← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050304.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050304.6 Rolnummer: C.02.0152.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 538 - laatst gezien 2026-07-04 11:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wijze waarop een partij een verkregen veroordeling uitvoert of niet uitvoert, kan geen rechtsmisbruik of schending van het rechtmatig vertrouwen opleveren die de initiële vordering zou aantasten

(1).
(1)Zie Cass., 4 dec. 1989, AR 6848, nr 216; 24 april 2003, AR C.00.0567.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25-C.01.0004.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25, nr 261 en de conclusie van advocaat-generaal De Riemaecker. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: RECHTBANKEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Geding in hoger beroep Veroordeling door de eerste rechter Wijze van (niet-)uitvoering Ontvankelijkheid van de initiële vordering Wettelijke bepalingen: Wet - 10-10-1967 - Artt.17en18 Tekst van de beslissing Nr. C.02.0152.N
  1. VJ., en zijn echtgenote
  2. B.M., samenwonende te , eisers, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, wiens kabinet gevestigd is te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19, verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 10 december 2001 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen. II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Greta Bourgeois heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen de artikelen 6.1 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, gesloten te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 ; de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; de artikelen 17, 18, 1057, 7°, en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek ; de artikelen 44, 45 en 67 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke orde en van de stedenbouw, vervolgens vervat in de artikelen 42, 43 en 70 van het decreet van het Vlaams Parlement betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en thans zijnde artikelen 99, 100 en 149 van het decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening ; het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging ; het algemeen rechtsbeginsel van het rechtsmisbruik en van het (gewettigd vertrouwen). Aangevochten beslissingen Het bestreden arrest van gedeeltelijke hervorming veroordeelt de eisers om het perceel, gelegen te Lommel, B. , nr. 6 (lees 4), en kadastraal gekend onder sectie B nr. 701/a, te herstellen in zijn oorspronkelijke toestand, dit is de bestaande woning en garage af te breken en dit binnen de termijn van tien maanden nadat onderhavig vonnis kracht van gewijsde zal hebben bekomen, en bij gebreke door de eisers hieraan te voldoen binnen de gestelde termijn, machtigt het verweerder om tot uitvoering van het herstel van de plaats in zijn vorige staat over te gaan op kosten van de eisers, en het veroordeelt de eisers solidair tot de betaling van een dwangsom van 5.000 BEF die, bij het in gebreke blijven van de eisers om het bevolen herstel in zijn oorspronkelijke staat na te komen, zal vervallen per dag vertraging, en voor recht zegt dat geen dwangsommen meer zullen vervallen boven een som van 1.000.000 BEF, en de door de eisers ingestelde tegeneis tot betaling van schadevergoeding ongegrond verklaart, op volgende gronden : Wat het rechtsmisbruik van verweerder betreft : de houding van verweerder, tenminste van zijn raadsman, na de uitspraak in eerste aanleg, inzonderheid bij de invordering van de gedingkosten, en het stilzitten van verweerder gedurende meer dan elf jaar na de uitspraak in eerste aanleg, enerzijds, en de betekening van het vonnis a quo op 23 februari 1999 en zijn voornemen tot gedwongen tenuitvoerlegging, anderzijds, geven, volgens de eisers, blijk van een kennelijke overschrijding van de grenzen van de normale rechtsuitoefening. Wegens deze houding in het kader van de tenuitvoerlegging, die de eisers rechtsmisbruik noemen, zou verweerder de uitoefening van het recht op herstel in de oorspronkelijke staat moeten worden ontzegd. Wat de schending van het vertrouwensbeginsel betreft : de eisers voeren aan dat verweerder hen gedurende meer dan elf jaar in de waan heeft gelaten dat hij niet tot tenuitvoerlegging van het vonnis a quo zou overgaan. De betekening van dit vonnis op 23 februari 1999 en het vervolgens uitgedrukte voornemen van verweerder tot tenuitvoerlegging schendt, volgens de eisers, het gewekte vertrouwen. In dit verweer van de eisers worden geen grieven