id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050304.7 Rolnummer: C.03.0272.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2005-06-02 Raadplegingen: 341 - laatst gezien 2026-07-03 13:11 Versie(s): Vertaling FR Fiche Krachtens art. 661 B.W. kan de eigenaar van een privatieve scheidingsmuur de prijs voor het gemeen maken van die muur van zijn nabuur vorderen, indien en voor zover deze van de muur zodanig gebruik maakt dat hij zich het medebezit daarvan aanmatigt, aldus inbreuk pleegt op het uitsluitend eigendomsrecht van zijn nabuur en daarmee redelijkerwijze niet kan voortgaan zonder de impliciete wil de muur voor gemeen te houden
(1); de enkele omstandigheid dat de nabuur uit het bestaan van de scheidsmuur voordeel haalt maakt deze bezitsaanmatiging niet uit.
(1)Cass., 28 juni 2001, AR C.99.0527.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.16, nr 408; 2 sept. 1994, AR C.93.0460.N ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940902.8, nr
- Thesaurus CAS: MANDELIGHEID Vrije woorden: MANDELIGHEID Gedwongen afkoop Aanmatiging medebezit Tekst van de beslissing Nr. C.03.0272.N
- B.R., en zijn echtgenote
- E.M.L., samenwonende te eisers, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen
- P.J., en zijn echtgenote
- H.H., samenwonende te verweerders. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 20 januari 2003 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Middel De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek ; - voor zoveel als nodig, de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Aangevochten beslissingen De eenentwintigste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel verklaart in het vonnis van 20 januari 2003 het beperkt hoger beroep ontvankelijk en gegrond, doet het bestreden vonnis teniet in de mate dat het de vordering van de verweerders in verband met de gedwongen muurovername ongegrond verklaarde en hen veroordeelde tot de gerechtskosten, en verklaart, opnieuw recht doende, de vordering van de verweerders in verband met de gedwongen muurovername ontvankelijk en gegrond, zodat de eisers worden veroordeeld tot betaling aan de verweerders van een bedrag van 6.120,69 euro, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf 1 maart 2001 en de gerechtelijke interest vanaf 28 september 2001, alsook tot de gerechtskosten van beide aanleggen. De rechtbank van eerste aanleg overweegt hiertoe als volgt (zie het vonnis, pp. 4-5) : "In (zijn) arrest van 22 juni 1990 besliste het Hof van Cassatie dat 'ingevolge artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek, de eigenaar van een privatieve scheidsmuur de prijs voor het gemeenmaken van de muur van zijn nabuur kan vorderen, indien en voorzover deze van de muur op zodanige wijze gebruik maakt dat hij zich het medebezit daarvan aanmatigt, aldus inbreuk pleegt op het uitsluitend eigendomsrecht en daarmee redelijkerwijze niet kan voortgaan zonder de impliciete wil de muur voor gemeen te houden' en verder 'dat de enkele omstandigheid dat de nabuur uit het bestaan van de muur voordeel haalt, geen zodanige bezitsaanmatiging inhoudt' (Cass., 22 juni 1990, R.W., 1990-91, 779). In casu betreft de betwisting tussen partijen de al dan niet (feitelijke) inbezitneming. In tegenstelling tot de eerste rechter, is de rechtbank van mening dat men niet mag stellen dat de scheidsmuur niet in gebruik genomen wordt zolang er geen materiële verankering of fysiek contact bestaat. Indien de tweede bouwer verzaakt aan zijn door artikel 661 Burgerlijk Wetboek verleend recht tot gemeenmaking, dient hij zijn constructie te begrenzen met een wand die voldoet aan alle vereiste eigenschappen van een scheidsmuur. De muur van de eerste bouwer kan immers altijd afgebroken worden zodat zijn overblijvende muur op zichzelf moet blijven voldoen aan alle reglementen. Talrijke bouwreglementen leggen aldus op