← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050225.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050225.8 Rolnummer: C.02.0404.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-07-03 13:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche Dat de verhuurder zijn voornemen om tot wederopbouw van het onroerend goed over te gaan, heeft ten uitvoer gebracht binnen de in artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet gestelde termijn, kan naar omstandigheden blijken uit de aanvraag tot het verkrijgen van de wettelijk vereiste vergunning voor de werken

(1).
(1)Zie Cass., 12 jan. 1978, A.C., 1978, 566, Cass., 28 april 1983, AR 6795, A.C., 1982-83, nr
  1. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Einde (Opzegging. Huurhernieuwing. Enz) Vrije woorden: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Einde (opzegging. Huurhernieuwing. Enz) Weigering tot huurhernieuwing Schadeloosstelling van de huurder Voornemen tot wederopbouw van het onroerend goed Voornemen niet ten uitvoer gebracht binnen de wettelijke termijn Uitvoering van het voornemen Wettelijke bepalingen: Wet - 30-04-1951 - Artt.16.I.3°en Tekst van de beslissing Nr. C.02.0404.N
  2. M.Y., en zijn echtgenote,
  3. D.M., eisers, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
  4. M.P. en zijn echtgenote,
  5. V.K., verweerders, vertegenwoordigd door Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 3 oktober 2001 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 16.I.1° en 3°, en 25, eerste lid, 1°, 2° en 3°, van de Handelshuurwet, die de afdeling II bis van hoofdstuk II van titel VII van boek III van het Burgerlijk Wetboek vormt ; - de artikelen 42 en 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en bekrachtigd bij decreet van het Vlaamse Parlement van 4 maart 1997, zoals van toepassing vóór de opheffing door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening ; - de artikelen 44 en 52 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw ; - de artikelen 6 en 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek ; - het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt uitspraak te doen over ambtshalve opgeworpen betwistingen ; - het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft. Aangevochten beslissing Bij het bestreden vonnis van 3 oktober 2001 verklaart de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde de hogere beroepen van de verweerders en het incidenteel beroep van de eisers ontvankelijk, het hoofdberoep ten aanzien van het verbeterend vonnis alsmede het incidenteel beroep ongegrond en het hoofdberoep ten aanzien van het verbeterd vonnis van 14 juli 1999 deels gegrond, doet het bestreden vonnis van 14 juli 1999 teniet en terzake opnieuw rechtdoende verklaart de oorspronkelijke vordering van de eisers ontvankelijk doch slechts in volgende mate gegrond en veroordeelt verweerders ieder voor het geheel tot betaling aan de eisers van de som van 210.000 BEF, meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van rechtsingang tot de dag der algehele betaling. De rechtbank verwerpt zodoende bij het bestreden vonnis eisers' vordering strekkende tot de veroordeling van verweerders tot betaling van een vergoeding op grond van artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet. Deze beslissing is onder meer gestoeld op volgende overwegingen : "Waar de eerste rechter van oordeel was dat (de verweerders) hun voornemen op grond waarvan zij de huurders hernieuwing weigerden, niet binnen de bij artikel 25, 3°, van de Handelshuurwet bepaalde termijn ten uitvoer brachten, is de rechtbank van oordeel dat (de verweerders) dit voornemen wel binnen de bij de wet bepaalde termijn, namelijk binnen zes maand na verlating van het gehuurde goed door de huurder, ten uitvoer brachten. Terzake wijzen (de verweerders) er terecht op dat sedert de wet van 29 maart 1964 (waarmede de wetgever bij het opstellen van de huidige handelshuurwet daterend van 1951 geen rekening kon houden) geen afbraak én wederopbouw van gebouwen meer wettelijk is dan na het bekomen van een bouwvergunning. In die zin dient het aanvragen van een bouwvergunning terdege beschouwd als het ten uitvoer leggen van het voornemen tot wederopbouw van het handelspand, behoudens indien zou blijken dat ééns deze bouwvergunning bekomen ze niet ten uitvoer wordt gelegd, quod non. A fortiori: Vred. St.