id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.34 Rolnummer: P.04.1346.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 969 - laatst gezien 2026-07-04 21:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit het vernietigingsarrest 14/2005 van het Arbitragehof van 19 januari 2005 dat in artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 enkel de woorden met betrekking tot het tweede en het derde geval vernietigt, namelijk "voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg", volgt dat de drie gevallen waarin artikel 146 voorziet, geen één ondeelbaar geheel vormen
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Instandhouding van inbreuken Artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 Wil van de decreetgever om de strafsanctie niet verder te doen gelden Drie gevallen Arrest waarbij het Arbitragehof de woorden met betrekking tot het tweede en derde geval vernietigt Fiche 2 Gelet op het vernietigingsarrest 14/2005 van het Arbitragehof van 19 januari 2005, waaruit volgt dat het eerste geval van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet niet ongrondwettig is, moet het Hof de prejudiciële vraag met betrekking tot dit eerste geval van artikel 146 niet meer stellen
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Verplichting Fiche 3 Krachtens artikel 12, Afvalstoffendecreet is het verboden afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten; bij ontstentenis van nadere bepaling bij wet, heeft "achterlaten" zijn gewone betekenis, dit is niet alleen het laten staan of liggen van een voorwerp waarvan men zich ontdoet, maar ook het veroorzaken en laten voortduren van de aldus ontstane toestand nadat de voortbrengende werking heeft opgehouden, zodat met achterlaten van afvalstoffen in de zin van artikel 12, Afvalstoffendecreet, niet alleen het storten, maar ook het verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen wordt bedoeld
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: MILIEURECHT Afvalstoffen Achterlaten Fiche 4 Het misdrijf van achterlaten van afval, bedoeld in artikel 12, Afvalstoffendecreet, duurt voort zolang de gedeponeerde afval niet is verwijderd
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Vrije woorden: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Achterlaten van afval Fiche 5 Een "landschappelijk waardevol agrarisch gebied" is een "agrarisch gebied met bijzondere waarde" in de zin van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet
(1).
(1)Zie de conclusie van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Agrarisch gebied met een bijzondere waarde Fiches 6 - 10 Concl. proc.-gen. DE SWAEF, Cass., 22 feb. 2005, AR P.04.1346.N, A.C., 2005, nr ... Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Vrije woorden: STEDENBOUW - SANCTIES Instandhouding van inbreuken Artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999, zoals gewijzigd bij decreet van 4 juni 2003 Wil van de decreetgever om de strafsanctie niet verder te doen gelden Drie gevallen Arrest waarbij het Arbitragehof de woorden met betrekking tot het tweede en derde geval vernietigt Thesaurus CAS: ARBITRAGE Vrije woorden: ARBITRAGE Prejudiciële vraag Hof van Cassatie Verplichting Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: MILIEURECHT Afvalstoffen Achterlaten Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Vrije woorden: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Achterlaten van afval STEDENBOUW - SANCTIES Strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken Agrarisch gebied met een bijzondere waarde Nota: P.04.1346.N Conclusie van het openbaar ministerie
(1)De eisers D. en D. voeren tegen het arrest van 10 september 2004 van het hof van beroep te Gent vijf middelen aan. De eisers D.P. en NV Depriester Algemene Ondernemingen voeren tegen hetzelfde arrest één middel aan dat gelijklopend is aan het derde middel van D. en D. Er wordt hierna dan ook de middelen behandeld die door de eisers D. en D. zijn aangevoerd.