dat de scheidsmuur een dikte heeft van 30 cm (Declercq, H., De gemene muur, Brugge, Die Keure, 1998, 3.5). In casu hebben (de eisers) een muur laten optrekken met een dikte van slechts 14 cm. Een dergelijke dunne wand is indien al niet strijdig met het plaatselijk gemeentelijk bouwreglement, dat in casu niet voorgelegd wordt maar vermoedelijk ook een muurdikte van 30 cm oplegt gelet op de dikte van de scheidsmuur van (de verweerders), zeker onvoldoende om het gebouw te beschermen tegen de weersomstandigheden. Aldus maken (de eisers) wel degelijk gebruik van de scheidsmuur van (de verweerders), die wel een dikte heeft van 30 cm. Hier kan zonder meer gesteld worden dat (de eisers) in feite geen volwaardige constructie opgetrokken hebben aangezien hun gebouw aan één zijde niet beschikte over een volwaardige gevel. Wanneer men de scheidsmuur van (de verweerders) wegdenkt, is de overblijvende constructie van (de eisers) onvoldoende als zelfstandige constructie, zodat er ongetwijfeld gebruik wordt gemaakt van de essentiële functies, waaronder de beschermende, van de scheidsmuur en er wel degelijk inbezitneming is (Declercq. H., o.c., 3.5.5.). (...) Derhalve heeft ten onrechte de eerste rechter de vordering van (de verweerders) tot gedwongen muurovername ongegrond verklaard. (...) Bij gebreke aan betwisting door (de eisers) van de door (de verweerders) gevorderde prijs, waarvan (de verweerders) de door een architekt gemaakte berekening voorleggen, kan deze toegekend worden". Grieven
- Eerste onderdeel Overeenkomstig artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek heeft ieder eigenaar van een erf dat paalt aan een muur, het recht om die muur, geheel of gedeeltelijk, gemeen te maken, onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden. Derhalve kan niemand gedwongen worden een mandeligheid te verwerven die hij niet wil, doch enkel voor zover geen gebruik gemaakt wordt van de voorafbestaande muur. Het recht van de eigenaar van een muur om zijn nabuur te dwingen tot aankoop van de mandeligheid, veronderstelt dat de nabuur een bezitsaanmatiging pleegt of een feitelijkheid die op een bezitsaanmatiging neerkomt, en dat deze bezitsaanmatiging of feitelijkheid van die aard is dat daaruit de ondubbelzinnige wil blijkt van de inbezitnemer om de mandeligheid van de scheidsmuur te verwerven. Zoals door de rechtbank van eerste aanleg beaamd, besliste het Hof in het arrest van 22 juni 1990 dat ingevolge artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek, de eigenaar van een privatieve scheidsmuur de prijs voor het gemeenmaken van de muur van zijn nabuur kan vorderen, indien en voorzover deze van de muur op zodanige wijze gebruik maakt dat hij zich het medebezit daarvan aanmatigt, aldus inbreuk pleegt op het uitsluitend eigendomsrecht en daarmee redelijkerwijze niet kan voortgaan zonder de impliciete wil de muur voor gemeen te houden, evenals dat de enkele omstandigheid dat de nabuur uit het bestaan van de muur voordeel haalt, geen zodanige bezitsaanmatiging inhoudt. De enkele omstandigheid dat de nabuur voordeel haalt uit het bestaan van een voorafbestaande muur houdt op zich aldus nog geen bezitsaanmatiging in. Na te hebben vastgesteld dat in deze de betwisting tussen partijen de al dan niet (feitelijke) inbezitneming betreft, stelt de rechtbank in casu vast dat men niet mag stellen dat de scheidsmuur niet in gebruik genomen wordt zolang er geen materiële verankering of fysiek contact bestaat en dat, indien de tweede bouwer verzaakt aan zijn door artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek verleend recht tot gemeenmaking, hij zijn constructie dient te begrenzen met een wand die voldoet aan alle vereiste eigenschappen van een scheidsmuur, daar de muur van de eerste bouwer altijd kan afgebroken worden zodat zijn overblijvende muur op zichzelf moet blijven voldoen aan alle