-Kwintens Lennik, 29 juni 2000, A.J.T., 2000-01, pg. 315: 'Een goed persoonlijk en werkelijk in gebruik nemen in de zin van artikel 16, I, 1°, Handelshuurwet betekent niet noodzakelijk dat de betrokkene zich binnen een termijn van zes maanden moet laten inschrijven in de bevolkingsregisters van de gemeente waar het goed gelegen is. Men neemt een goed persoonlijk en werkelijk in gebruik als men een architect aanstelt om bouwplannen op te stellen, een bouwaanvraag indient en contracten afsluit met verschillende aannemers met het oog op het persoonlijk bewonen van de woning met zijn gezin'. Eerder dan naar het nakomen van de letter van de wet, dient hier het naleven van de geest van de wet getoetst, welk erin bestaat dat de eigenaar-verhuurder welke onder een drogreden de huurhernieuwing weigert gehouden is de huurders wegens het verlies van hun recht op huurhernieuwing te vergoeden (forfaitair bepaald op drie jaar huur, eventueel te vermeerderen met een bedrag toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden). (zie Prof. J.H. Herbots, Handelshuur in O.G.P., dl. II, II.C.8-7: 'Het voorschrift van artikel 25.3 werd ingevoerd om zoveel mogelijk bedrog of lichtzinnigheid van de verhuurder te voorkomen en de sanctioneren'). Waar de eerste rechter van oordeel was dat (de verweerders) reeds voor het verlaten van de woning door de huurders een bouwdossier hadden kunnen indienen teneinde met de eigenlijke werkzaamheden binnen de 6 maand na het verlaten van het pand door de huurders te kunnen starten, wijzen (de verweerders) er in hun beroepsakte terecht op dat het voor hen en hun architect zeer risicovol was een definitief plan op te stellen zonder dit grondig aan de bestaande toestand te kunnen toetsen, hetgeen gelet op de stroeve verhoudingen tussen partijen tijdens de handelshuur zo al niet uitgesloten dan toch zeer moeilijk lag. Gezien de weigering van de huurhernieuwing betwist werd, kon bovendien niet geheel uitgesloten worden dat (de eisers) het pand niet zouden verlaten hebben op de voorziene datum. Anderzijds dient vastgesteld dat (de verweerders) ruim voor het verlaten van het handelspand door (de eisers) reeds een aanvang genomen hadden met het samenstellen van hun bouwdossier, welke diverse besprekingen met de aangestelde architect vergt. Dit is des te meer het geval nu het hier om een verbouwen/heropbouwen van een restaurant/café met woning ging, welke bovendien gelegen was in de dorpskom van M., bij M.B. van 7 juli 1975 als landschap beschermd. Dat (de verweerders) ook het inzicht hadden zo spoedig mogelijk te starten met de materiële uitvoering van de wederopbouw blijkt uit het statistisch formulier model II, te voegen bij de aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning, waarin als datum voor de aanvang van de eigenlijke werken oktober 1997 werd opgegeven (binnen de 6 maanden na het verlaten van het handelspand door (de eisers)). Uit de voorgelegde stukken blijkt tevens dat reeds voor het verlaten van het pand door de huurders een aanvang genomen was met het vragen van offertes voor de uit te voeren werken. Er kan dan ook niet getwijfeld worden aan de oprechtheid van het voornemen op grond waarvan (de verweerders) de gevraagde huurhernieuwing geweigerd hebben. Met (de verweerders) dient beaamd dat zelfs bij een vroeger indienen van de bouwaanvraag, gelet op vele ingediende klachten, gevolgd door een procedure voor de Raad van State, zij hoe dan ook niet binnen de zes maanden na het verlaten van het pand zouden hebben kunnen starten met de materiële uitvoering van de werken. Nu terdege dient aangenomen te worden dat (de verweerders) het voornemen, op grond waarvan zij de huurders uit het goed hebben kunnen zetten, binnen de zes maand, na het verlaten van het pand door (de eisers), hebben ten uitvoer gebracht, zijn (de verweerders) de in artikel 25, 3°, van de Handelshuurwet voorziene uitzettingsvergoeding niet verschuldigd. Terzake dient toch benadrukt dat niet vereist is dat het voornemen tot wederopbouw binnen de zes maand zou beëindigd zijn, zoals (de eisers) voorhouden in hun conclusie dd. 17 mei 2000, doch slechts dat een aanvang werd genomen met dit voornemen binnen de zes maand. Verder dient volledigheidshalve er op gewezen te worden dat de wetgever op grond van billijkheidsredenen bepaald heeft dat de bijzonder zware vergoeding voorzien in artikel 25, 3°, evenmin verschuldigd is, indien de verhuurder aan het goed een bestemming geeft die hem de terugneming mogelijk zou gemaakt hebben zonder vergoeding of tegen een vergoeding gelijk aan of lager dan de vergoeding die hij heeft moeten dragen. Nu hoger reeds verwezen werd naar het vonnis van het Vredegerecht St. Kwintens-Lennik waarbij geoordeeld werd dat een goed persoonlijk en werkelijk in gebruik genomen werd in de zin van artikel 16, I, 1°, Handelshuurwet als men een architect aanstelt om bouwplannen op te stellen, een bouwaanvraag indient ... dient minstens besloten dat (de verweerders) zodra (de eisers) het pand verlaten hadden het goed persoonlijk en werkelijk in gebruik genomen hebben, zodat zij om die reden evenmin de zware uitzettingsvergoeding voorzien bij artikel 25, 3°, Handelshuurwet kunnen verschuldigd zijn". Grieven
