← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050307.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050307.4 Rolnummer: C.03.0007.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2005-09-01 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-04 13:20 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De vrederechter waarbij een vordering tot bekrachtiging van een overdracht van loon aanhangig is overeenkomstig artikel 31 van de Loonbeschermingswet, is bevoegd om in laatste aanleg uitspraak te doen over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van overdracht en van de gewaarborgde schuldvordering; zulks is met name het geval voor het contract van lening, hoofdverbintenis en het contract van loonoverdracht bijkomstige verbintenis nu beide contracten nauw verbonden zijn

(1).
(1)Cass., 10 nov. 1983, A.C. 1983-84, nr 140; Pas., 1984, I, nr 140 voorafgegaan door concl. proc.-gen. KRINGS; Cass., 19 jan. 2001, A.C., 2001, nr 38. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrederechter Bescherming van het loon Overdracht van loon van een werknemer Verzet tegen de bekrachtiging Betwistingen inzake gewaarborgde schuldvordering Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art.31 Fiche 2 Wanneer ingevolge het verzet van de loonoverdrager tegen de voorgenomen uitvoering van de loonoverdracht, de vordering tot bekrachtiging van de overdracht door de overnemer wordt ingesteld nadat de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering reeds bij een rechterlijke beslissing werd vastgesteld, is de vrederechter gebonden door het gezag van gewijsde van die beslissing: de vrederechter dient in dit geval slechts te onderzoeken of de loonoverdracht aan de wettelijke bepalingen ter zake voldoet en of de schuldvordering, zoals die uit de rechterlijke beslissing blijkt, niet nadien geheel of gedeeltelijk is tenietgegaan
(1).
(1)Cass., 10 nov. 1983, A.C. 1983-84, nr 140; Pas., 1984, I, nr 140 voorafgegaan door concl. proc.-gen. KRINGS; Cass., 19 jan. 2001, A.C., 2001, nr 38. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrederechter Bescherming van het loon Overdracht van loon van een werknemer Verzet tegen de bekrachtiging Betwistingen inzake gewaarborgde schuldvordering Omvang van de hoofdverbintenis Gerechtelijke beslissing Gezag van gewijsde Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Artt.27en31 Fiche 3 Indien de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering is neergelegd in een uitvoerbare titel, mag de vrederechter bij wie de bekrachtiging van de loonoverdracht wordt gevorderd, niet raken aan de rechten van de partijen zoals die uit deze titel blijken; de vrederechter blijft in dat geval niettemin bevoegd om na te gaan of de in die titel vastgelegde schuldvordering, waarvan de betaling door middel van de loonoverdracht wordt nagestreefd, nog actueel is en onder meer inmiddels niet verjaard is
(1).
(1)Cass., 10 nov. 1983, A.C. 1983-84, nr 140; Pas., 1984, I, nr 140 voorafgegaan door concl. proc.-gen. KRINGS; Cass., 19 jan. 2001, A.C., 2001, nr 38. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrije woorden: BEVOEGDHEID EN AANLEG - BURGERLIJKE ZAKEN - Bevoegdheid - Volstrekte bevoegdheid (Materiële. Persoonlijke) Vrederechter Bescherming van het loon Overdracht van loon van een werknemer Verzet tegen de bekrachtiging Betwistingen inzake gewaarborgde schuldvordering Omvang van de hoofdverbintenis Gerechtelijke beslissing Gezag van gewijsde Fiche 4 De vrederechter waarbij een vordering tot bekrachtiging van een overdracht van loon aanhangig is overeenkomstig artikel 31 van de Loonbeschermingswet, is bevoegd om in laatste aanleg uitspraak te doen over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van overdracht en van de gewaarborgde schuldvordering; zulks is met name het geval door het contract van lening, hoofdverbintenis en het contract van loonoverdracht bijkomstige verbintenis nu beide contracten nauw verbonden zijn
(1).
