Nota: P.04.1345.N Conclusie van het openbaar ministerie
(1)In het eerste middel, eerste onderdeel, wordt namens eiseres opgekomen tegen de beslissing van de appelrechters om de stedenbouwkundige inspecteur als procespartij toe te laten, zonder daartoe een rechtsgrond te weerhouden. Ingevolge een arrest van het Hof van 7 oktober 2003 (P.03.0260.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031007.8) werd beslist dat "voor het kenbaar maken van de herstelvordering geen substantiële pleegvorm is opgelegd; dat de strafrechter die vordering kan toekennen mits het bestuur duidelijk zijn wil en de redenen ervan heeft te kennen gegeven en de betrokkene daarover tegenspraak heeft kunnen voeren; Dat het onderdeel dat alleen de regelmatigheid van de tussenkomst van het bestuur in de rechtspleging aanvecht, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is." Te dezen wordt ook enkel de regelmatigheid van de tussenkomst van de stedenbouwkundige inspecteur aangevochten. In toepassing van het arrest van 7 oktober 2003 kan dan ook besloten worden dat het onderdeel niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang.
(2)In het tweede onderdeel van het eerste middel wordt miskenning van het recht van verdediging aangevoerd doordat door de appelrechters de aan de herstelvordering ten grondslag liggende feitelijke en juridische elementen worden aangevuld hangende het debat; de appelrechters hadden dus geen acht mogen slaan op de bijkomende argumentatie bij conclusie noch bij additionele brief. Bovendien zou ook het gezag van gewijsde van het tussenarrest van 9 november 2001 zijn geschonden. Bij het reeds aangehaalde arrest van het Hof van 7 oktober 2003 werd geoordeeld dat de herstelvordering, "ongeacht de wijze van herstel, éénzelfde vordering is, die ertoe strekt de gevolgen van het stedenbouwkundige misdrijf te doen ophouden, en die samen met de strafvordering voor de rechter aanhangig wordt gemaakt; Dat deze herstelvordering bestaat zodra het bevoegde bestuur ze heeft ingesteld en dat ze blijft bestaan zolang de strafrechter daarover geen uitspraak heeft gedaan; Dat niets eraan in de weg staat dat deze vordering in de loop van het geding wordt gewijzigd, zelfs voor het eerst in hoger beroep; Overwegende dat de omstandigheid dat de herstelvordering in voorkomend geval voor het eerst in hoger beroep bij wijze van een onregelmatige tussenkomst in het geding zou zijn gewijzigd, aan haar rechtsgeldigheid niet afdoet en de rechter niet kan beletten erover uitspraak te doen." In toepassing van dezelfde motieven kan het tweede onderdeel worden afgewezen omdat het faalt naar recht.
(3)In het tweede middel wordt door eiseres aangevoerd dat de appelrechters artikel 149, ,§ 1, 3°, van het Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (B.S. 8 juni 1999) (hierna DORO) niet konden toepassen nadat het Arbitragehof het arrest van 22 juli 2004 had gewezen. De appelrechters hebben geoordeeld dat de stedenbouwkundige inspecteur krachtens artikel 149, ,§ 1, 3°, DORO, in redelijkheid kon besluiten tot het vorderen van herstel in de oorspronkelijke toestand, niettegenstaande dat voor inbreuken van voor 1 mei 2000 in principe steeds de meerwaarde kan worden gevorderd. Artikel 149, ,§ 1, derde lid, DORO bepaalde: "Voor de misdrijven waarvan de eigenaar kan aantonen dat ze werden gepleegd voor 1 mei 2000, kan in principe steeds het middel van de meerwaarde worden aangewend, tenzij in één van de volgende gevallen: 1° bij het niet naleven van een bevel tot staking; 2° indien het misdrijf onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaakt voor de omwonenden; 3° indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg." Bij arrest nr. 136/2004 van 22 juli 2004 heeft het Arbitragehof geoordeeld dat artikel 149, ,§ 1, derde lid, DORO de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond doordat het een verschil in behandeling deed ontstaan naargelang het bouwmisdrijf voor of na1 mei 2000 werd gepleegd. In hetzelfde arrest wordt geoordeeld dat artikel 146, derde lid, DORO de Grondwet schendt. Artikel 146, derde lid, DORO bepaalde: "De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° 6° en 7° geldt niet voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg." Naar het oordeel van het Arbitragehof hebben de omschrijving "onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder voor de omwonenden" en de omschrijving "ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg" geen voldoende nauwkeurige normatieve inhoud om een misdrijf te kunnen definiëren. Volgens eiseres konden de appelrechters nu, gelet op het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2004, geen toepassing maken van artikel 149, ,§ 1, derde lid, 3°, DORO, met name dat herstel kon worden gevorderd indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg, vermits het Arbitragehof had geoordeeld, weliswaar in de context van artikel 146, derde lid, DORO, dat deze omschrijving geen voldoende nauwkeurige normatieve inhoud had om een misdrijf te kunnen definiëren. Het feit dat het Arbitragehof in het kader van artikel 146, derde lid, DORO deze omschrijving niet aanvaardbaar vond, zou volgens eiseres met zich moeten meebrengen dat van dezelfde omschrijving ook geen toepassing meer kan worden gemaakt in het kader van artikel 149, ,§ 1, 3°, bepaling die tevens niet conform met de Grondwet werd geacht door het Arbitragehof. Tenslotte wordt ook voorgesteld een prejudiciële vraag te stellen, met name of artikel 149, ,§ 1, 3°, DORO zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het wettigheidsbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 21 (lees: 12), tweede lid, en 14 van de Grondwet alsmede bij artikel 7 EVRM en 15 BUPO-Verdrag schendt.
