id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050301.2 Rolnummer: P.05.0008.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2005-08-01 Raadplegingen: 620 - laatst gezien 2026-07-04 21:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer de feiten, die krachtens de artikelen 468, 471, 472 en 473, derde lid, van het Strafwetboek strafbaar zijn met opsluiting van twintig tot dertig jaar, wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden werden gecorrectionaliseerd, zijn die feiten krachtens de artikelen 80, tweede lid, en 25, eerste lid, van het Strafwetboek strafbaar met een correctionele gevangenisstraf van ten minste drie jaar en ten hoogste tien jaar. Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Straf en strafmaat Feiten strafbaar met opsluiting van twintig tot dertig jaar Verzachtende omstandigheden Correctionalisering Toepasselijke straf Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Artt.25en80 Thesaurus CAS: CORRECTIONALISERING Vrije woorden: CORRECTIONALISERING Straf en strafmaat Feiten strafbaar met opsluiting van twintig tot dertig jaar Verzachtende omstandigheden Toepasselijke straf Wettelijke bepalingen: Wet - 08-06-1867 - Artt.25en80 Fiches 3 - 5 Ingevolge de vernietiging van de beslissing waarbij eiser tot straf wordt veroordeeld, vervalt de door de appèlrechters bevolen onmiddellijke aanhouding; die vernietiging is zonder invloed op de onmiddellijke aanhouding die de eerste rechter heeft bevolen, zodat het cassatieberoep in zoverre bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Vrije woorden: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Cassatieberoep Bevel tot onmiddellijke aanhouding Vernietiging van het veroordelend arrest Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Vrije woorden: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Beklaagde en verdachte Veroordelend arrest Bevel tot onmiddellijke aanhouding Vernietiging van het veroordelend arrest Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Gemis aan belang of bestaansreden Vrije woorden: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering Gemis aan belang of bestaansreden Bevel tot onmiddellijke aanhouding Invloed op de in eerste aanleg bevolen onmiddellijke aanhouding Tekst van de beslissing Nr. P.05.0008.N I P G, eiser, beklaagde, gedetineerd, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen I B, verweerster, burgerlijke partij. II N L, eiser, beklaagde, met als raadsman Mr. Luc Van Damme, advocaat bij de balie te Brussel. I. Bestreden beslissing De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest, op 1 december 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen, correctionele kamer; II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Jean-Pierre Frère heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen De eiser sub I stelt in een memorie twee middelen voor. De eiser sub II stelt in een memorie drie middelen voor. Die memories zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. IV. Beslissing van het Hof A. Onderzoek van de middelen van P G
- Tweede middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de appèlrechters op grond van de redenen die het arrest vermeldt op de bladzijden 11 en 12 onder de hoofding "Op strafgebied, voorafgaand", wettig vermogen te oordelen dat door de niet-voeging van een dossier inzake BTW-fraude ten laste van eiser "de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces (...) niet kunnen geschonden zijn"; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de rechter onaantastbaar oordeelt over de geraadzaamheid, de gepastheid en de noodzaak van bijkomende onderzoeksmaatregelen zoals het verhoor van een getuige; Overwegende dat de rechter, wanneer hij het verhoor van een anonieme getuige ter terechtzitting met opgave van redenen verwerpt omdat hij zich voldoende ingelicht acht en bij zijn oordeel over de schuld van de beklaagde niet uitsluitend of in overwegende mate op de tijdens het onderzoek door die getuige gedane verklaringen laat steunen, zulks geen miskenning van het recht van verdediging of van het recht op een eerlijk proces oplevert; Overwegende eensdeels dat de appèlrechters zeggen dat de anonieme verklaringen slechts een aanduiding zijn van mogelijke schuldigen zonder enig bewijs van de schuld en dat de bewijsvoering steunt op in het kader van het onderzoek regelmatig verkregen bewijselementen; dat de rechters zodoende te kennen geven dat zij de identificatie en het verhoor van die getuigen niet nodig achten; Overwegende anderdeels dat uit de overige redenen die het arrest vermeldt op de bladzijden 14, 16 en 17 en onder de hoofding "de niet-anonieme getuigen" (blz. 19) blijkt dat de appèlrechters hun beoordeling van de schuld van eiser aan de telastlegging I niet uitsluitend of in overwegende mate laten steunen op de verklaringen van anonieme getuigen; Dat de rechters aldus wettig vermogen te oordelen dat, in verband met het horen van getuigen ter terechtzitting, "geen redenen voorhanden zijn om de procedure op te schorten en dat de voortgang van de procedure geen miskenning van de rechten van de verdediging inhoudt"; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen; 1.
- Derde onderdeel Overwegende dat de appèlrechters met het geheel van de redenen die het arrest vermeldt het in het onderdeel bedoelde verweer van eiser beantwoorden; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 1.
- Vierde onderdeel Overwegende dat het onderdeel dat een motiveringsgebrek aanvoert, in werkelijkheid opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechters en het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is; 1.
- Vijfde, zesde en zevende onderdeel Overwegende dat de appèlrechters met vermelding van de feitelijke redenen waarop zij hun oordeel laten steunen en waarover eiser tegenspraak heeft kunnen voeren, het verweer van eiser beantwoorden; Dat de onderdelen niet kunnen worden aangenomen; 1.