(1)Cass., 10 nov. 1983, A.C. 1983-84, nr 140; Pas., 1984, I, nr 140 voorafgegaan door concl. proc.-gen. KRINGS; Cass., 19 jan. 2001, A.C., 2001, nr 38. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Overdracht van loon Verzet Vrederechter Gewaarborgde schuldvordering neergelegd in een uitvoerbare titel Omvang van de schuldvordering Tenietgaan van de schuldvordering Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Art.31 Fiche 5 Wanneer ingevolge het verzet van de loonoverdrager tegen de voorgenomen uitvoering van de loonoverdracht, de vordering tot bekrachtiging van de overdracht door de overnemer wordt ingesteld nadat de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering reeds bij een rechterlijke beslissing werd vastgesteld, is de vrederechter gebonden door het gezag van gewijsde van die beslissing: de vrederechter dient in dit geval slechts te onderzoeken of de loonoverdracht aan de wettelijke bepalingen ter zake voldoet en of de schuldvordering, zoals die uit de rechterlijke beslissing blijkt, niet nadien geheel of gedeeltelijk is tenietgegaan
(1).
(1)Cass., 10 nov. 1983, A.C. 1983-84, nr 140; Pas., 1984, I, nr 140 voorafgegaan door concl. proc-gen. KRINGS; Cass., 19 jan. 2001, A.C., 2001, nr
  1. Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Vrije woorden: LOON - BESCHERMING Overdracht van loon Verzet Vrederechter Gewaarborgde schuldvordering neergelegd in een uitvoerbare titel Omvang van de schuldvordering Tenietgaan van de schuldvordering Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - Artt.27en31 Tekst van de beslissing Nr. C.03.0007.N.- D.M., eiseres, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van 2 januari 2003, nr. G.02.0108.N, vertegenwoordigd door Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen FORTIS BANK, naamloze vennootschap, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te 1000 Brussel, Warandeberg 3, verweerster, vertegenwoordigd door Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 81, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis, op 13 mei 2002 in laatste aanleg gewezen door het Vredegerecht van het Tweede Kanton te Gent. II. Rechtspleging voor het Hof Bij beschikking van de eerste voorzitter van 20 januari 2005 werd deze zaak naar de derde kamer verwezen. Afdelingsvoorzitter Robert Boes heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Anne De Raeve heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift drie middelen aan.
  2. Eerste middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1184, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 23 tot 28, 569, 5°, 1395, 1489 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek ; - de artikelen 27 en 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart het door eiseres ingestelde verzet toelaatbaar, doch niet gegrond en bevestigt het vonnis van de vrederechter van het zevende kanton te Gent van 26 februari 1996, waarbij de vordering van de rechtsvoorgangster van verweerster tot bekrachtiging van de overdracht van het loon gegrond verklaard werd. De vrederechter verwerpt het verweer van eiseres dat de vordering tot bekrachtiging van de loonoverdracht zonder voorwerp is en om die reden diende te worden afgewezen op grond van de overwegingen dat : "Evenzeer merkt (eiseres) op dat de loonoverdracht een accessorium is van de leningsovereenkomst : zij draagt inderdaad dezelfde gevolgen. Zoals deze rechtbank reeds in tal van vonnissen opmerkte is het daarom essentieel dat eerst ten gronde wordt beslist over de leningsovereenkomst alvorens een loonoverdracht te bekrachtigen : op gevaar, gezien deze laatste in laatste aanleg wordt beoordeeld, dat de consument tot betaling van verschillende bedragen wordt veroordeeld (zelfs indien de beide aangelegenheden samen door dezelfde rechter worden behandeld blijft immers de mogelijkheid dat, wat de hoofdovereenkomst betreft, in hoger beroep een andere, mildere beslissing wordt genomen ...). 3.
  3. Ten deze ligt een vonnis ten gronde voor dat kracht van gewijsde heeft bekomen. De aandacht dient erop gevestigd te worden dat de loonoverdracht enkel een uitvoeringsmodaliteit van de hoofdovereenkomst uitmaakt. Deze rechtbank is het fundamenteel oneens met de stelling die op basis van het advies van procureur-generaal Krings werd ontwikkeld door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 10 november 1983 waarbij wordt gesteld dat door de bekrachtiging van de loonoverdracht de vrederechter een uitvoerbare titel verschaft. Volgens deze rechtbank is het zo dat bij de bekrachtiging van een loonoverdracht enkel een manier van tenuitvoerlegging wordt toegelaten en dat dit qua omvang moet gebeuren op basis van de uitvoerbare titel die wordt gehaald bij de behandeling van de zaak ten gronde. 3.
