← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.3 Rolnummer: C.04.0364.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-03 13:06 Versie(s): Vertaling FR Fiche Geen voorafgaande en schriftelijke toestemming van het ruilverkavelingscomité is vereist voor het uitvoeren van werken die geen belemmering van de ruilverkavelingsverrichtingen uitmaken. Thesaurus CAS: RUILVERKAVELING VAN LANDEIGENDOM Vrije woorden: RUILVERKAVELING VAN LANDEIGENDOM Uitvoering van werken door eigenaar Geen belemmering van de ruilverkavelingsverrichtingen Ruilverkavelingscomité Toestemming Wettelijke bepalingen: Wet - 22-07-1970 - Art.68 Tekst van de beslissing Nr. C.04.0364.N RUILVERKAVELINGSCOMITE KOLMONT, opgericht bij het ministerieel besluit van 20 juli 1988, met zetel gevestigd te 3500 Hasselt, Koningin Astridlaan 10, eiser, vertegenwoordigd door Mr. Adolf Houtekier, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 2800 Mechelen, Battelsesteenweg 95, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan, tegen M.O., verweerder, vertegenwoordigd door Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen, op 2 december 2002 en 9 februari 2004 in hoger beroep gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Tongeren. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Ernest Waûters heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd. III. Cassatiemiddelen Eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

  1. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen artikel 149 van de Grondwet ; de artikelen 19, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek ; artikel 25,,§1, vijfde lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet ; Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis van 9 februari 2004 veroordeelt eiser om aan verweerder een schadevergoeding te betalen van 11.161,65 euro op de volgende gronden uit het bestreden vonnis van 2 december 2002: "Verweerder dient te bewijzen dat hij schade heeft geleden, in casu een genotsderving. Hij stelt dienaangaande dat hij fruitteler is, dat al zijn percelen met fruitbomen beplant zijn, dat hij van plan was in de winter van 1997-1998 fruitbomen op het kwestieuze perceel te planten, en dat hij tengevolge van de wateroverlast één jaar heeft moeten wachten en dus één jaar oogst heeft verloren. In zijn definitief deskundig verslag schrijft de deskundige dat verweerder zeker de intentie had het perceel met fruitbomen te beplanten omdat zijn bedrijf uitsluitend afgestemd is en uitgerust is op fruitteelt. In zijn aangetekende brief aan eiser van 1 april 1998 stelt verweerder dat het perceel bestemd was om met 'fruitbomen beplant te worden'. Om voor vergoeding in aanmerking te komen moet de schade zeker bestaan , d.w.z. ze moet vaststaan en niet gesteund zijn op loutere veronderstellingen. Het vereiste van 'zekere schade' kan in menig geval (o.a. bewijs-) problemen opwerpen. Om het slachtoffer dan toch tegemoet te komen, wordt, enerzijds, aangenomen dat ook het verlies van een kans een zekere schade kan uitmaken en, anderzijds, dat bij de begroting van de schadeomvang wel eens genoegen kan worden genomen met een begroting naar billijkheid of 'ex aequo et bono' (...) De rechtbank is van oordeel dat in de huidige stand van het geding de door verweerder voorgehouden schade niet met voldoening van recht bewezen wordt. In zijn conclusie neergelegd ter zitting van 4 november 2002, vordert verweerder in ondergeschikte orde de machtiging om te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat : 'hij één jaar te laat zijn laagstamaanplanting heeft kunnen aanplanten gezien de aanwezige wateroverlast'. Het komt de rechtbank gepast voor verweerder te machtigen te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat hij het voornemen had om in de winter van 1997-1998 fruitbomen te planten op het perceel gelegen te K., vierde afdeling, sectie C, nr. 464 A, groot 2 hectaren 13 aren 83 centiaren, en dat hij zijn voornemen niet heeft kunnen uitvoeren ten gevolge van de wateroverlast op het perceel en op de volgende gronden uit het bestreden vonnis van 9 februari 2004 : Het ruilverkavelingscomité stelt dat het begrip 'ruilverkavelingsverrichtingen' dermate ruim dient geïnterpreteerd, dat het alle mogelijke handelingen tot de definitieve toewijzing van de percelen omvat en dat het niet volledig uitgesloten was dat het perceel finaal aan een andere landbouwer kon toegewezen worden. De fruitteler antwoordt hierop terecht dat niets erop wees dat zijn perceel dat grenst aan zijn eigendommen die met zijn landbouwbedrijf een geheel vormen, aan een andere landbouwer zou toegewezen worden, zodat dit verweermiddel faalt. Landbouwkundig ingenieur Theo T. had de schade door de gebruiksderving van het perceel dat het voorwerp vormt van het beperkt hoger beroep geraamd op 11.161,65 euro. Over de omvang van de schade als dusdanig bestaat nooit betwisting. Grieven 1.