- Achtste onderdeel Overwegende dat het onderdeel uitgaat van de gegrondheid van de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde grieven met betrekking tot het horen van getuigen ter terechtzitting; Dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden, mitsdien niet ontvankelijk is;
- Eerste middel Overwegende dat het arrest eiser met toepassing van artikel 65 Strafwetboek tot een gevangenisstraf van 13 jaar veroordeelt wegens de vermengde feiten van de telastleggingen I, II, III, A en B, IV, A en B, V, A en B, en VI; Overwegende dat, te dezen, de in artikel 65, eerste lid, Strafwetboek, bedoelde zwaarste straf deze is die dient te worden opgelegd wegens de schuldigverklaring van eiser aan de feiten van de telastlegging I, omschreven als diefstal met geweld of bedreiging, met de omstandigheid dat de feiten gepleegd werden bij nacht door twee of meer personen, de schuldigen om de diefstal te vergemakkelijken of hun vlucht te verzekeren gebruik maakten van een gestolen voertuig of enig ander al dan niet met een motor aangedreven gestolen tuig, dat wapens of op wapens gelijkende voorwerpen werden gebruikt of getoond, of de schuldigen deden geloven dat zij gewapend waren, de diefstal gepleegd werd door middel van braak, inklimming of valse sleutels en dat het geweld een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid ten gevolge heeft gehad; Dat die feiten krachtens de artikelen 468, 471, 472 en 473, derde lid, Strafwetboek strafbaar zijn met opsluiting van twintig tot dertig jaar; Dat evenwel de vermelde feiten, met toepassing van artikel 2, derde lid, 3°, wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, wegens het bestaan van verzachtende omstandigheden in hoofde van eiser werden gecorrectionaliseerd bij beschikking van de raadkamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 25 juni 2002; Dat die feiten aldus krachtens de artikelen 80, tweede lid, en 25, eerste lid, Strafwetboek strafbaar zijn met een correctionele gevangenisstraf van ten minste drie jaar en ten hoogste tien jaar; Overwegende dat het arrest bovendien zegt dat, anders dan de telastlegging vermeld, eiser de hem telastgelegde feiten niet heeft gepleegd in staat van wettelijke herhaling, zodoende de toepassing van artikel 56, tweede lid, Strafwetboek uitsluit; Overwegende dienvolgens dat het arrest de beslissing waarbij eiser tot een gevangenisstraf van dertien jaar wordt veroordeeld, niet naar recht verantwoordt; Dat het middel gegrond is; Overwegende dat de onwettigheid van de opgelegde gevangenisstraf het overige van de beslissing op de strafvordering lastens eiser onaangetast laat; B. Onderzoek van de beslissing tot onmiddellijke aanhouding Overwegende dat ingevolge de vernietiging van de beslissing waarbij eiser tot straf wordt veroordeeld, de door de appèlrechters bevolen onmiddellijke aanhouding vervalt; Overwegende dat de vernietiging van de beslissing waarbij de appèlrechters eiser tot straf veroordelen zonder invloed is op de onmiddellijke aanhouding die de eerste rechter heeft bevolen; Dat het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk is; C. Onderzoek van de middelen van N L
- Eerste middel 1.
- Eerste onderdeel Overwegende dat de rechter in strafzaken onaantastbaar in feite de bewijswaarde beoordeelt van de verklaringen, inlichtingen, aanwijzingen en andere feitelijke gegevens van het strafonderzoek waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren; Overwegende dat het middel dat een tegenstrijdigheid aanvoert, in werkelijkheid geheel opkomt tegen die feitelijke beoordeling door de rechters; Dat het onderdeel niet ontvankelijk is; 1.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de appèlrechters met de redenen die zij vermelden op de vijftiende bladzijde van het arrest, enkel de bewijswaarde van de in het onderdeel bedoelde verklaring beoordelen, mitsdien de bewijskracht ervan niet miskennen; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist;
- Tweede middel Overwegende dat het arrest niet zegt dat het proces-verbaal van 29 januari 2002 vermeldt dat eiser "ter plaatse of in de omgeving van de woonst van Indestege is geweest om de daders te brengen", mitsdien de bewijskracht ervan niet miskent; Dat het middel feitelijke grondslag mist;
- Derde middel 3.
- Eerste onderdeel Overwegende dat het dictum van het arrest zowel de wetsbepalingen vermeldt waarbij een straf wordt bepaald als deze die de bestanddelen van het misdrijf van de telastlegging sub I vaststellen; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist; 3.
- Tweede onderdeel Overwegende dat de rechter in strafzaken, bij ontstentenis van een desbetreffende conclusie, de veroordelende beslissing naar recht verantwoordt door de in de bewoordingen van de wet omschreven feiten bewezen te verklaren; Overwegende dat geen wettelijke bepaling de rechter verplicht de artikelen te vermelden die de betekenis van sommige in het Strafwetboek voorkomende uitdrukkingen bevatten; Dat het onderdeel faalt naar recht; D. Ambtshalve onderzoek van de overige beslissingen op de strafvordering Overwegende dat de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht zijn genomen en de beslissingen overeenkomstig de wet zijn gewezen; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het P G veroordeelt tot straf; Verwerpt zijn cassatieberoep voor het overige; Veroordeelt P G in de helft van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat; Verwerpt het cassatieberoep van N L; Veroordeelt hem in de kosten ervan; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest, Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel. Gezegde kosten begroot in het geheel op de som van honderd zevenenzeventig euro tweeënnegentig cent, waarvan
- op het cassatieberoep van P G: achtentachtig euro zesennegentig cent verschuldigd, en
- op het cassatieberoep van N L: achtentachtig euro zesennegentig cent verschuldigd. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door Edward Forrier, afdelingsvoorzitter, en de raadsheren Etienne Goethals, Jean-Pierre Frère, Dirk Debruyne, Luc Van hoogenbemt, en uitgesproken in openbare terechtzitting van een maart tweeduizend en vijf, door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050301.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2011:CONC.20110614.2 ECLI:BE:CASS:2012:CONC.20120207.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251203.2F.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121205.4 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241127.2F.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div