← België

ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.6 Rolnummer: F.04.0020.F Kamer: 1F - première chambre Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2006-02-06 Raadplegingen: 175 - laatst gezien 2026-07-03 13:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer een cassatiemiddel aanvoert dat art. 18, 3°, W.I.B. 1992, gewijzigd bij de W. 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, en art. 47, ,§ 6, van die wet, het beginsel van gelijkheid voor de wet en voor de belastingen miskennen dat is vastgelegd in de artt. 10, 11 en 172 Gw., doordat het de naamloze vennootschappen die interesten hebben betaald tussen 27 maart 1992 en 28 juli 1992 en de vennootschappen die dergelijke interesten hebben betaald na 28 juli 1992, identiek behandelt, aangezien alleen de laatstgenoemden de fiscale gevolgen van hun stortingen konden voorzien, moet het Hof van Cassatie, in de regel, een prejudiciële vraag hieromtrent stellen

(1).
(1)De bijzonderheid van deze zaak bestaat erin dat eiseres betoogt dat de miskenning van het beginsel van gelijkheid voor de wet en voor de belasting, dat is vastgelegd in de artt. 10, 11 en 172 Gw., het gevolg is van een identieke fiscale behandeling van twee categorieën van belastingplichtigen die zich in een volstrekt verschillende situatie bevinden welke geenszins objectief en redelijk verantwoord kan worden. Hoewel het Hof niet bevoegd is om de verantwoording van de aangevoerde discriminatie te onderzoeken, is het Hof daarentegen wel verplicht na te gaan of het middel een vraag opwerpt die beantwoordt aan de vereisten van art. 26, ,§ 1, 3°, en ,§ 2, Bijzondere Wet Arbitragehof. In zoverre het Arbitragehof oordeelt dat de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie tevens verhinderen dat categorieën van personen identiek worden behandeld hoewel zij zich in situaties bevinden die, gelet op de onderzochte maatregel, wezenlijk verschillend zijn (Arbh., 30 jan. 2002, nr. 27/2002, 25 nov. 1999, nr. 124/99, 10 juni 1998, nr. 65/98, 4 april 1995, nr. 32/95), moet het Hof een prejudiciële vraag stellen die voldoet aan het vereiste van voormeld art. 26. Dat is te dezen het geval. Het dient te worden opgemerkt dat het Hof wel vertrouwd is met prejudiciële vragen die discriminaties aanvoeren tussen personen of categorieën van personen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, maar dat niet is met het tegenovergestelde uitgangspunt, d.w.z. een vraag die, zoals te dezen, betrekking heeft op een discriminerende behandeling van personen of categorieën van personen die zich, gelet op de onderzochte maatregel, in wezenlijk verschillende situaties bevinden. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: ARBITRAGEHOF Prejudicieel geschil Verplichting voor het Hof van cassatie Cassatiemiddel Naamloze vennootschappen in verschillende situaties Identieke fiscale behandeling Ongelijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 06-01-1989 - Art.26,§1,3° Tekst van de beslissing Nr. F.04.0020.F.- HESBYFRUIT, naamloze vennootschap in vereffening, Mr. Daniel Garabedian, advocaat bij de balie te Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, dat op 23 januari 2004 is gewezen door het Hof van Beroep te Luik. II. Rechtspleging voor het Hof Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. III. Middelen Eiseres voert in haar verzoekschrift volgend middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Na in substantie te hebben vastgesteld dat : 1) het geschil betrekking heeft op een aanslag in de roerende voorheffing en op een aanslag in de vennootschapsbelasting, beide voor het aanslagjaar 1992 ; 2) eiseres op 31 maart 1992 één van haar bestuurders een interest heeft toegekend voor een bedrag van 1.800.000 frank ; 3) de litigieuze aanslagen het gevolg zijn van de herkwalificatie van die interest in dividenden voor een bedrag van 1.674.158 frank, met toepassing van artikel 18, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals het is gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, die krachtens artikel 47, ,§ 6, van dezelfde wet van toepassing is op de interest die betaald of toegekend is vanaf 27 maart 1992, verklaart het arrest eisers hoger beroep gedeeltelijk niet-gegrond en beslist het