reglementen, waarbij nog ten overvloede werd overwogen dat talrijke bouwreglementen aldus opleggen dat de scheidsmuur een dikte heeft van 30 centimeter. Bijgevolg oordeelt de rechtbank dat dient te worden nagegaan of de (voorafbestaande) betwiste scheidsmuur na het optrekken van de nieuwbouw afgebroken zou kunnen worden en dat moet worden nagegaan wat er uiteindelijk overblijft ; indien deze overblijvende constructie voldoende is om het nieuwe gebouw op volwaardige wijze af te sluiten en te beschermen, is er geen sprake van inbezitneming ; indien de overblijvende constructie daarentegen onvoldoende is als zelfstandige constructie, dan wordt gebruik gemaakt van de essentiële functies van de scheidsmuur en is er, aldus de rechtbank, wel degelijk inbezitneming. Door aldus te oordelen kent de rechtbank van eerste aanleg aan artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek een draagwijdte toe die deze bepaling niet heeft en schendt zij derhalve artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van wat wordt bepaald in artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek, is het Hof met name van oordeel dat het recht van de eigenaar van een muur om zijn nabuur te dwingen tot aankoop van de mandeligheid, veronderstelt dat de nabuur een bezitsaanmatiging pleegt of een feitelijkheid die op een bezitsaanmatiging neerkomt en dat deze bezitsaanmatiging of feitelijkheid van die aard is dat daaruit de ondubbelzinnige wil blijkt van de inbezitnemer om de mandeligheid van de scheidsmuur te verwerven, alsook dat de enkele omstandigheid dat de nabuur voordeel haalt uit het bestaan van een voorafbestaande muur op zich nog geen bezitsaanmatiging inhoudt. Derhalve miskent de rechtbank deze algemene beginselen aangezien ter zake geen rekening wordt gehouden met het feit dat de enkele omstandigheid dat de nabuur voordeel haalt uit het bestaan van een voorafbestaande muur op zich nog geen bezitsaanmatiging inhoudt (schending van artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek).
- Tweede onderdeel Uit de vermeldingen en vaststellingen van het vonnis kan verder niet worden afgeleid dat aan de voorwaarde is voldaan dat de nabuur een bezitsaanmatiging of een feitelijkheid die op een bezitsaanmatiging neerkomt, pleegt waaruit de ondubbelzinnige wil blijkt van de inbezitnemer om de mandeligheid van de scheidsmuur te verwerven. Voor het aanwezig zijn van een (ondubbelzinnige) daad van inbezitneming, wordt de bevestiging of vastmetseling van de ene muur aan de andere vereist. Ofschoon er sprake is van inbezitneming wanneer de nabuur bouwwerken op of tegen de muur doet steunen, kan geen inbezitneming worden aanvaard wanneer dit, zoals door de feitenrechter vastgesteld, in casu, niet het geval is. De enkele omstandigheid dat de nabuur voordeel haalt uit het bestaan van een voorafbestaande muur, houdt op zich nog geen bezitsaanmatiging in zodat niet kan aanvaard worden dat het enkele feit dat de nabuur voordeel haalt uit het bestaan van een voorafbestaande muur, bijvoorbeeld doordat hij slechts een dunne wand opricht die door de bestaande scheidsmuur bescherming krijgt tegen wind, regen, warmte, koude en geluid, als een daad van inbezitneming geldt. In onderhavige zaak kan uit de vermeldingen en vaststellingen van het vonnis, met name dat de door de eisers opgetrokken muur van slechts 14 centimeter dikte zeker onvoldoende is om het gebouw te beschermen tegen de weersomstandigheden, dat de eisers aldus wel degelijk gebruik maken van de scheidsmuur van de verweerders, die (wel) een dikte heeft van 30 cm, dat de eisers in feite geen volwaardige constructie opgetrokken hebben aangezien hun gebouw aan één zijde niet beschikte over een volwaardige gevel, en dat wanneer men de scheidsmuur van de verweerders wegdenkt, de overblijvende constructie van de eisers onvoldoende is als zelfstandige constructie, zodat