  6. Eerste onderdeel Uit artikel 16.I.3°, van de Handelshuurwet volgt dat de verhuurder de hernieuwing van de huur kan weigeren op grond van de wil om het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed waarin de afgaande huurder zijn bedrijf uitoefent, weder op te bouwen. Als wederopbouw wordt beschouwd elke verbouwing door een afbraak voorafgegaan, beide de ruwbouw van de lokalen rakende en waarvan de kosten drie jaar huur te boven gaan. Blijkens artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet heeft de huurder, indien hij regelmatig zijn wil te kennen heeft gegeven om van zijn recht op hernieuwing gebruik te maken en het hem geweigerd is, recht op een vergoeding, die behoudens akkoord van partijen, gesloten na het ingaan van dat recht, forfaitair wordt bepaald op drie jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden, wanneer de verhuurder, zonder van een gewichtige reden te doen blijken, het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, niet ten uitvoer brengt binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaar. Uit de samenlezing van beide artikelen volgt dat de verhuurder die te kennen heeft gegeven het goed, waarin de afgaande huurder zijn bedrijf uitoefent, te zullen wederopbouwen, de werken, bestaande in een afbraak van de ruwbouw, gevolgd door de wederopbouw ervan, zal moeten hebben aangevangen binnen de termijn van zes maanden volgende op het verlaten van het gehuurde goed door de huurder. Aan die vereiste is niet voldaan wanneer binnen voornoemde termijn enkel een vergunning tot het verbouwen van het onroerend goed werd aangevraagd en desgevallend bekomen, nu dergelijke vergunning geenszins gelijkstaat met een uitvoering of zelfs een begin van uitvoering van de werken waarvoor die vergunning wordt aangevraagd. Uit de artikelen 42 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en bekrachtigd bij decreet van het Vlaamse Parlement van 4 maart 1997, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en 44 van de wet van 29 maart 1962, houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, volgt weliswaar dat niemand zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen, mag bouwen, een grond gebruiken voor het plaatsen van een of meer vaste inrichtingen, afbreken, herbouwen, verbouwen van een bestaande woning, instandhoudings- of onderhoudswerken uitgezonderd. Luidens artikel 50 van voornoemd decreet en artikel 52 van voornoemde wet van 29 maart 1962 vervalt die vergunning evenwel indien de vergunninghouder binnen een jaar na afgifte van de vergunning niet met de werken is begonnen. Uit de bepalingen van het gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening, van toepassing ten tijde van de beëindiging van de handelshuurovereenkomst, evenals uit voornoemde bepalingen van de wet van 29 maart 1962 volgt zodoende dat, zo de afgifte van een bouwvergunning een voorafgaande vereiste is voor het uitvoeren van bepaalde werken, zoals het bouwen, verbouwen of afbreken, zij evenwel moet worden onderscheiden van de uitvoering zelf der werken waarvoor zij wordt aangevraagd. Hieruit volgt dat de rechtbank, die bij het bestreden vonnis oordeelt dat de verweerders het voornemen op grond waarvan zij de huurhernieuwing weigerden ten uitvoer brachten binnen de bij de wet bepaalde termijn, namelijk binnen de zes maanden na verlating van het gehuurde goed door de huurder, nu zij binnen deze termijn een aanvraag tot het bekomen van een bouwvergunning indienden, aldus op onwettige wijze beslist dat de werken van wederopbouw, reden tot weigering van de huurhernieuwing, een aanvang namen binnen de wettelijk voorgeschreven termijn (schending van de artikelen 16.I.3°, 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet, 42 en 50 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en bekrachtigd bij decreet van het Vlaamse Parlement van 4 maart 1997, zoals van toepassing vóór de opheffing ervan door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en, voor zoveel als nodig 44 en 52 van de wet van 29 maart 1962, houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw) en bijgevolg niet wettig kon beslissen dat er geen vergoeding op grond van artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet verschuldigd was (schending van artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet).