(2)In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de eisers aan dat de appèlrechters het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging alsook de artikelen 6.1 en 6.3 EVRM hebben geschonden door na te laten de debatten te heropenen teneinde partijen tegenspraak te laten voeren over het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2004 (nr. 136/2004) terwijl ze wel hadden vastgesteld dat in dat arrest was beslist dat artikel 146, derde lid, van het Decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening zoals gewijzigd door het Decreet van 4 juni 2003 (DORO), ongrondwettig was. Artikel 146, derde lid, DORO bepaalde: "De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° 6° en 7° geldt niet voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden, voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg." Naar het oordeel van het Arbitragehof hebben de omschrijving "onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder voor de omwonenden" en de omschrijving "ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg" geen voldoende nauwkeurige normatieve inhoud om een misdrijf te kunnen definiëren. Om die reden werd geoordeeld dat de bepaling van artikel 146, derde lid, DORO eveneens ongrondwettig was. De appèlrechters stelden evenwel vast dat de twijfels in verband met de grondwettigheid van artikel 146, derde lid, DORO geen betrekking hadden op het eerste geval, namelijk handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik gelegen in ruimtelijk kwetsbare gebieden. Noch het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, noch de artikelen 6.1 en 6.3 EVRM vereisen dat de rechter de debatten zou heropenen teneinde partijen uit te nodigen tegenspraak te voeren over de gevolgen van een arrest van het Arbitragehof gewezen ingevolge een prejudiciële vraag; dit geldt te meer nu het hof van beroep vaststelt dat uit het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2004 volgt dat er met betrekking tot het in dezen toepasselijke geval van de ruimtelijk kwetsbare gebieden, geen probleem van ongrondwettigheid rees. Het arrest van het Arbitragehof van 19 januari 2005 (nr. 14/2005) (B.S., 31 januari 2005) waarbij onder meer in artikel 146, derde lid, DORO de woorden "voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg" werden vernietigd, bevestigt bovendien voor zoveel als nodig dat het onderdeel niet gegrond is.
(3)Het tweede onderdeel van het eerste middel voert aan dat het artikel 26, ,§ 2, 2°, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof alsook de artikelen 10, 11, 12 en 14 van de Grondwet zouden zijn geschonden doordat de appèlrechters hebben nagelaten een prejudiciële vraag te stellen en de eisers hebben veroordeeld op grond van een bepaling waarvan was vastgesteld dat het Arbitragehof had geoordeeld dat die ongrondwettig was. De appèlrechters oordelen evenwel dat de ongrondwettigheid van artikel 146, derde lid, die door het Arbitragehof was vastgesteld in het arrest van 22 juli 2004 enkel betrekking had op de gevallen van onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder en van ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg; ze stellen verder vast dat het arrest van 22 juli 2004 in het te dezen weerhouden eerste geval van de ruimtelijk kwetsbare gebieden, had geoordeeld dat dit wel voldeed aan het legaliteitsbeginsel. Ze dienden derhalve géén prejudiciële vraag meer te stellen en handelden in overeenstemming met de Grondwet (Cfr. Cass., 27 juni 2003, F.01.00150.N). Het arrest van het Arbitragehof van 19 januari 2005 (nr. 14/2005) waarin onder meer in artikel 146, derde lid, DORO de woorden "voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg" werden vernietigd, bevestigt ten overvloede dat het onderdeel niet gegrond is. Als gevolg van dit vernietigingsarrest blijft het geval van de ligging in ruimtelijk kwetsbare gebieden immers behouden en dient artikel 146, derde lid, DORO gelezen te worden zonder acht te slaan op de bij het arrest van 19 januari 2005 vernietigde woorden. Daarover kan als gevolg van dit vernietigingsarrest van het Arbitragehof hoe dan ook geen twijfel meer bestaan.