  4. In tegenstelling tot wat de (eiseres) uiteenzet moet de rechtbank erop wijzen dat de loonoverdracht werd aangezegd voordat de rechtbank van eerste aanleg vonniste zodat die loonoverdracht gevolgen blijft hebben. Ter verduidelijking : door de aanzegging van de loonoverdracht plaatst de schuldeiser zich in een gunstige rangorde ten opzichte van eventuele andere latere schuldeisers. Vandaar precies het grote belang dat de kredietverleners eraan hechten om, in vele gevallen al te snel, een dergelijke loonoverdracht aan te zeggen. 3.
  5. Vormelijk wordt de loonoverdracht niet betwist. Deze rechtbank kon dan ook niets anders dan, op grond van het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, de loonoverdracht te bevestigen voor de overeenkomstige som. Deze rechtbank kan, gezien gemeld kracht van gewijsde, de zaak niet meer ten gronde te beoordelen. Met andere woorden : wanneer de loonoverdracht conform de wet werd gevestigd dan moet die worden bekrachtigd ... De problematiek die (eiseres) voorbrengt behoort tot de tenuitvoerlegging van het vonnis en valt derhalve onder de bevoegdheid van de beslagrechter : wanneer de schuldenaar meent dat de tenuitvoerlegging datgene overtreft wat hij verschuldigd is dient hij/zij zich tot de beslagrechter te wenden (zie het verweer i.v.m. verjaring van interest)." (blz. 2-4 van het bestreden vonnis) Grieven Artikel 27 van de wet van 12 april 1965 bepaalt dat de overdracht van loon moet gebeuren bij een akte onderscheiden van die akte welke de hoofdverbintenis waarvan zij de uitvoering waarborgt, bevat. Nu de overdracht van loon slechts een accessorium van de hoofdverbintenis uitmaakt en hiermee derhalve onlosmakelijk verbonden is, kan deze slechts plaatsvinden zolang de hoofdverbintenis, waarvan zij de uitvoering waarborgt, bestaat. De vrederechter stelt vast dat de hoofdverbintenis van eiseres erin bestond aan de rechtsvoorgangster van verweerster een maandelijkse som van 7.502 BEF af te betalen. De vrederechter stelt nog vast dat eiseres bij vonnis van 5 november 1986 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent veroordeeld werd tot betaling van 189.801 BEF, dit is tot betaling van de reeds vervallen en de nog niet vervallen termijnen, wat door partijen niet betwist werd. De verplichting van eiseres tot betaling van het maandelijks bedrag van 7.502 BEF dient onderscheiden te worden van de verbintenis van eiseres tot betaling van het bedrag van 189.801 BEF. De eerste verplichting vloeit immers voort uit de door partijen gesloten overeenkomst, terwijl de tweede verplichting uit de rechterlijke beslissing van 5 november 1986 voortvloeit. De artikelen 27 en 31 van de wet van 12 april 1965 dienen strikt te worden geïnterpreteerd, nu de vrederechter in laatste aanleg uitspraak doet over de overdracht van loon en aan partijen derhalve een belangrijke waarborg ontnomen wordt. Derhalve kan de overdracht van loon slechts bekrachtigd worden indien deze strekt tot uitvoering van de hoofdverbintenis stricto sensu. Het is daarbij irrelevant te weten op welk ogenblik de loonoverdracht werd aangezegd. Te dezen stelt de vrederechter vast dat de loonoverdracht niet strekt tot uitvoering van de verbintenis van eiseres tot betaling van een maandelijks bedrag van 7.502 BEF, maar een manier van tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 november 1986 uitmaakt. Nu de beslagrechter overeenkomstig de artikelen 569, 5°, 1395, 1489 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek exclusief bevoegd is om uitspraak te doen over middelen tot tenuitvoerlegging, kon de vrederechter niet zonder schending van deze bepalingen de loonoverdracht bekrachtigen en aldus uitspraak doen over de wijze van tenuitvoerlegging van het vonnis van 5 november
  6. Door verder te beslissen dat de loonoverdracht niet enkel strekt tot zekerheid van betaling van de hoofdschuld, doch tevens tot uitvoering van een rechterlijke beslissing, schendt de vrederechter de artikelen 27 en 31 van de wet van 12 april
  7. In de mate het bestreden vonnis beslist dat eiseres nog steeds gehouden is tot uitvoering van de hoofdverbintenis, en derhalve tot betaling van een maandelijks bedrag van 7.502 BEF, schendt het het gezag van gewijsde van het vonnis van 5 november 1986 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent (schending van de artikelen 23 tot 28 van het Gerechtelijk Wetboek), geeft het van dit vonnis een interpretatie die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en schendt het artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan een partij niet gehouden kan zijn tot uitvoering van een contractuele verbintenis na ontbinding van de overeenkomst.
