← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.5 Rolnummer: F.04.0014.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 182 - laatst gezien 2026-07-03 13:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het Hof van Cassatie is niet ertoe gehouden het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen wanneer het middel, dat niet tegen het bestreden arrest opkomt, niet ontvankelijk is wegens een aan de rechtspleging voor het Hof eigen reden

(1).
(1)Art. 26, ,§ 2, tweede lid, Bijzondere Wet Arbitragehof bepaalt dat het rechtscollege niet ertoe gehouden is een prejudiciële vraag te stellen wanneer de zaak niet ontvankelijk is wegens redenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudicieel geschil Verplichting voor het Hof van cassatie Beperkingen Cassatiemiddel Ontvankelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§1,3° Tekst van de beslissing Nr. F.04.0014.F.-
  1. L. C. en
  2. R. M. , Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 28 november 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Luik. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. III. Middelen De eisers voeren in hun verzoekschrift twee middelen aan.
  3. Eerste middel Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet ; - de artikelen 279 en 282 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 26 februari 1964, het eerste gewijzigd bij de wetten van 30 mei 1972 en 16 maart 1976, zoals ze golden vóór hun opheffing bij het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bevestigd bij de wet van 12 juni 1992 ; - de artikelen 378 en 381 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 10 april 1992 en bevestigd bij de wet van 12 juni 1992, zoals ze golden vóór de opheffing ervan bij de wet van 15 maart 1999 ; waarbij de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)van toepassing zijn op de aanslagen voor het aanslagjaar 1991 en de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing zijn op de aanslagen voor het aanslagjaar 1992. Aangevochten beslissingen Het arrest beslist dat de bezwaren geformuleerd in de conclusie die de eisers hebben neergelegd buiten de termijn gesteld in de artikelen 279 en 282 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)(378 en 381 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) niet ontvankelijk zijn, en zulks om de volgende redenen : "(eiser) komt tevergeefs op tegen de aanslagprocedure door buiten de wettelijke termijn nieuwe bezwaren aan te voeren (schending van artikel 251 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)inzake wijzigingsberichten - 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - geen wijzigingsbericht voor de verliezen m.b.t. de vorige aanslagjaren, schending van artikel 256 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)procedure van ambtshalve aanslag - artikel 351 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, schending van artikel 257 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)- artikel 352 van het Wetboek van de inkomsten-belastingen 1992) ; die bezwaren, geformuleerd in een conclusie die neergelegd is buiten de termijn gesteld in de artikelen 279 en 282 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)(378 en 381 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) zijn bijgevolg niet ontvankelijk". Grieven Artikel 279 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)en artikel 378 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ze respectievelijk van toepassing waren voor het aanslagjaar 1991 en voor het aanslagjaar 1992, bepalen dat nieuwe bezwaren mogen worden geformuleerd ofwel in de voorziening, ofwel in een geschrift dat aan het hof van beroep wordt afgeven en dit op straf van verval, binnen de termijn, respectievelijk gesteld in artikel 282 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)en in artikel 381 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, namelijk binnen zestig dagen na neerlegging van de uitgifte en van de stukken bedoeld in de artikelen 381 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)en 380 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, door de directeur der belastingen. Die bepalingen, in zoverre ze, voor de belastingplichtige, de mogelijkheid beperken om voor het hof van beroep (bezwaren) aan te voeren, na de termijn van zestig dagen na neerlegging door de directeur van de belastingen van de uitgifte en van de stukken bedoeld in artikel 281 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)en in artikel 380 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en dit op straf van verval, voeren ten nadele van de rechtzoekenden die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure in belastingzaken, die valt onder de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
(1964)en 1992, dat laatste vóór de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999, een discriminatie ten aanzien van de rechtzoekenden die betrokken zijn in een gerechtelijke procedure die onder het Gerechtelijk Wetboek valt, en die niet door een dergelijk verval worden getroffen. Die discriminatie valt niet redelijkerwijs te verantwoorden door de objectieve verschillen tussen de twee categorieën rechtzoekenden en staat redelijkerwijs niet in verhouding tot het beoogde doel. Die wettelijke bepalingen schenden bijgevolg de artikelen 10 en 11 en voor zoveel als nodig artikel 172 van de Grondwet. Bijgevolg voeren de eisers de eerste prejudiciële vraag aan die verwoord is in de slotsom van het verzoekschrift en die, overeenkomstig artikel 26, ,§ 2, van de bijzondere wet van 5 januari 1989, gewijzigd bij de wet van 9 maart 2003, aan het Arbitragehof moet worden gesteld. Na antwoord van het Arbitragehof op die prejudiciële vraag zal het middel bijgevolg gegrond verklaard kunnen worden. IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste middel Overwegende dat het middel, dat niet tegen het arrest opkomt, niet ontvankelijk is ; En overwegende dat het middel niet ontvankelijk is wegens een aan de rechtspleging voor het Hof eigen reden, zodat de door de eisers voorgestelde prejudiciële vraag niet aan het Arbitragehof hoeft te worden gesteld ; OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt de eisers in de kosten. Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Daniel Plas en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.