(4)In het tweede middel wordt in essentie aangevoerd dat als gevolg van het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2004 de gehele bepaling buiten toepassing moest worden gelaten derwijze dat de appèlrechters zich ook niet meer konden steunen op het eerste geval van de ruimtelijk kwetsbare gebieden, bedoeld in artikel 146, derde lid, DORO. Volgens de eisers zou conform het arrest van het Hof van Cassatie van 16 november 2004 (P.04.1032.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.7) artikel 146, derde lid, DORO nog maar rechtskracht behouden na het arrest van 22 juli 2004 in zoverre dat het bepaalt dat de strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, van artikel 146 niet verder geldt; de drie hypothesen waaruit voortvloeit dat het instandhouden wel nog strafbaar was, zouden niet meer kunnen gelden. Tenslotte verzoeken de eisers dat een prejudiciële vraag zou gesteld worden aan het Arbitragehof teneinde te weten of artikel 146, derde lid, de Grondwet schendt doordat het een onzekere strafbaarstelling invoert en dus eveneens wanneer het misdrijf plaats vindt in de ruimtelijk kwetsbare gebieden. Waar reeds bleek dat het Arbitragehof in het arrest van 22 juli 2004 van oordeel was dat het eerste geval, bedoeld in artikel 146, derde lid, DORO, verenigbaar was met het legaliteitsbeginsel en er dus geen probleem rees van ongrondwettigheid in zoverre het ging om het eerste geval van de ruimtelijk kwetsbare gebieden, zou men kunnen besluiten dat de appèlrechters nog steeds toepassing konden maken van dat eerste geval. Het dispositief van het arrest moet samen gelezen worden met de overwegingen ervan, ten minste indien het dispositief onduidelijk zou zijn. Niettemin blijkt VAN GIEL de mening toegedaan dat de ongrondwettigheid van een deel van de bepaling het geheel aantast; naar zijn oordeel heeft het Arbitragehof dan ook geoordeeld dat de volledige bepaling van artikel 146, derde lid, DORO ongrondwettig is (I. VAN GIEL, "Eerste arrest van het Arbitragehof over de ongrondwettigheden in het verjaringsdecreet ruimtelijke ordening", (noot onder Arbitragehof 22 juli 2004), R.W. 2004-2005,
(583)585). Maar, anders dan het geval is met een arrest van het Arbitragehof ingevolge een prejudiciële vraag waarvan het Hof van Cassatie overigens heeft beslist dat wanneer het Arbitragehof in zulk arrest tot ongrondwettigheid van een bepaling besluit dit niet erga omnes geldt en de rechtsregel die er het onderwerp van is, niet uit de Belgische rechtsorde doet verdwijnen (Cfr. Cass. 4 februari 2002, S.01.0021.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.7, nr 81), volgt uit een vernietigingsarrest dat de vernietigde woorden moeten geacht worden nooit te hebben bestaan (Cfr. Cass. 29 september 1986, A.C. 1986-87, nr. 52; Cass. 27 oktober 1986, A.C. 1967-87, nr. 121). Als gevolg van het vernietigingsarrest van 19 januari 2005 moet de bepaling van artikel 146, derde lid, DORO immers gelezen worden zonder de woorden "voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg", en blijft het eerste geval van de ruimtelijk kwetsbare gebieden derhalve bestaan. De appèlrechters konden dan ook op die uitzondering steunen, gelet op het feit dat de nietigverklaring van de andere twee gevallen op retroactieve wijze gebeurt als gevolg van het voornoemd arrest van 19 januari 2005. Er wordt tenslotte nog voorgesteld een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. De eisers verzoeken het Hof, voor zover het zou oordelen dat uit het arrest van het Arbitragehof (bedoeld is uiteraard het arrest van 22 juli 2004) kan worden afgeleid dat de instandhouding van wederrechtelijk uitgevoerde handelingen, werken en wijzigingen strafbaar blijft, in geval ze zich situeren in ruimtelijk kwetsbare gebieden, en dat deze wetsbepaling de Grondwet niet schendt, aan het Arbitragehof de vraag te stellen of artikel 146, derde lid, DORO, in zijn geheel ongrondwettig is, dan wel voor de twee gevallen van "onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder" en "ernstige inbreuk op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg." Gelet op het arrest van 19 januari 2005, staat erga omnes vast dat het eerste geval niet werd vernietigd; de opgeworpen prejudiciële vraag die er in feite toe strekt de gevolgen van het arrest van 22 juli 2004 gewezen op prejudiciële vraag te onderzoeken, is daardoor achterhaald.