  7. Tweede onderdeel Indien de rechter ambtshalve de door de partijen aangevoerde redenen mag aanvullen, veronderstelt zulks dat hij geen betwisting opwerpt die partijen hebben uitgesloten in hun conclusie, hij enkel steunt op regelmatig aan zijn beoordeling voorgelegde feiten en stukken en hij noch het voorwerp noch de oorzaak van de vordering wijzigt. Uit de beroepsakte en besluiten van de verweerders evenals uit de samenvatting van verweerders, middelen in het bestreden vonnis blijkt dat zij voor de appèlrechters aanvoerden, vooreerst dat met de werken binnen de termijn van zes maanden een aanvang genomen werd, zodat artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet niet van toepassing was, voorts onder de titel 'de gewichtige reden' dat zij onmogelijk de stedenbouwkundige wetgeving die strafrechtelijk wordt gesanctioneerd en bijgevolg de openbare orde raakt konden negeren, ondergeschikt dat de eisers geen aanspraak konden maken op de vergoeding, gelijk aan één jaar huur, vermeld in artikel 25, eerste lid, 1°, van de Handelshuurwet, vermits de afbraak van het gebouw noodzakelijk was ingevolge de ouderdom. Uit voornoemde samenvatting volgt dat de verweerders op geen enkel ogenblik aanvoerden dat zij aan het goed een bestemming hadden gegeven, die de terugneming ervan mogelijk had gemaakt zonder vergoeding of tegen een vergoeding gelijk aan of lager dan de vergoeding die zij hebben moeten dragen, inzonderheid wegens de persoonlijke ingebruikneming ervan. Hieruit volgt dat de rechtbank, die oordeelt dat "de wetgever op grond van billijkheidsredenen bepaald heeft dat de bijzonder zware vergoeding voorzien in artikel 25, 3°, evenmin verschuldigd is, indien de verhuurder aan het goed een bestemming geeft die hem de terugneming mogelijk zou gemaakt hebben zonder vergoeding of tegen een vergoeding gelijk aan of lager dan de vergoeding die hij heeft moeten dragen" en besluit dat "nu hoger reeds verwezen werd naar het vonnis van het Vredegerecht St.-Kwintens-Lennik waarbij geoordeeld werd dat een goed persoonlijk en werkelijk in gebruik genomen werd in de zin van artikel 16, I, 1°, Handelshuurwet als men een architect aanstelt om bouwplannen op te stellen, een bouwaanvraag indient ... minstens (dient) besloten dat (de verweerders) zodra (de eisers) het pand verlaten hadden het goed persoonlijk en werkelijk in gebruik genomen hebben, zodat zij om die reden evenmin de zware uitzettingsvergoeding voorzien bij artikel 25, 3°, Handelshuurwet kunnen verschuldigd zijn", aldus ambtshalve een betwisting opwerpt die door partijen werd uitgesloten (schending van artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek evenals van het algemeen rechtsbeginsel, genaamd beschikkingsbeginsel, dat de rechter verbiedt uitspraak te doen over ambtshalve opgeworpen betwistingen). Dat door de vordering op die grond af te wijzen zonder eisers voorafgaandelijk in de gelegenheid gesteld te hebben hierover hun verweer te voeren de rechtbank in ieder geval hun recht van verdediging schendt (schending van het algemeen rechtsbeginsel dat de eerbiediging van het recht van verdediging voorschrijft).