tegen het beroepen vonnis aangetroffen. Zowel het aangevoerde rechtsmisbruik als de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel gaan immers uit van het bestaand recht van verweerder op herstel van de plaats in kwestie in zijn oorspronkelijke staat, zoals door de eerste rechter toegekend. Klaarblijkelijk bestrijden de eisers aldus niet de beoordeling door de eerste rechter maar vechten zij het recht van verweerder aan om thans nog tot de gedwongen tenuitvoerlegging van dit vonnis over te gaan. Het geschil in het kader van het hoger beroep moet evenwel onderscheiden worden van het geschil dat over de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging van het vonnis a quo zou kunnen ontstaan. Dergelijke uitvoeringsgeschil staat buiten de perken van het hoger beroep. De bezwaren van de eisers tegen de wijze van tenuitvoerlegging van het vonnis a quo door verweerder geven geen grond tot hervorming van het beroepen vonnis. In zoverre is het hoger beroep van de eisers dan ook ongegrond. De eisers vorderen bij tegeneis de veroordeling van verweerder tot de betaling van een som van 536.166 BEF (lees : 285.504 BEF) vermeerderd met de gerechtelijke intresten, als schadevergoeding voor de inmiddels in hun woning gedane bijkomende investeringen. Verweerder betwist deze tegeneis. De eisers hebben hun woning wederrechtelijk opgetrokken en zich aldus schuldig gemaakt aan een bouwmisdrijf. Ook het instandhouden van de wederrechtelijke constructie is een delict. Daarbij komt dat de eisers blijkbaar nog werken hebben uitgevoerd nadat zij door de eerste rechter terecht tot de afbraak veroordeeld waren. Deze werken, die precies beoogden de wederrechtelijke constructie verder uit te rusten en in stand te houden niettegenstaande de door de eisers ten tijde van de werken nog niet aangevochten veroordeling tot afbraak, hebben bij de eisers geen schade doen ontstaan die voor compensatie ten laste van verweerder in aanmerking komt. Een belang dat voortkomt uit het plegen van een misdrijf, met name een bouwovertreding en het instandhouden van een wederrechtelijk opgerichte constructie, en derhalve bestaat in strijd met de openbare orde, komt niet voor rechtsbescherming in aanmerking. De tegeneis is ongegrond. Grieven
  3. Eerste onderdeel De houding van verweerder na de uitspraak in eerste aanleg op 21 januari 1988, inzonderheid bij de invordering van de gerechtskosten, die liet verstaan dat bij betaling van deze kosten de afbraak niet zou uitgevoerd worden, en vervolgens het stilzitten van verweerder gedurende meer dan elf jaar na de uitspraak van 21 januari 1988, waarna dit vonnis door verweerder betekend werd en deze kennis gaf van zijn voornemen het uit te voeren, werd door de eisers als rechtsmisbruik ingeroepen waarop zij hun grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering van verweerder steunden en de door verweerder ingestelde vordering tot afbraak van hun woning betwistten (schending van het algemeen rechtsbeginsel van het rechtsmisbruik, 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). Het bestreden arrest, zonder zich uit te spreken over het feit of deze houding van verweerder al dan niet rechtsmisbruik uitmaakt, oordeelt ten onrechte dat dit verweer niet als grond van niet-ontvankelijkheid zou kunnen ingeroepen worden omdat de eisers alzo niet de beoordeling van de eerste rechter zouden bestrijden maar het recht van verweerder om tot gedwongen tenuitvoerlegging over te gaan. Het rechtsmisbruik, tengevolge waarvan verweerder zijn recht tot het uitvoeren van de afbraak der woning verwerkt heeft, kan wel door de eisers als grond van niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering van verweerder in hoger beroep ingevolge rechtsmisbruik, waarbij verweerder zijn wettig belang verliest, aangevoerd worden. Het hoger beroep heeft devolutieve werking zodat het geschil niet buiten de perken van het hoger beroep valt en het feit dat de eisers de redenering van de eerste rechter daarbij niet bekritiseren daaraan geen afbreuk doet. Het middel steunt daarbij op feiten die na die beslissing gebeurd zijn (schending van de artikelen 17, 18, 1057, 7°, en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van rechtsmisbruik). Het bestreden arrest heeft daarbij, zonder het door de eisers ingeroepen rechtsmiddel gesteund op het rechtsmisbruik ten gronde te onderzoeken, de rechten van de verdediging van de eisers miskend door het hoger beroep ongegrond te verklaren (schending van artikel 6.1 EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbied voor de rechten van de verdediging).