(5)In het derde middel wordt schending aangevoerd van verschillende bepalingen van het Afvalstoffendecreet. Er wordt aan het bestreden arrest verweten dat het geoordeeld heeft dat het misdrijf van het achterlaten van afval een voortdurend misdrijf is dat zou hebben geduurd van op of rond 1 januari 1990 tot 30 juli 1999, terwijl het naar het oordeel van de eisers om een aflopend misdrijf gaat. Artikel 12 van het Afvalstoffendecreet van 2 juli 1981, zoals vervangen bij Decreet van 20 april 1994, bepaalt: "Het is verboden afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan." Artikel 5 van het Afvalstoffendecreet voor de vervanging ervan bij Decreet van 20 april 1994 bepaalde: "Het is verboden afvalstoffen achter te laten." In hun toelichting bij hun enig middel stellen de eisers D.P. en NV Depriester Algemene Ondernemingen dat het arrest van het Hof van Cassatie van 2 oktober 1984 (A.C. 1984-85, nr. 82) hier geen toepassing kan vinden. In dat arrest besliste het Hof dat de overtreding van een gemeentereglement die erin bestaat op het grondgebied van de gemeente, op een daartoe niet bestemde plaats, vuilnis of alle andere soorten afval achter te laten, een voortdurend misdrijf is. Naar het oordeel van de eisers D.P. en NV Depriester Algemene Ondernemingen was in het reglement bepaald dat het verboden was afval te storten en achter te laten, zodat de woorden achterlaten in combinatie met de woorden storten maakten dat het achterlaten in casu inderdaad een voortdurend misdrijf kon zijn. In voornoemd arrest overwoog het Hof: "Overwegende dat uit de in dit politiereglement opeenvolgend gebruikte termen "storten" en "achterlaten" blijkt dat strafbaar is gesteld niet alleen de handeling die erin bestaat vuilnis en alle andere soorten afval aan te voeren en te deponeren op daarvoor niet wettelijk gereserveerde plaatsen, maar ook het verzuim die vuilnis of afval weg te ruimen; dat de overtreding die erin bestaat vuilnis of afval achter te laten een voortdurend misdrijf oplevert dat blijft bestaan zolang de dader, hetzij opzettelijk, hetzij uit nalatigheid, aan de wederrechtelijke toestand geen einde heeft gemaakt." Vraag is of dit dient te betekenen dat in het geval een reglement of een decreet zoals hier enkel spreekt over achterlaten, het misdrijf géén voortdurend misdrijf meer zou zijn en dat men met het woord achterlaten (alleen) het deponeren van afval zou bedoeld hebben. Dergelijke beperkte interpretatie lijkt niet aanvaardbaar, omdat ze zou inhouden dat de woorden "achterlaten van afval" een verschillende betekenis zouden hebben en derhalve een ander soort misdrijf zouden inhouden wanneer het woord op zichzelf staat of tezamen met een ander woord, bijvoorbeeld storten, zoals het geval was in het gemeentereglement van Aalter dat aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 2 oktober 1984. Ook de taalkundige betekenis van het woord "achterlaten", houdt in dat het misdrijven van "achterlaten" voortduurt zolang het gestorte afval niet is verwijderd.
(6)In het vierde middel wordt schending aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet. De appèlrechters zouden de conclusie van de eisers dat principieel de meerwaardevordering de te vorderen maatregel is, niet hebben beantwoord. Er is geen twijfel dat de appelrechters wél hebben geantwoord op dit verweer, met name met hetgeen zij onder randnummer 11.2 van het bestreden arrest ("Het artikel 149 ,§ 1, 3° lid DORO, staat er niet aan in de weg dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur ter zake het herstel van de plaats in de vorige toestand vordert en niet de betaling van een meerwaarde, ongeacht het tijdstip waarop het misdrijf is gepleegd (...)") oordelen. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag.
(7)In het vijfde middel tenslotte wordt schending aangevoerd van 146, derde en vierde lid, DORO. Meer bepaald wordt aangevoerd dat de opsomming van het vierde lid van artikel 146 DORO exhaustief zou zijn en restrictief moet worden beoordeeld. De appèlrechters konden volgens het middel niet oordelen dat het "landschappelijk waardevol agrarisch gebied" kan gelijkgesteld worden met "agrarisch gebied met ecologische waarde of belang" of met "agrarisch gebied met bijzondere waarde", zoals het voorkomt in de opsomming van hetgeen moet worden verstaan onder ruimtelijk kwetsbare gebieden van artikel 146, vierde lid, DORO. De appèlrechters stellen vast dat de handeling waarop de telastelegging C betrekking heeft volgens het gewestplan Oudenaarde gelegen is in landschappelijk waardevol gebied, dit is een agrarisch gebied met bijzondere waarde. Volgens de appèlrechters kan onder agrarisch gebied met bijzondere waarde, landschappelijk waardevol gebied worden verstaan. Die uitlegging is verenigbaar met artikel 146, vierde lid, DORO. Uit de voorbereidende werken van het Decreet van 4 juni 2003 lijkt ook niet te volgen dat artikel 146, derde lid, DORO een door de appèlrechters gemaakte conclusie zou verhinderen. Het middel faalt derhalve naar recht. Conclusie: verwerping. Tekst van de beslissing Nr. P.04.1346.N I.
- D J,
- D M, eisers, beklaagden, vertegenwoordigd door Mr. Ludovic De Gryse, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- D K R,
- S. C, verweerders, burgerlijke partijen. II.