  8. Tweede middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 27 en 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ; - voor zoveel als nodig, de artikelen 569, 5°, 1395, 1489 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart het door eiseres ingestelde verzet toelaatbaar, doch niet gegrond en bevestigt het vonnis van de vrederechter van het zevende kanton te Gent van 26 februari 1996, waarbij de vordering van de rechtsvoorgangster van verweerster tot bekrachtiging van de overdracht van het loon gegrond verklaard werd. Het bestreden vonnis verwerpt het verweer van eiseres dat de interesten tussen 18 september 1986 en 19 januari 1991 verjaard zijn krachtens artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, op grond van de volgende motieven : "Evenzeer merkt (eiseres) op dat de loonoverdracht een accessorium is van de leningsovereenkomst : zij draagt inderdaad dezelfde gevolgen. Zoals deze rechtbank reeds in tal van vonnissen opmerkte is het daarom essentieel dat eerst ten gronde wordt beslist over de leningsovereenkomst alvorens een loonoverdracht te bekrachtigen: op gevaar, gezien deze laatste in laatste aanleg wordt beoordeeld, dat de consument tot betaling van verschillende bedragen wordt veroordeeld (zelfs indien de beide aangelegenheden samen door dezelfde rechter worden behandeld blijft immers de mogelijkheid dat, wat de hoofdovereenkomst betreft, in hoger beroep een andere, mildere beslissing wordt genomen ...). 3.
  9. Ten deze ligt een vonnis ten gronde voor dat kracht van gewijsde heeft bekomen. De aandacht dient erop gevestigd te worden dat de loonoverdracht enkel een uitvoeringsmodaliteit van de hoofdovereenkomst uitmaakt. Deze rechtbank is het fundamenteel oneens met de stelling die op basis van het advies van procureur-generaal Krings werd ontwikkeld door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 10 november 1983 waarbij wordt gesteld dat door de bekrachtiging van de loonoverdracht de vrederechter een uitvoerbare titel verschaft. Volgens deze rechtbank is het zo dat bij de bekrachtiging van een loonoverdracht enkel een manier van tenuitvoerlegging wordt toegelaten en dat dit qua omvang moet gebeuren op basis van de uitvoerbare titel die wordt gehaald bij de behandeling van de zaak ten gronde. 3.
  10. In tegenstelling tot wat de (eiseres) uiteenzet moet de rechtbank erop wijzen dat de loonoverdracht werd aangezegd voordat de rechtbank van eerste aanleg vonniste zodat die loonoverdracht gevolgen blijft hebben. Ter verduidelijking : door de aanzegging van de loonoverdracht plaatst de schuldeiser zich in een gunstige rangorde ten opzichte van eventuele andere latere schuldeisers. Vandaar precies het grote belang dat de kredietverleners eraan hechten om, in vele gevallen al te snel, een dergelijke loonoverdracht aan te zeggen. 3.