  8. Derde onderdeel Blijkens artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet heeft de huurder, indien hij regelmatig zijn wil te kennen heeft gegeven om van zijn recht op hernieuwing gebruik te maken en het hem geweigerd is, recht op een vergoeding, die behoudens akkoord van partijen, gesloten na het ingaan van dat recht, forfaitair wordt bepaald op drie jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden, wanneer de verhuurder, zonder van een gewichtige reden te doen blijken, het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, niet ten uitvoer brengt binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaar. Deze vergoeding is weliswaar niet verschuldigd indien de verhuurder aan het onroerend goed een bestemming geeft die hem de terugneming mogelijk zou hebben gemaakt zonder vergoeding of tegen een vergoeding gelijk aan of lager dan de vergoeding die hij heeft moeten dragen. In de mate dat in geval van weigering van de huurhernieuwing wegens de wederopbouw van het verhuurde pand overeenkomstig artikel 25, eerste lid, 1°, van de Handelshuurwet een vergoeding van één jaar verschuldigd is, volgt daaruit dat aan de voorwaarde om te worden vrijgesteld van de uitwinningsvergoeding, gelijk aan drie jaar, waarvan sprake in artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet, slechts zal zijn voldaan wanneer aan het goed een bestemming wordt gegeven waarvoor geen dan wel slechts een vergoeding van één jaar huur verschuldigd zou zijn geweest indien de verhuurder zich onmiddellijk op die bestemming beroepen had. Blijkens artikel 16.I.1°, van de Handelshuurwet kan de verhuurder de hernieuwing van de huur weigeren op grond van de wil om persoonlijk en werkelijk het gehuurde goed in gebruik te nemen, zonder hiervoor enige vergoeding verschuldigd te zijn aan de huurder. Tot dergelijke persoonlijke ingebruikneming zal door de rechter weliswaar slechts kunnen worden besloten voorzover de door hem weerhouden feiten erop wijzen dat de verhuurder op ieder ogenblik over de totaliteit van het goed kan beschikken en voorzover dit goed niet voor andere bestemmingen, zoals de wederopbouw, wordt gebruikt. De verhuurder die het goed, minstens ten dele, in gebruik neemt om hierin een gelijkaardige handel uit te baten als deze die in het gehuurde pand werd uitgebaat door de huurder is bovendien overeenkomstig artikel 25, eerste lid, 2°, van de Handelshuurwet aan de huurder een vergoeding, gelijk aan twee jaar huur, verschuldigd. In laatstgenoemde hypothese zal derhalve niet zijn voldaan aan de voorwaarde van artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet om te zijn vrijgesteld van de betaling van de uitwinningsvergoeding, gelijk aan drie jaar huur, verschuldigd in geval van niet-verwezenlijking van de aanvankelijk opgegeven weigeringsgrond, bestaande in de wederopbouw van het pand, binnen de zes maanden en gedurende ten minste twee jaar. Hieruit volgt dat de rechtbank op grond van de gedane vaststellingen, waaruit blijkt dat de bouwaanvraag het herbouwen/verbouwen van een restaurant/café met woning betrof (pagina 5, vijfde alinea van het bestreden vonnis) en derhalve deels werd ingediend met het oog op de uitbating in het onroerend goed van een gelijkaardige handel als deze die hierin door de eisers werd uitgebaat, niet wettig kon besluiten dat de verweerders aan het pand een bestemming hadden gegeven die de terugneming ervan zonder vergoeding of tegen een vergoeding gelijk aan of lager dan de vergoeding die de verweerders hebben moeten dragen, hetzij een vergoeding gelijk aan een jaar huur, mogelijk had gemaakt (schending van de artikelen 16.I.1°, en 25, eerste lid, 1°, 2° en 3°, van de Handelshuurwet) en derhalve niet wettig kan besluiten dat er geen reden was tot toekenning van een uitwinningsvergoeding, gelijk aan drie jaar huur, op grond van artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet (schending van de artikelen 25, eerste lid, 1°, 2°, en 3°, van de Handelshuurwet). In zoverre de rechtbank bovendien aanneemt, onder wijzing naar het vonnis van het Vredegerecht van St.