  2. Eerste onderdeel In het bestreden vonnis van 2 december 2002 oordeelden de appèlrechters dat in de huidige stand van het geding de door verweerder voorgehouden schade niet met voldoening van recht bewezen wordt en werd verweerder door de appèlrechters gemachtigd te bewijzen door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat hij het voornemen had om in de winter van 1997-1998 fruitbomen te planten op het perceel gelegen te K., vierde afdeling, sectie C, nr. 464 A, groot 2 hectaren 13 aren 83 centiaren

(1)en dat hij zijn voornemen niet heeft kunnen uitvoeren ten gevolge van de wateroverlast op het perceel.
(2)De appèlrechters beslisten aldus in het vonnis van 2 december 2002 dat de door verweerder voorgehouden schade niet bewezen is tenzij verweerder het bewijs levert dat hij het voornemen had om in de winter van 1997-1998 fruitbomen te planten op het kwestieuze perceel
(1)en dat hij dit voornemen niet heeft kunnen uitvoeren ten gevolge van de wateroverlast op het perceel.
(2)De appèlrechters hadden aldus hun rechtsmacht uitgeput om de door verweerder voorgehouden schade bewezen te verklaren zonder dat door verweerder het bewijs geleverd werd van de feiten zoals omschreven in hun vonnis van 2 december 2002. Door in hun vonnis van 9 februari 2004 de door verweerder voorgehouden schade toe te kennen omdat de omvang van de schade ingevolge de gebruiksderving van het kwestieuze perceel door gerechtsdeskundige T. geraamd werd op 11.161,65 euro, hebben de appèlrechters met overschrijding van hun rechtsmacht opnieuw en anders uitspraak gedaan over hetzelfde geschilpunt vermits de door verweerder voorgehouden schade aldus als bewezen aanvaard werd zonder dat verweerder het bewijs geleverd had van zijn voornemen om in de winter van 1997-1998 fruitbomen te planten op dit perceel
(1)en zonder dat hij het bewijs geleverd had van het feit dat hij dit voornemen niet heeft kunnen uitvoeren tengevolge van wateroverlast
(2)(schending van artikel 19, eerste lid, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek). 1.
  1. Tweede onderdeel In zijn beroepsbesluiten hield eiser uitdrukkelijk staande dat volgens het artikel 25,,§1, vijfde lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, alleen vergoeding verschuldigd is wegens schade aan de gewassen of wanneer de werken hinderlijk zijn voor het genot van de gronden, dat de term "wanneer de werken hinderlijk zijn voor het genot erop" duidt dat alleen de genotshinder bij het uitvoeren van de werken wordt bedoeld en dat toekomstige genotsstoornissen van de specifieke vergoeding uitgesloten zijn zodat de gebruiksderving voor het niet kunnen beplanten van het kwestieus perceel, niet voor vergoeding in aanmerking komt in het kader van artikel 25,,§1, vijfde lid, van de wet van 22 juli 1970 (zie de beroepsbesluiten van eiser, neergelegd vóór het deskundig verslag, p. 10). De appèlrechters hebben op deze specifieke en gemotiveerde besluiten niet geantwoord (schending van artikel 149 van de Grondwet). Zonder te antwoorden op deze besluiten over de schade die krachtens artikel 25,,§1, vijfde lid, voor vergoeding in aanmerking komt, konden de appèlrechters het bestreden vonnis van 9 februari 2004 evenmin wettelijk rechtvaardigen (schending van artikel 25,,§1, vijfde lid, van de wet van 22 juli 1970).