er ongetwijfeld gebruik wordt gemaakt van de essentiële functies, waaronder de beschermende, van de scheidsmuur en er wel degelijk inbezitneming is, niet worden besloten tot het bestaan van de ondubbelzinnige wil van de inbezitnemer om de mandeligheid van de scheidsmuur te verwerven. Uit de vermeldingen en vaststellingen van het vonnis kan met andere woorden niet worden afgeleid dat aan de voorwaarde is voldaan dat de nabuur een bezitsaanmatiging of een feitelijkheid die op een bezitsaanmatiging neerkomt, pleegt, waaruit de ondubbelzinnige wil blijkt van de inbezitnemer om de mandeligheid van de scheidsmuur te verwerven. Aldus miskent het bestreden vonnis het begrip "feitelijk vermoeden", aangezien uit de vermeldingen en vaststellingen van het vonnis niet kan worden afgeleid dat er in casu wel degelijk inbezitneming is, noch dat de ondubbelzinnige wil blijkt van de inbezitnemer om de mandeligheid van de scheidsmuur te verwerven (schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
- Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek, de eigenaar van een privatieve scheidsmuur de prijs voor het gemeen maken van die muur, van zijn nabuur kan vorderen, indien en voor zover deze laatste van deze muur een zodanig gebruik maakt dat hij zich het mede-bezit daarvan aanmatigt, aldus inbreuk pleegt op het uitsluitend eigendomsrecht van zijn nabuur en daarmee redelijkerwijze niet kan voortgaan zonder de impliciete wil de muur voor gemeen te houden ; Dat de enkele omstandigheid dat de nabuur uit het bestaan van de scheidsmuur voordeel haalt, de voormelde bezitsaanmatiging niet uitmaakt ; Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat :
- indien de bouwer zijn voor artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek vermeend recht tot gemeenmaking verzaakt, hij zijn constructie dient te begrenzen met een wand die voldoet aan alle vereiste eigenschappen van een scheidsmuur, in die zin dat bij een mogelijke afbraak van de muur van de eerste bouwer, zijn overblijvende muur op zichzelf moet blijven voldoen aan alle reglementen ;
- talrijke bouwreglementen opleggen dat de scheidsmuur een dikte heeft van 30 centimeter ;
- de eisers een muur met een dikte van 14 centimeter hebben laten optrekken op een afstand van 6,5 centimeter van de zijgevel van de verweerders ;
- een dergelijke dunne wand zeker onvoldoende is om het gebouw te beschermen tegen de weersomstandigheden ;
- de eisers aldus gebruik maken van de scheidsmuur van de verweerders, die wel een dikte heeft van 30 centimeter ;
- de eisers in feite geen volwaardige constructie hebben opgetrokken aangezien hun gebouw aan een zijde niet beschikte over een volwaardige gevel en wanneer men de scheidsmuur van de verweerders wegdenkt, de overblijvende constructie van de eisers onvoldoende is als zelfstandige muur, zodat er gebruik wordt gemaakt van de essentiële functies, waaronder de beschermende, van de scheidsmuur en er inbezitneming is ; Overwegende dat het bestreden vonnis met die redenen niet vaststelt dat de eisers op de muur van de verweerders een bezitsaanmatiging hebben gepleegd waartegen die zich kunnen verzetten ; Dat het bestreden vonnis, door op grond van die redenen de eisers te veroordelen tot betaling van de door de verweerders gevorderde overnameprijs van hun muur, artikel 661 van het Burgerlijk Wetboek schenden ; Dat het onderdeel gegrond is ;
- Overige grieven Overwegende dat de overige grieven niet tot ruimere cassatie kunnen leiden ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Greta Bourgeois en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van vier maart tweeduizend en vijf uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050304.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940902.8 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010628.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div