(4)Bij arrest nr. 14/2005 van 19 januari 2005 (B.S., 31 januari 2005) heeft het Arbitragehof in artikel 146, derde lid, DORO de woorden "voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg" vernietigd. De motivering om tot deze vernietiging te besluiten, is nagenoeg identiek met de motivering die in het arrest van 22 juli 2004 werd gegeven om tot de ongrondwettigheid van deze omschrijvingen in het kader van artikel 146 DORO, te besluiten. Het arrest van 19 januari 2005 bevestigt in die optiek derhalve het arrest van 22 juli 2004. In hetzelfde arrest van 19 januari 2005 worden in artikel 149, ,§ 1, de woorden "voor 1 mei 2000" eveneens vernietigd. Ook daar is de motivering gelijklopend aan deze die daaromtrent werd gegeven in het arrest van 22 juli 2004, met name dat het niet grondwettelijk is om een onderscheid te maken tussen situaties die dateren van voor 1 mei 2000 en deze die dateren van na die datum; het Arbitragehof zag immers niet in welk gegeven kan verantwoorden dat het betalen van de meerwaarde steeds mogelijk is onder bepaalde voorwaarden indien de inbreuk vóór 1 mei 2000 is gepleegd, terwijl zulks niet mogelijk is indien de inbreuk na 1 mei 2000 is gepleegd (overweging B.20.3 van het arrest van 22 juli 2004 en overweging B.59 van het arrest van 19 januari 2005). Als gevolg van het feit dat ingevolge het arrest van 19 januari 2005 de bepaling van artikel 149, ,§ 1, derde lid, 3°, DORO, moet gelezen worden door abstractie te maken van de woorden "voor 1 mei 2000" doch voor het overige de bepaling in stand blijft volgt daaruit dat de appelrechters wél nog vermochten de herstelvordering toe te wijzen in toepassing van artikel 149, ,§ 1, derde lid, 3°, DORO, met name indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg. Het feit dat deze laatste omschrijving in artikel 146 DORO werd vernietigd, betekent niet dat van deze omschrijving in artikel 149, ,§ 1, derde lid, DORO geen toepassing meer zou kunnen worden gemaakt, nu deze omschrijving in artikel 149, ,§ 1, DORO precies niet werd vernietigd. Na het vernietigingsarrest van 19 januari 2005 dat immers van zodra het in het Belgisch Staatsblad is gepubliceerd erga omnes geldt blijkt dat de redenering die door eiseres werd gemaakt, niet kan worden aanvaard. Anders had men ook in artikel 149 de woorden "3° indien het misdrijf een zwaarwichtige en onherstelbare inbreuk vormt op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg", moeten vernietigen. De appelrechters hebben zich dus wel geschikt naar de interpretatie die door het Arbitragehof aan artikel 149 DORO werd gegeven.