  11. Vormelijk wordt de loonoverdracht niet betwist. Deze rechtbank kon dan ook niets anders dan, op grond van het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, de loonoverdracht te bevestigen voor de overeenkomstige som. Deze rechtbank kan, gezien gemeld kracht van gewijsde, de zaak niet meer ten gronde te beoordelen. Met andere woorden : wanneer de loonoverdracht conform de wet werd gevestigd dan moet die worden bekrachtigd ... De problematiek die (eiseres) voorbrengt behoort tot de tenuitvoerlegging van het vonnis en valt derhalve onder de bevoegdheid van de beslagrechter : wanneer de schuldenaar meent dat de tenuitvoerlegging datgene overtreft wat hij verschuldigd is dient hij/zij zich tot de beslagrechter te wenden (zie het verweer i.v.m. verjaring van interest)". Grieven De vrederechter waarbij een vordering tot bekrachtiging van een overdracht van loon aanhangig is, is overeenkomstig de artikelen 27 en 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers bevoegd om in laatste aanleg uitspraak te doen over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van de overdracht en van de hoofdschuldvordering. Zulks is met name het geval voor het contract van lening, hoofdverbintenis, en het contract van overdracht van loon, bijkomstige verbintenis, nu beide contracten nauw met elkaar verbonden zijn. De vrederechter is dan ook bevoegd om na te gaan of en in welke mate de schuldenaar in gebreke is gebleven en de omvang van zijn schuld te bepalen. De vrederechter stelt vast dat eiseres bij vonnis van 5 november 1986 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent veroordeeld werd tot betaling van een bedrag van 189.801 BEF, bestaande uit de reeds vervallen en nog niet vervallen termijnen van de leningsovereenkomst, te vermeerderen met de gerechtelijke interesten vanaf 18 september
  12. Eiseres voerde aan dat de interesten, tot betaling waarvan zij veroordeeld werd bij voormeld vonnis van 5 november 1986 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, verjaard waren met toepassing van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voor de periode tussen 18 september 1986 en 19 januari
  13. De vrederechter verwerpt dit verweer en overweegt dat bij de bekrachtiging van een loonoverdracht enkel een manier van tenuitvoerlegging wordt toegelaten en dat dit qua omvang moet gebeuren op basis van de uitvoerbare titel die wordt gehaald bij de behandeling van de zaak ten gronde. De vrederechter beslist dat de problematiek die eiseres aanvoert met betrekking tot de verjaring van de interesten behoort tot de tenuitvoerlegging van het vonnis en derhalve valt onder de bevoegdheid van de beslagrechter. Aldus weigert de vrederechter uitspraak te doen over de omvang van de schuldvordering van verweerster. Hieruit volgt dat de vrederechter, door te beslissen dat hij niet bevoegd is om uitspraak te doen over de omvang van de schuldvordering van verweerster, de artikelen 27 en 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers schendt. Voor zoveel als nodig schendt de vrederechter ook de artikelen 569, 5°, 1395, 1489 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek door te oordelen dat deze bepalingen eraan in de weg staan dat de vrederechter overeenkomstig de artikelen 27 en 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, uitspraak doet over alle tussen partijen bestaande en aan hem voorgelegde betwistingen in verband met het bestaan en de omvang van de schuldvordering.
  14. Derde middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 1382, 1383, 2244, en 2277 van het Burgerlijk Wetboek ; - de artikelen 792 en 806 van het Gerechtelijk Wetboek ; - artikel 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers ; - het algemeen rechtsbeginsel inzake misbruik van recht. Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis verklaart het door eiseres ingestelde verzet toelaatbaar, doch niet gegrond en bevestigt het vonnis van de vrederechter van het zevende kanton te Gent van 26 februari 1996, waarbij de vordering van de rechtsvoorgangster van verweerster tot bekrachtiging van de overdracht van het loon gegrond verklaard werd. Het bestreden vonnis verwerpt het verweer van eiseres dat verweerster procesrechtsmisbruik pleegde door na te laten het verstekvonnis van 26 februari 1996 te laten betekenen, waardoor verweerster kunstmatig de stuiting van de interesten die plaatsvond ingevolge de dagvaarding van 19 januari 1996, liet voortduren, en dat eiseres hierdoor schade leed ten belope van 67.481 BEF, op grond van de volgende motieven : "3.