  4. Tweede onderdeel De houding van verweerder na de uitspraak in eerste aanleg op 21 januari 1988, die de eisers gedurende meer dan elf jaar in de waan heeft gelaten dat hij niet tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 januari 1988 zou overgaan, om het vervolgens op 23 februari 1999 te betekenen en zijn voornemen tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 21 januari 1988 uit te drukken, een miskenning uitmaakt van het bij de eisers gewekte vertrouwen door de houding van verweerder, namelijk het vonnis van 21 januari 1988 niet meer uit te voeren, en werd door de eisers terecht als grond van niet-ontvankelijkheid van de vordering van verweerder ingeroepen (schending van de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel van het gewettigd vertrouwen). Het bestreden arrest heeft, zonder zich uit te spreken over het feit te weten of de houding van verweerder al dan niet dit vertrouwen verwerkt had, ten onrechte geoordeeld dat zulks niet als grond van niet-ontvankelijkheid kan ingeroepen worden omdat de eisers alzo niet de beoordeling van de eerste rechter zouden bestrijden maar wel het recht van verweerder om tot gedwongen tenuitvoerlegging over te gaan. Deze miskenning van het gewettigd vertrouwen van de eisers tengevolge waarvan verweerder zijn recht tot uitvoeren van de afbraak der woning verwerkt heeft, kan wel door de eisers als grond van niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering tot afbraak in hoger beroep ingeroepen worden waardoor verweerder zijn wettig belang verliest om deze nog te vorderen. Het hoger beroep heeft immers de devolutieve werking zodat het geschil niet buiten de perken van het hoger beroep valt en het feit dat de eisers de redenering van de eerste rechter niet bekritiseren doet daaraan geen afbreuk en het middel steunt daarbij op feiten die na die beslissing gebeurd zijn (schending van de artikelen 17, 18, 1057, 7°, en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, en van het algemeen rechtsbeginsel van het gewettigd vertrouwen) . Daarbij heeft het bestreden arrest, zonder het door de eisers ingeroepen rechtsmiddel gesteund op de miskenning van het gewettigd vertrouwen ten gronde te onderzoeken, de rechten van verdediging geschonden door het hoger beroep ongegrond te verklaren (schending van artikel 6.1 EVRM en van het algemeen rechtsbeginsel van het gewettigd vertrouwen).
  5. Derde onderdeel Het bestreden arrest, zonder de grond van de door de eisers ingeroepen verweermiddelen afgeleid uit de miskenning van het rechtsmisbruik en van het vertrouwensbeginsel te beoordelen, is niet wettelijk gerechtvaardigd ; Immers kon de vordering tot afbraak van de woning van de eisers niet wettelijk toegekend worden dan na onderzoek ten grond van de verweermiddelen van de eisers gesteund op het rechtsmisbruik en op de miskenning van het gewettigde vertrouwen (schending van de artikelen 44, 45 en 67 van de wet van 29 maart 1962, vervolgens vervat in de artikelen 42, 43 en 70 van het decreet van 22 oktober 1996, en thans zijnde de artikelen 99, 100 en 149 van het decreet van 18 maart 1999 en van de algemene rechtsbeginselen van rechtsmisbruik en van het gewettigd vertrouwen) . Ook de verwerping van de tegeneis van de eisers, strekkende tot schadevergoeding wegens de nutteloos gedane investeringen bij verbeteringen aan de woning, kon niet zonder dit onderzoek wettelijk afgewezen worden (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
  6. Eerste en tweede onderdeel Overwegende dat de wijze waarop een partij een verkregen veroordeling uitvoert of niet uitvoert, geen rechtsmisbruik of schending van het rechtmatig vertrouwen kan opleveren die de initiële vordering zou aantasten ; Overwegende dat de onderdelen ervan uitgaan dat rechtsmisbruik en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het gewettigd vertrouwen, gesteund op de langdurige niet-uitvoering van het beroepen vonnis, in hoger beroep kunnen aangevoerd worden als grond van niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering wegens verlies aan wettig belang ; Dat de onderdelen in zoverre falen naar recht ; Overwegende voor het overige dat het louter feit dat de rechter niet ingaat op een verweer van een partij geen schending oplevert van artikel 6 EVRM en van het recht van verdediging ; Dat de onderdelen in zoverre niet ontvankelijk zijn ;
  7. Derde onderdeel Overwegende dat, anders dan het onderdeel aanvoert, het arrest wel nagaat in welke mate rechtsmisbruik of miskenning van het rechtmatig vertrouwen in aanmerking komen voor de gegrondheid van het hoger beroep maar oordeelt dat die verweermiddelen niet opgaan als de vordering tot afbraak zelf niet wordt betwist, ook niet in hoger beroep ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. De kosten begroot op de som van vierhonderd zesenzeventig euro twaalf cent jegens de eisende partijen en op de som van honderd achtenveertig euro achtenzeventig cent jegens de verwerende partij. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vier maart tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050304.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030424.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.