-Kwintens-Lennik van 29 juni 2000, dat er dient te worden besloten dat de verhuurders het verhuurde pand persoonlijk en werkelijk in gebruik hebben genomen zodra blijkt dat zij onmiddellijk na het verlaten van het goed door de huurders een architect hebben aangesteld om bouwplannen op te stellen, een bouwaanvraag hebben ingediend, ... zij aan dit vonnis een algemene en als regel geldende draagwijdte toekent en derhalve artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek schendt. Bovendien schendt de rechtbank door deze redenering artikel 16.I.1°, van de Handelshuurwet. In ieder geval kon de rechtbank op grond van de vaststelling dat, nog voor dat de eisers het gehuurde pand verlieten, de verweerders een architect hadden aangesteld met het oog op het opstellen van de bouwplannen, niet wettig besluiten dat de verweerders dit pand persoonlijk en werkelijk in gebruik hadden genomen nadat de eisers dit goed hadden verlaten (schending van artikel 16.I.1°, van de Handelshuurwet) en bijgevolg ook niet wettig kon besluiten dat er geen reden was tot het toekennen van een vergoeding, gelijk aan drie jaar huur, overeenkomstig artikel 25, eerste lid, 3°, van de Handelshuurwet (schending van artikel 25, eerste lid, 1° en 3°, van de Handelshuurwet). De rechtbank kon evenmin wettig besluiten tot een persoonlijk gebruik op grond van de door de verweerders ingediende bouwaanvraag welke blijkens de eerdere vaststellingen van het bestreden vonnis verband hield met de aanvankelijk door de verweerders ingeroepen weigeringsgrond, te weten de wederopbouw van het verhuurde goed (schending van artikel 16.I.1° en 3°, van de Handelshuurwet). IV. Beslissing van het Hof
  9. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 16.I.3°, van de Handelshuurwet de verhuurder de hernieuwing van de huur kan weigeren op grond van zijn wil om het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed waarin de afgaande huurder zijn bedrijf uitoefent, weder op te bouwen en dat als wederopbouw wordt beschouwd elke verbouwing door een afbraak voorafgegaan, beide de ruwbouw van de lokalen rakende en waarvan de kosten drie jaar huur te boven gaan ; Dat, krachtens artikel 25, eerste lid, 3°, van die wet de huurder, indien hij regelmatig zijn wil heeft te kennen gegeven om van zijn recht op hernieuwing gebruik te maken en het hem is geweigerd, recht heeft op een vergoeding gelijk aan drie jaar huur, eventueel vermeerderd met een bedrag, toereikend om de veroorzaakte schade geheel te vergoeden, wanneer de verhuurder, zonder van een gewichtige reden te doen blijken, het voornemen op grond waarvan hij de huurder uit het goed heeft kunnen zetten, niet ten uitvoer brengt binnen zes maanden en gedurende ten minste twee jaar ; Dat het voor de toepassing van voormeld artikel 25, eerste lid, 3°, vol-staat dat de verhuurder binnen de bepaalde termijn zijn voorgenomen reden om tot wederopbouw over te gaan uitvoert ; dat de aanvraag tot het verkrijgen van de wettelijk vereiste vergunning voor de werken naar omstandigheden kan deel uitmaken van het uitvoeren van de voorgenomen reden ; Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de afgifte van een bouwvergunning enkel een vereiste is voor het uitvoeren van bepaalde werken maar moet worden onderscheiden van de uitvoering van de werken zelf waarvoor zij is aangevraagd, dat voor de toepassing van voormeld artikel 25, eerste lid, 3°, de werken zelf moeten aangevat zijn binnen de termijn van zes maanden volgende op het verlaten van het huurgoed en dat dergelijke vergunning niet gelijkstaat met een uitvoering of zelfs een begin van uitvoering van de werken waarvoor de vergunning wordt aangevraagd ; Dat het onderdeel faalt naar recht ;
  10. Tweede en derde onderdeel Overwegende dat de in het eerste onderdeel vergeefs aangevochten zelfstandige reden van het bestreden vonnis dat de verweerders hun voornemen van afbraak en wederopbouw tijdig hebben uitgevoerd, de beslissing draagt ; Dat de onderdelen, al waren zij gegrond, niet tot cassatie kunnen leiden, mitsdien niet ontvankelijk zijn ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd zeventig euro achtentachtig cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd zestig euro vierenvijftig cent jegens de verwerende partijen. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, afdelingsvorzitter Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van vijfentwintig februari tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050225.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.