  15. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat (eiseres) ten onrechte verwijst naar artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek : de schuldeiser hoeft het vonnis van bekrachtiging niet te betekenen nu toch de loonbeschermingswet (sic ) in artikel 31 een specifieke procedure bevat die erin bestaat dat het de griffier toekomt om binnen de vijf dagen, te rekenen vanaf het vonnis door een loutere kennisgeving aan de gecedeerde schuldenaar het middel ter beschikking stelt om uit te voeren door inhoudingen op het loon". Grieven Naar luid van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, vormen een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Wanneer een dagvaarding ingevolge dat artikel de verjaring stuit, duurt die stuiting, behoudens andersluidende bepaling, tijdens het gehele geding voort. Artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het verstekvonnis binnen een jaar betekend moet worden, anders wordt het als niet bestaande beschouwd. Deze regel betreft alleen het verstekvonnis zelf en laat de bij verstek gevoerde procedure bestaan. De zaak kan opnieuw ter zitting worden gebracht door een gewoon verzoek tot bepaling van een rechtsdag en zonder nieuwe dagvaarding. De oorspronkelijke dagvaarding voor het gerecht blijft derhalve bestaan, zodat ook de stuiting van de verjaring blijft voortduren. Eiseres voerde aan dat verweerster procesrechtsmisbruik pleegde door het verstekvonnis van 26 februari 1996 niet te hebben laten betekenen en aldus de stuiting van verjaring kunstmatig te hebben laten voortduren. Eiseres voerde aan dat zij hierdoor schade leed ten belope van 67.481 BEF en eiste dat er een gerechtelijke compensatie zou plaatsvinden tussen de vergoedingen verschuldigd door eiseres en de vergoeding wegens procesrechtsmisbruik, verschuldigd door verweerster. De vrederechter verwerpt dit verweer op grond van de overwegingen dat de schuldeiser het vonnis van bekrachtiging niet hoeft te betekenen nu toch de loonbeschermingswet in artikel 31 een specifieke procedure bevat die erin bestaat dat het de griffier toekomt om binnen de vijf dagen, te rekenen vanaf het vonnis door een loutere kennisgeving aan de gecedeerde schuldenaar het middel ter beschikking stelt om uit te voeren door inhoudingen op het loon. Aldus verantwoordt de vrederechter zijn beslissing niet naar recht. Artikel 31 van de wet van 12 april 1965 bevat een bijzondere bepaling op grond waarvan van het vonnis van de vrederechter kennis gegeven wordt aan de gedecedeerde schuldenaar. Deze bepaling bevat evenwel geen regels met betrekking tot de kennisgeving aan de overdrager. Derhalve gelden de algemene regels van het Gerechtelijk Wetboek en dient het verstekvonnis overeenkomstig artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek binnen een jaar betekend te worden, zoniet wordt het als niet bestaande beschouwd. Door te beslissen dat artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek te dezen niet van toepassing is en door op die grond het verweer van eiseres te verwerpen dat verweerster zich schuldig maakte aan procesrechtsmisbruik, schendt de vrederechter de artikelen 806 van het Gerechtelijk Wetboek, 31 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, 2244 en 2277 van het Burgerlijk Wetboek, en het algemeen rechtsbeginsel inzake het misbruik van (proces)recht, dat ondermeer zijn uitdrukking vindt in de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. In zoverre de vrederechter oordeelt dat de kennisgeving zoals bepaald in artikel 31 van de Loonbeschermingswet gekwalificeerd moet worden als een kennisgeving zoals vervat in artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek, of als een betekening in de zin van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, schendt de vrederechter de artikelen 31 van de Loonbeschermingswet, 792 en 806 van het Gerechtelijk Wetboek. De kennisgeving overeenkomstig artikel 31 van de Loonbeschermingswet is immers geen kennisgeving aan de partijen, maar wel aan de gecedeerde schuldenaar, die geen partij is in het geding. IV. Beslissing van het Hof