(5)De redenering van eiseres die erin bestaat de ongrondwettigheid van artikel 146 DORO, als het ware te exporteren naar artikel 149, ,§ 1, derde lid, DORO, kan niet worden bijgetreden. Zowel in het arrest van 22 juli 2004 (overweging B.7.5) als in het arrest van 19 januari 2005 (overweging B.44) wordt gesteld dat, ook al is het begrip "onaanvaardbare hinder" aanvaardbaar binnen het burgerlijk recht hoewel het zich tot extensieve definities leent het toch, evenmin als het begrip "ernstige inbreuk", op zich niet de grondslag kan vormen van een misdrijf, zonder ontoelaatbare zekerheid te creëren. Waar deze begrippen in het kader van artikel 146 de grondslag voor een misdrijf vormen en zij uiteindelijk om die reden in dat artikel werden geschrapt, geldt dit evenwel niet voor artikel 149 waar deze begrippen géén grondslag voor een misdrijf vormen. Inderdaad, de herstelmaatregel inzake stedenbouw behoort weliswaar tot de strafvordering en wordt opgelegd hetzij door de strafrechter bij de uitspraak over de strafvordering of in een latere afzonderlijke beslissing, hetzij door de burgerlijke rechter, maar heeft niettemin een burgerrechtelijk karakter daar hij in werkelijkheid een bijzondere vorm van teruggave beoogt (Cass., 9 september 2004, C.03.0393.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040909.22). Gelet op het burgerrechtelijk karakter van de maatregel zal de overweging van het Arbitragehof dat het begrip aanvaardbaar is in het burgerlijk recht, tot gevolg hebben dat het begrip "onaanvaardbare hinder" of "ernstige inbreuk", uit artikel 149 DORO, ook daar aanvaardbaar is, vermits deze bepaling niets van doen heeft met een misdrijf doch wel met de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur.
(6)Er wordt tenslotte namens eiseres nog een prejudiciële vraag voorgesteld, met name: "Schendt artikel 149, ,§ 1, 3°, DORO zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het wettigheidsbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 21 (lees 12), tweede lid, en 14 van de Grondwet alsmede bij art. 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten?". Zo geformuleerd, gaat de opgeworpen vraag uit van de foutieve juridische veronderstelling dat de herstelmaatregel een strafrechtelijk karakter heeft zodat het legaliteitsbeginsel in strafzaken desgevallend kan zijn geschonden, terwijl uit de rechtspraak van het Hof (zie supra) blijkt dat de herstelvordering een burgerrechtelijk karakter heeft. Gezien de kwalificatie van de herstelvordering als burgerrechtelijk van aard, kan er geen sprake zijn van een schending van het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zodat het Hof de prejudiciële vraag niet aan het Arbitragehof dient voor te leggen.
(7)In het derde middel wordt aangevoerd dat de appelrechters de bewijskracht van de akte van burgerlijke partijstelling van eiseres tegen verschillende ambtenaren van het Arohm zouden hebben miskend, alsmede de bewijskracht van de brief van 22 september 2003 van Mevrouw K., stedenbouwkundig inspecteur. Verder wordt schending aangevoerd van het beginsel "le criminel tient le civil en état", alsook van artikel 4 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering en artikel 149 DORO omdat de appelrechters geoordeeld hebben de uitspraak over de herstelvordering niet te moeten uitstellen tot wanneer over de klacht wegens belangenvermenging uitspraak zal zijn gedaan. Vooreerst kan erop gewezen worden dat de appelrechters de klacht met burgerlijke partijstelling niet uitleggen of interpreteren, zodat het middel dat aanvoert dat de bewijskracht ervan zou zijn miskend, feitelijke grondslag mist. In zoverre het gaat om de brief van 22 september 2003, moet ook worden vastgesteld dat de appelrechters deze brief niet uitleggen op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan; immers, de appelrechters stellen slechts vast dat de stedenbouwkundige inspecteur in deze brief de herstelvordering in het licht van de opnieuw gewijzigde regelgeving onderzoekt en uitgebreid motiveert waarom zij de vordering tot herstel van de plaats in de vorige toestand op grond van de thans geldende decretale voorschriften handhaaft en niet de betaling van een meerwaardesom vordert. Deze vaststellingen blijken niet onverenigbaar met de bewoordingen van deze brief te zijn; in zoverre miskenning van de bewijskracht van de brief wordt aangevoerd, mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Voor het overige kan verwezen worden naar het arrest van het Hof van 27 januari 2004 (P.03.0783.