  2. Tweede middel Geschonden wetsbepalingen de artikelen 25,,§1, vijfde lid, en 68 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet ; de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek ; Aangevochten beslissing Het bestreden vonnis van 9 februari 2004 veroordeelt eiser om aan verweerder een schadevergoeding te betalen van 11.161,65 euro op de volgende gronden uit het bestreden vonnis van 2 december 2002 : "Uit een letterlijke lezing van artikel 68 van de Ruilverkavelingwet kan niet worden afgeleid of voor 'bouwwerken, aanplanting van bomen, plaatsing van afsluitingen of wijzigingen van de waterhuishouding, aanleg en exploitatie van zandgroeven, steengroeven, graverijen en steenbakkerijen, profiel- of reliëfwijziging' steeds in alle omstandigheden een voorafgaande en schriftelijke toestemming van het ruilverkavelingcomité vereist is, dan wel of voor deze werkzaamheden enkel een voorafgaande en schriftelijke toestemming vereist is wanneer zij 'het landschap of de bestemming of plaatsgesteldheid zodanig wijzigen dat zij de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren' : Uit de Ruilverkavelingwet in het algemeen en uit artikel 68 van de wet in het bijzonder, kan niet worden afgeleid dat de beoordeling van de mogelijke belemmering van de werkzaamheden niet bij de individuele eigenaar of gebruiker ligt, maar wel bij het ruilverkavelingscomité en dat hierin precies de reden ligt van de noodzaak van het vragen van de toelating. Artikel 68 van de Ruilverkavelingswet is in de Ruilverkavelingswet ingevoegd bij wet van 11 augustus
  3. De volgende passage in de parlementaire voorbereidingen van deze wet is in onderhavige zaak relevant (Kamer, zitting 1977-1978, nr. 88/7 p. 12): 'Artikel 68 : De Heer V. gaat wel akkoord met het beginsel dat de eigenaars of de verbruikers geen werken meer mogen uitvoeren die de ruilverkavelingsverrichtingen zouden belemmeren, maar meent dat de wetgever op een gedetailleerde wijze ingrijpt. Volgens hem is de plaatsing van afsluitingen noodzakelijk in de landbouwbedrijfsvoering. De vermelding terzake moet dan ook worden weggelaten. Dit is het doel van het door hem ingediende amendement. De minister verduidelijkt dat de toelating van het ruilverkavelingscomité voor werken slechts nodig is voorzover deze werken de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren. Het plaatsen van afsluitingen zal meestal niet hinderlijk zijn, behalve wanneer het gaat om bijvoorbeeld betonafsluitingen of andere vaste en moeilijk verplaatsbare afsluitingen.' Hieruit volgt dat de wetgever de bedoeling had dat voor de in artikel 68 achter het woordje 'zoals' beschreven werkzaamheden, slechts een voorafgaande en schriftelijke toestemming van het ruilverkavelingscomité vereist zou zijn indien deze werkzaamheden de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren. Eiser stelt dus ten onrechte dat het planten van bomen zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming verboden is, en dat er een wettelijk vermoeden bestaat dat de aanplanting van bomen een belemmerende activiteit vormt. De rechtbank beschikt over onvoldoende inlichtingen om in de huidige stand van het geding in concreto uit te maken of het planten van fruitbomen op het kwestieus perceel de ruilverkavelingsverrichtingen van eiser zou belemmerd hebben. De rechtbank acht het gepast om aan de deskundige T. de bijkomende opdracht te verlenen te adviseren of het planten van fruitbomen in de winter van 1997-1998 op het perceel gelegen te K., vierde afdeling, sectie C, nr. 464 A, groot 2 hectaren 13 aren 83 centiaren, van aard was om het landschap of de bestemming of plaatsgesteldheid zodanig te wijzigen dat zij de ruilverkavelingsverrichtingen van eiser zouden belemmeren en op de volgende gronden uit het bes treden vonnis van 9 februari 2004 : Het stelt dat het begrip 'ruilverkavelingsverrichtingen' dermate ruim dient geïnterpreteerd dat het alle mogelijke handelingen tot de definitieve toewijzing van de percelen omvat en dat het niet volledig uitgesloten was dat het perceel finaal aan een andere landbouwer kon toegewezen worden. De fruitteler antwoordt hierop terecht dat niets erop wees dat zijn perceel dat grenst aan zijn eigendommen die met zijn landbouwbedrijf een geheel vormen, aan een andere landbouwer zou toegewezen worden, zodat dit verweermiddel faalt. Landbouwkundig ingenieur T. had de schade door de gebruiksderving van het perceel dat het voorwerp vormt van het beperkt hoger beroep geraamd op 11.161,65 euro. Over de omvang van de schade als dusdanig bestaat nooit betwisting. Grieven 1.