  16. Eerste middel Overwegende dat het bestreden vonnis niet beslist dat eiseres nog steeds gehouden is tot betaling van het maandelijks bedrag van 7.502 BEF; dat het middel, in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 23 tot 28 en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, feitelijke grondslag mist ; Overwegende dat het contract van loonoverdracht en het contract omtrent de hoofdverbintenis, waarvan de loonoverdracht de uitvoering waarborgt, nauw met elkaar verbonden zijn en de overdracht niet los staat van het basiscontract ; Overwegende dat de vrederechter zonder de grenzen van artikel 31 van de Loonbeschermingswet te overschrijden, in laatste aanleg uitspraak dient te doen over alle voor hem opgeworpen betwistingen betreffende de vorm en de grond van de overdracht en van de gewaarborgde schuldvordering ; Dat, wanneer ingevolge het verzet van de loonoverdrager tegen de voorgenomen uitvoering van de loonoverdracht, de vordering tot bekrachtiging van de overdracht door de overnemer wordt ingesteld nadat de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering reeds bij een rechterlijke beslissing werd vastgesteld, de vrederechter gebonden is door het gezag van gewijsde van die beslissing ; Dat de vrederechter in dit geval slechts dient te onderzoeken of de loonoverdracht aan de wettelijke bepalingen ter zake voldoet en of de schuldvordering, zoals die uit de rechterlijke beslissing blijkt, niet nadien geheel of gedeeltelijk is tenietgegaan ; Dat, anders dan het onderdeel aanvoert, het geschil over de bekrachtiging van de loonoverdracht ook nadat de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering reeds bij een rechterlijke beslissing werd vastgesteld, geen geschil betreft over de wettigheid of de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging van die rechterlijke beslissing ; Dat het middel in zoverre het schending aanvoert van de artikelen 569, 5°, 1395, 1489 en 1498 van het Gerechtelijk Wetboek, faalt naar recht ; Overwegende tenslotte dat de vrederechter in het bestreden vonnis oordeelt dat de loonoverdracht een uitvoeringsmodaliteit is van de hoofdverbintenis en dat, wanneer de loonoverdracht conform de wet is, hij door het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent van 5 november 1986 gebonden is en de loonoverdracht moet bekrachtigen tot beloop van de in dit vonnis uitgesproken veroordeling, rente inbegrepen ; Dat de vrederechter, door aldus de loonoverdracht te bekrachtigen, zonder na te gaan of de in de uitvoerbare titel vastgestelde schuldvordering die door de loonoverdracht is gewaarborgd, nog actueel is, de artikelen 27 en 31 van de Loonbeschermingswet schendt ; Dat het middel in zoverre gegrond is ;
  17. Tweede middel Overwegende dat, indien de door de loonoverdracht gewaarborgde schuldvordering is neergelegd in een uitvoerbare titel, de vrederechter bij wie de bekrachtiging van de loonoverdracht wordt gevorderd, niet mag raken aan de rechten van de partijen zoals die uit deze titel blijken; dat de vrederechter in dat geval niettemin bevoegd blijft om na te gaan of de in die titel vastgelegde schuldvordering, waarvan de betaling door middel van de loonoverdracht wordt nagestreefd, nog actueel is en onder meer inmiddels niet verjaard is ; Overwegende dat het bestreden vonnis het verweer van eiseres met betrekking tot de verjaring van de door verweerster gevorderde gerechtelijke interest verwerpt op grond dat de betwisting omtrent de gerechtelijke interest "behoort tot de tenuitvoerlegging van het vonnis en derhalve onder de bevoegdheid van de beslagrechter (valt)" ; Dat het bestreden vonnis, door aldus te oordelen, artikel 31 van de Loonbeschermingswet schendt ; Dat het middel gegrond is ;
  18. Derde middel Overwegende dat de ingevolge het tweede middel uit te spreken cassatie van het oordeel van het bestreden vonnis omtrent de gerechtelijke interest zich uitstrekt tot het oordeel omtrent het door eiseres aangevoerde procesrechtsmisbruik met betrekking tot deze interest ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre de vrederechter zich in beginsel bevoegd verklaart de loonoverdracht te bekrachtigen ; Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis ; Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Vrederechter van het Eerste Kanton te Gent. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters, de raadsheren Ghislain Dhaeyer, Ghislain Londers en Eric Dirix, en in openbare terechtzitting van zeven maart tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050307.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010119.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.