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040127.6). In dat arrest werd geoordeeld dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen een gewestplan, waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, en de vordering tot herstel van de plaats in de vorige toestand en er bijgevolg geen grond is om de aangevoerde onwettigheid van het gewestplan te onderzoeken, wanneer blijkt dat ook zonder de onwettigheid dezelfde herstelmaatregel noodzakelijk is om de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf te doen ophouden. Te dezen blijkt dat ook zonder de vermeende belangenvermenging de herstelvordering noodzakelijk is om de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf te doen ophouden; er is zodoende geen oorzakelijk verband tussen de herstelvordering en de vermeende belangenvermenging. Er was dan ook geen aanleiding voor de appelrechters om hun beslissing over de herstelvordering uit te stellen tot op het moment waarin over het gerechtelijk onderzoek inzake belangenvermenging uitspraak werd gedaan omdat "de klacht geen betrekking kon hebben op het handhaven van de herstelvordering" (p. 4, in fine, van het arrest van 10 september 2004) of gemeenschappelijke feiten niet het voorwerp uitmaakten van de strafvordering ten gevolge van de burgerlijke partijstelling en de herstelvordering. Het middel kan niet worden aangenomen. Conclusie: verwerping. Tekst van de beslissing Nr. P.04.1345.N M M, eiseres, beklaagde, met als raadslieden Mr. Patrick Lachaert, advocaat bij de balie te Gent en Mr. Peter Flamey, advocaat bij de balie te Brussel, ter zitting bijgestaan door Mr. Bosquet, advocaat bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten, op 9 november 2001 en 10 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiseres stelt in een memorie drie middelen voor. Die memorie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen
  1. Eerste middel 1.
  2. Eerste onderdeel Overwegende dat het onderdeel alleen opkomt tegen de hoedanigheid van de stedenbouwkundige inspecteur als procespartij zonder dat de wettigheid van de beslissing op het door het openbaar ministerie samen met eerstgenoemde gevorderde herstel wordt betwist; Dat het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is; 1.
  3. Tweede onderdeel Overwegende dat de herstelvordering, ongeacht welk herstel wordt gevraagd, éénzelfde vordering is, die ertoe strekt de gevolgen van het stedenbouwkundige misdrijf te doen ophouden, en die samen met de strafvordering voor de rechter aanhangig wordt gemaakt; Dat deze herstelvordering bestaat zodra het bevoegde bestuur ze heeft ingesteld en dat ze blijft bestaan zolang de strafrechter daarover geen uitspraak heeft gedaan; Dat niets eraan in de weg staat dat deze vordering in de loop van het geding wordt gewijzigd, zelfs voor het eerst in hoger beroep; Overwegende dat de omstandigheid dat de herstelvordering in voorkomend geval voor het eerst in hoger beroep, zelfs bij wijze van onrechtmatige tussenkomst in het geding zou zijn gewijzigd, aan haar rechtsgeldigheid niet afdoet en de rechter niet kan beletten daarover uitspraak te doen; Dat het onderdeel faalt naar recht;
  4. Tweede middel Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, het Arbitragehof met zijn arrest 136/2004 van 22 juli 2004, niet heeft beslist dat het volledige artikel 149, ,§ 1, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet; Dat volgens dit arrest van het Arbitragehof de ongrondwettelijkheid enkel betrekking heeft op het verschil in behandeling naargelang het bouwmisdrijf vóór of na 1 mei 2000 is gepleegd; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat uit het systeem van de prejudiciële vraagstelling, zoals onder meer geregeld door de artikelen 26 en 28 Bijzondere Wet Arbitragehof, weliswaar volgt dat ook in andere zaken die hetzelfde voorwerp hebben als een reeds beantwoorde prejudiciële vraag, de rechter de wetsbepaling die het Arbitragehof ongrondwettig heeft bevonden, niet vermag toe te passen; Dat de rechter evenwel niet vermag de door het Arbitragehof ongrondwettig bevonden wetsbepaling bij analogie uit te breiden tot een andere wetsbepaling waarover het Arbitragehof nog geen uitspraak heeft gedaan, ook al heeft deze laatste een gelijkaardige inhoud als deze die reeds door het Arbitragehof ongrondwettig is beoordeeld; Overwegende dat de herstelvordering van artikel 149 Stedenbouwdecreet 1999 niet de strafbaarstelling van een gedraging beoogt maar het herstel van de onrechtmatige toestand die door het stedenbouwmisdrijf is ontstaan; Dat hieruit volgt dat, anders dan het middel aanvoert, het algemeen rechtsbeginsel van de legaliteit in strafzaken niet geldt voor die herstelvordering; Dat het middel in zoverre faalt naar recht; Overwegende dat eiser aanvoert dat de navolgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof moet worden gesteld: "Schendt artikel 149, ,§ 1, derde lid, 3°, Stedenbouwdecreet 1999 artikelen 10 en 11 Grondwet en het wettigheidbeginsel in strafzaken, gewaarborgd bij de artikelen 21, tweede lid, en 14 Grondwet alsmede bij artikel 7 EVRM en artikel 15 BUPO"; Overwegende dat die vraag uitgaat van de hiervoor verworpen interpretatie dat de herstellingvordering de strafbaarstelling van een gedraging beoogt en niet het herstel van de onrechtmatige toestand die door het stedenbouwmisdrijf is ontstaan; Dat, gelet op die onjuiste rechtsopvatting, het Hof de bedoelde prejudiciële vraag niet hoeft te stellen;