  4. Eerste onderdeel Zodra het ruilverkavelingscomité is opgericht en totdat de aanvullende ruilverkavelingsakte is verleden, mogen de eigenaars, vruchtgebruikers of gebruikers krachtens artikel 68, eerste lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet geen werken uitvoeren die het landschap of de bestemming of plaatsgesteldheid zodanig wijzigen dat zij de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren, zoals onder meer aanplanting van bomen, zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van het ruilverkavelingscomité. Volgens artikel 68, tweede lid, van de wet van 22 juli 1970 geeft de weigering van deze toestemming geen recht op vergoeding behoudens het geval waarin de werken op regelmatige wijze reeds waren begonnen. Deze bepalingen willen voorkomen dat de uitvoering en het normale verloop van de ruilverkaveling verhinderd of bemoeilijkt zou worden door wijzigingen van het landschap of van de bodembestemming die niet overeenstemmen met de inzichten en plannen van het ruilverkavelingscomité. De beoordeling van de mogelijke belemmering van de ruilverkavelingsverrichtingen komt derhalve toe aan het ruilverkavelingscomité vermits de wettelijk vereiste voorafgaande en schriftelijke toestemming van dit comité anders geen zin heeft. Deze toestemming blijft derhalve wettelijk vereist ook al zouden de eigenaars of gebruikers van mening zijn dat de ruilverkavelingsverrichtingen niet belemmerd worden door hun voornemen om bomen aan te planten. De appèlrechters hebben in het bestreden vonnis van 2 december 2002 dan ook ten onrechte beslist dat uit artikel 68 van de wet van 22 juli 1970 niet kan worden afgeleid dat de beoordeling van de mogelijke belemmering van de werkzaamheden niet bij de individuele eigenaar of gebruiker ligt zodat de voorafgaande en schriftelijke toestemming van het ruilverkavelingscomité slechts vereist is indien de werkzaamheden de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren en dat het planten van bomen zonder die toestemming anders niet verboden is (schending van artikel 68 van de wet van 22 juli 1970). De appèlrechters hebben op die gronden dan ook ten onrechte in het bestreden vonnis van 9 februari 2004 aan verweerder vergoeding toegekend omdat hij zijn voornemen om bomen aan te planten niet heeft kunnen uitvoeren ten gevolge van wateroverlast zonder dat hij de wettelijk vereiste voorafgaande en schriftelijke toestemming gevraagd of gekregen had (schending van de artikelen 25,,§1, vijfde lid, en 68 van de wet van 22 juli 1970, 1382 en 1383, van het Burgerlijk Wetboek). 1.
  5. Tweede onderdeel Zodra het ruilverkavelingscomité is opgericht en totdat de aanvullende ruilverkavelingsakte is verleden, mogen de eigenaars, vruchtgebruikers of gebruikers krachtens artikel 68, eerste lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet geen werken uitvoeren die het landschap of de bestemming of plaatsgesteldheid zodanig wijzigen dat zij de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren, zoals ondermeer aanplanting van bomen, zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van het ruilverkavelingscomité. Volgens artikel 68, tweede lid, van de wet van 22 juli 1970 geeft de weigering van deze toestemming geen recht op vergoeding behoudens het geval waarin de werken op regelmatige wijze reeds waren begonnen. De eigenaars, vruchtgebruikers of gebruikers hebben derhalve geen recht op vergoeding lastens het ruilverkavelingscomité wanneer zij geen voorafgaande en schriftelijke toestemming aan dit comité hebben gevraagd voor de aanplanting van bomen en wanneer zij de voorgenomen aanplanting niet kunnen uitvoeren wegens wateroverlast. De weigering van de voorafgaande en schriftelijke toestemming geeft immers geen recht op vergoeding zodat de eigenaars, vruchtgebruikers of gebruikers die deze toestemming niet hebben gevraagd evenmin recht hebben op vergoeding vermits anders meer rechten werden toegekend aan hen die de vereiste toestemming niet hebben gevraagd dan aan hen die dit wel deden maar die geen toestemming kregen. De appèlrechters hebben dan ook ten onrechte aan verweerder vergoeding toegekend omdat hij zijn voornemen om bomen aan te planten niet heeft kunnen uitvoeren ten gevolge van wateroverlast zonder dat verweerder de wettelijk vereiste voorafgaande en schriftelijke toestemming gevraagd of gekregen had (schending van de artikelen 25,,§1, vijfde lid, en 68 van de wet van 22 juli 1970, 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek). IV. Beslissing van het Hof