- D P, eiser, beklaagde,
- DEPRIESTER ALGEMENE ONDERNEMINGEN nv, met zetel te Kluisbergen, Zulzekestraat 65, eiseres, civielrechtelijk aansprakelijke partij, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- D K R, reeds vermeld,
- S C, reeds vermeld, verweerders, burgerlijke partijen. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 10 september 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, correctionele kamer. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Etienne Goethals heeft verslag uitgebracht. Procureur-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eisers sub I stellen in een memorie vijf middelen voor. De eisers sub II stellen in een memorie een middel voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen van de eisers sub I
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat, anders dan waarvan geheel het onderdeel uitgaat, de appèlrechters met de redenen waarnaar het onderdeel verwijst, niet oordelen dat het arrest 136/2004 van het Arbitragehof van 22 juli 2004 een weerslag kon hebben op hun uiteindelijke beslissing; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat, anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, het Arbitragehof in zijn arrest 136/2004 van 22 juli 2004 niet heeft geoordeeld dat alle drie de gevallen van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 ongrondwettig zijn; dat de ongrondwettig enkel het tweede en het derde geval betreft; Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, de appèlrechters de eisers niet veroordelen op grond van de ongrondwettige bepaling van artikel 146, derde lid, tweede en derde geval, Stedenbouwdecreet 1999, maar op grond van het eerste geval (ruimtelijk kwetsbare gebieden); Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel Overwegende dat, anders dan het middel aanvoert, de drie gevallen waarin artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet 1999 voorziet, geen één ondeelbaar geheel vormen; Dat dit trouwens ook volgt uit het vernietigingsarrest 14/2005 van het Arbitragehof van 19 januari 2005 dat in dat artikel enkel de woorden met betrekking tot het tweede en derde geval vernietigt, namelijk " voorzover ze geen onaanvaardbare stedenbouwkundige hinder veroorzaken voor de omwonenden of voorzover ze geen ernstige inbreuk vormen op de essentiële stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming krachtens het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg"; Dat het middel faalt naar recht; Overwegende dat de eisers het Hof verzoeken de navolgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen: "Schendt artikel 146, derde lid van het decreet van het Vlaamse Gewest van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals toegevoegd bij artikel 7 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 juni 2003, de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en, doordat het een onzekere strafbaarstelling invoert, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de drie gevallen waarin ingevolge de toevoeging door artikel 7 van het decreet van 4 juni 2003 de strafbaarheid van het instandhouden van een stedenbouwmisdrijf niet wordt uitgesloten en dus eveneens wanneer het misdrijf plaatsvindt in de ruimtelijk kwetsbare gebieden"; Overwegende dat, gelet op het voormelde vernietigingsarrest nr. 14/2005 van het Arbitragehof, waaruit volgt dat het eerste geval van artikel 146, derde lid, Stedenbouwdecreet niet ongrondwettig is, het Hof de prejudiciële vraag niet meer moet stellen;
- Derde middel Overwegende dat, krachtens artikel 12 Afvalstoffendecreet, het verboden is afvalstoffen achter te laten of te verwijderen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten; Dat bij ontstentenis van nadere bepaling bij wet, "achterlaten" zijn gewone betekenis heeft, dit is niet alleen het laten staan of liggen van een voorwerp waarvan men zich ontdoet, maar ook het veroorzaken en laten voortduren van de aldus ontstane toestand nadat de voortbrengende werking heeft opgehouden; aldus met "achterlaten" niet alleen het storten, maar ook het verzuim om de gedeponeerde afval te verwijderen, wordt bedoeld; Dat het misdrijf van achterlaten voortduurt zolang de gedeponeerde afval niet is verwijderd; Dat het middel faalt naar recht;
- Vierde middel Overwegende dat de appèlrechters met de redenen die zij vermelden op bladzijde 15, volgnummer 11.2 van het arrest, de conclusie van de eisers beantwoorden; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
- Vijfde middel Overwegende dat een "landschappelijk waardevol agrarisch gebied" een "agrarisch gebied met bijzondere waarde" is, in de zin van artikel 146, vierde lid, Stedenbouwdecreet; Dat het middel faalt naar recht; B. Onderzoek van het middel van de eisers sub II Overwegende dat het middel dezelfde strekking heeft als het derde middel van de eisers sub I, en om dezelfde hierboven vermelde redenen faalt naar recht; C. Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt de cassatieberoepen; Veroordeelt de eisers in de kosten. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd veertig euro negenentwintig cent, waarvan
- op het cassatieberoep van D.J. en D.M.: zeventig euro veertien cent verschuldigd, en
- op het cassatieberoep van D.P. en Depriester Algemene ondernemingen nv: zeventig euro vijftien cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, en uitgesproken in openbare terechtzitting van tweeëntwintig februari tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van procureur-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050222.34 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211103.2F.2 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.082 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.188 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020204.7 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041123.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050913.39 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060502.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071113.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110111.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150303.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div