  5. Derde middel Overwegende dat de appèlrechters eensdeels, de strafklacht van eiseres niet uitleggen, anderdeels, met hun motivering dat mevrouw K in haar brief van 22 september 2003 de eerder geformuleerde herstelvordering tot de hare maakt, van deze akte een uitlegging geven die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is; zodat zij de bewijskracht van deze akten niet miskennen; Dat het middel in zoverre feitelijke grondslag mist; Overwegende dat bij het bepalen van de werken die ten gevolge van het plegen van een stedenbouwmisdrijf noodzakelijk zijn om de plaats in de vorige toestand te herstellen, enkel rekening moet worden gehouden met de onwettigheid van een herstelvordering wanneer het door de stedenbouwkundig inspecteur gevorderde herstel mede door deze onwettigheid is bepaald; Overwegende dat het oorzakelijk verband tussen deze onwettigheid en het gevorderde herstel evenwel niet blijkt uit de enkele vaststelling dat de gevorderde maatregel in overeenstemming is met de formulering van de vordering waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd; dat geen oorzakelijk verband bestaat en er bijgevolg geen grond is om de aangevoerde onwettigheid te onderzoeken, wanneer blijkt dat ook zonder deze onwettigheid dezelfde herstelmaatregel noodzakelijk is om de gevolgen van het stedenbouwmisdrijf te doen ophouden; Overwegende dat eiseres bij arrest van 9 november 2001 is veroordeeld om een bestaande woning te hebben afgebroken en een nieuwbouwwoning te hebben opgericht met een andere inplanting op het perceel, en deze toestand in stand te hebben gehouden, zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen; dat eiseres niet aanvoert dat de appèlrechters, die overeenkomstig de herstelvordering van de bevoegde ambtenaar de afbraak van de nieuwbouwwoning bevelen, daardoor andere werken laten uitvoeren dan deze die noodzakelijk zijn om de gevolgen van het misdrijf waaraan zij schuldig is bevonden, te doen ophouden; dat eiseres evenmin aanvoert dat de aard van de gevorderde werken mede bepaald wordt door een bij het opstellen van de herstelvordering begane onwettigheid wegens beweerde belangenneming in die zin dat, zonder die onwettigheid, niet dezelfde werken zouden zijn bevolen; dat bijgevolg de herstelvordering wegens het bewezen verklaarde stedenbouwmisdrijf geen punt betreft dat gemeen is aan de nog te onderzoeken strafklacht wegens belangenneming; dat de appèlrechters met de redenen die zij vermelden, hun beslissing dat "het (...) dan ook niet zo (is) dat gemeenschappelijke feiten het voorwerp uitmaken van de strafvordering ten gevolge van de burgerlijke partijstelling en van de huidige herstelvordering", en dat zij niet verplicht zijn om de herstelvordering op te schorten tot na afhandeling van de strafklacht, naar recht verantwoorden; Dat het middel in zoverre niet kan worden aangenomen; B. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep; Veroordeelt eiseres in de kosten. Gezegde kosten begroot op de som van honderd zevenendertig euro vijftien cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van tweeëntwintig februari tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.33 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2009:CONC.20091126.13 ECLI:BE:CASS:2010:CONC.20101103.3 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110124.3 ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110616.11 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160225.5 ECLI:BE:CASS:2016:CONC.20160225.5 ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200122.2F.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 ECLI:BE:CTBRL:2009:ARR.20090814.1 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.063 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031007.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040127.6 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040909.22 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060321.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20061017.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090317.8 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130114.7 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131128.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141014.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.