  6. Eerste middel 1.
  7. Eerste onderdeel Overwegende dat het bestreden tussenvonnis van 2 december 2002 beslist dat "in de huidige stand van het geding de door (verweerder) voorgehouden schade niet met voldoening van recht bewezen wordt" en verweerder machtigt het bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat hij het voornemen had om in de winter van 1997-1998 op het bedoelde perceel fruitbomen te planten; dat dit vonnis ook de aangestelde deskundige opdracht gaf een aanvullend onderzoek te verrichten, bijzonder erop gericht te onderzoeken of het planten van fruitbomen in de winter 1997-1998 de ruilverkavelingsverrichtingen zou hebben belemmerd ; Overwegende dat het bestreden eindvonnis van 9 februari 2004 te kennen geeft dat het de gegevens van dit aanvullend verslag aanneemt en op grond hiervan beslist dat het planten op het bedoeld perceel van fruitbomen in de winter 1997-1998 de ruilverkavelingsverrichtingen niet zou hebben verhinderd en dat verweerder in het kader van zijn fruitteeltbedrijf logisch het perceel voor fruitboomplanting zou gebruiken ; Dat het bestreden eindvonnis van 9 februari 2004 dienvolgens mede op grond van bijkomende gegevens van het van na het tussenvonnis daterend aanvullend verslag van de deskundige oordeelt dat het bewijs geleverd is dat verweerder schade heeft geleden door gebruiksderving van het bedoelde perceel ; Dat het onderdeel feitelijke grondslag mist ; 1.
  8. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel is gericht tegen het bestreden eindvonnis van 9 februari 2004 ; Overwegende dat eiser concludeerde zoals in het onderdeel is weergegeven ; Dat het bestreden eindvonnis dit verweer niet beantwoordt ; Dat het onderdeel gegrond is ;
  9. Tweede middel 2.
  10. Eerste onderdeel Overwegende dat, krachtens artikel 68, eerste lid, van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet, zodra het ruilverkavelingscomité is opgericht en totdat de aanvullende ruilverkavelingsakte is verleden, de eigenaars, vruchtgebruikers of gebruikers geen werken mogen uitvoeren die het landschap of de bestemming of plaatsgesteldheid zodanig wijzigen dat zij de ruilverkavelingsverrichtingen belemmeren, zoals bouwwerken, aanplanting van bomen, plaatsing van afsluitingen of wijzigingen van de waterhuishouding, aanleg en exploitatie van zandgroeven, steengroeven, graverijen en steenbakkerijen, profiel en reliëfwijziging, zonder voorafgaande en schriftelijke toestemming van het ruilverkavelingscomité ; Dat, krachtens het tweede lid van dit artikel, behoudens het geval waarin de werken op regelmatige wijze reeds waren begonnen, de weigering van deze toestemming geen recht geeft op vergoeding ; Dat uit die bepalingen volgt dat alleen dan voor de uitvoering van werken aan het ruilverkavelingscomité toestemming moet worden gevraagd, wanneer die werken de ruilverkavelingswerken belemmeren ; Dat het onderdeel dat ervan uitgaat dat om toestemming te moeten vragen voor de uitvoering van die werken, het niet vereist is dat zij een belemmering uitmaken voor de ruilverkavelingverrichtingen, faalt naar recht ; 2.
  11. Tweede onderdeel Overwegende dat het onderdeel volledig ervan uitgaat dat voor de uitgevoerde werken voorafgaande toestemming diende te worden gevraagd of verleend ; Dat het bestreden tussenvonnis van 2 december 2002, op dit punt door het eerste onderdeel van het middel tevergeefs bestreden, oordeelt dat geen voorafgaande schriftelijke toestemming diende te worden gevraagd of verleend; Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen ; HET HOF, OM DIE REDENEN, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden vonnis van 9 februari 2004 behalve in zoverre dit oordeelt dat te dezen geen toestemming van het ruilverkavelingscomité aan verweerder diende te worden verleend omdat de werken de ruilverkavelings-verrichtingen niet zouden hebben belemmerd ; Verwerpt het cassatieberoep voor het overige ; Veroordeelt eiser in de helft van de kosten ; Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over ; Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, zitting houdende in hoger beroep. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door de afdelingsvoorzitters Robert Boes en Ernest Waûters en raadsheer Greta Bourgeois, en in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van afgevaardigd adjunct-griffier Johan Pafenols. PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.