aldus dat artikel 18, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals het is gewijzigd bij voormeld artikel 1 van de wet van 28 juli 1992, van toepassing is op de litigieuze interest die is toegekend op 31 maart 1992. Het arrest grondt zijn beslissing met name op de volgende gronden : " door te bepalen dat het litigieuze artikel van toepassing is op de interest op voorschotten die zijn betaald of toegekend vanaf 27 maart 1992, en door dus voor de inwerkingtreding van de wet rekening te houden met een datum en niet met een aanslagjaar, heeft de wetgever ... elke discriminatie vermeden en alle vennootschappen die op dezelfde datum inkomsten hebben toegekend, op gelijke voet behandeld. Zodoende was de wet, ongeacht de datum van afsluiting van het boekjaar, van toepassing op alle inkomsten die waren toegekend tussen 27 maart en 28 juli 1992, al dienden sommigen daar de prijs van de terugwerkende kracht voor te betalen, wat volkomen verantwoord is, gelet op het beoogde doel, dat er net in bestaat elke discriminatie te vermijden". Grieven Artikel 18, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals het is gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen en vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, ,§ 1, en 3, ,§ 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, herkwalificeert in dividenden de interest die een vennootschap betaalt of toekent aan één van haar bestuurders of werkende vennoten, wanneer zij bepaalde grenzen overschrijden. Die bepaling is krachtens artikel 47, ,§ 6, van de voormelde wet van 28 juli 1992, van toepassing op de interest die betaald of toegekend zijn vanaf 27 maart 1992. Wanneer interest die tussen 27 maart 1992 en 28 juli 1992 is betaald of toegekend, krachtens die bepalingen gekwalificeerd moeten worden in dividenden, dan heeft dat met name deze gevolgen : (
  1. i)ten eerste, dat het percentage van de roerende voorheffing die de betrokken vennootschappen op de interest hadden moeten inhouden, in beginsel 25 pct. in plaats van 10 pct. bedraagt ; (
  2. ii)ten tweede, dat die interest, voor de toepassing van de vennootschapsbelasting, niet meer afgetrokken kan worden van de winst die deze vennootschappen heeft gemaakt ; (iii) ten slotte, dat de toekenning van die bedragen, gekwalificeerd als dividenden, kunnen leiden tot de niet-toepassing van de verlaagde tarieven op de vennootschapsbelasting. In zoverre de artikelen 1 en 47, ,§ 6, van de wet van 28 juli 1992 bepalen dat de interest die tussen 27 maart 1992 en 28 juli 1992 is betaald of uitgekeerd, herkwalificeerd wordt in dividenden, geven ze aanleiding tot een discriminatie die verboden is door de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Die bepalingen voorzien immers in een gelijke behandeling van de vennootschappen die de in die bepalingen bedoelde interest hebben toegekend tussen 27 maart en 28 juli 1992, enerzijds, en die welke dergelijke interest hebben toegekend na 28 juli 1992, anderzijds. Beide categorieën van vennootschappen verkeren evenwel in volstrekt andere situaties ten aanzien van de betrokken maatregel : op het ogenblik van de toekenning van de interest konden de vennootschappen uit de eerste categorie niet weten dat de interest door de fiscus herkwalificeerd zouden worden in dividenden, terwijl de personen uit de tweede categorie de fiscale gevolgen van hun handelingen konden voorzien. Bijgevolg worden de vennootschappen uit de eerste categorie aangetast in hun gewettigd belang om de rechtsgevolgen van hun handelingen te kunnen voorzien, terwijl dat belang in het geval van de vennootschappen uit de tweede categorie geëerbiedigd wordt. Die discriminatie kan niet worden verantwoord op een wijze die verenigbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, waarin de grondwettelijke beginselen van gelijkheid voor de wet en de belastingen zijn vastgelegd. Uit het voorgaande volgt dat het arrest, door te beslissen dat artikel 18, 3°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals het gewijzigd is bij de voormelde wet van 28 juli 1992, van toepassing was op de interest die eiseres heeft toegekend op 31 maart 1992, de in de aanhef van het middel bedoelde bepalingen schendt. IV. Beslissing van het Hof Overwegende dat artikel 18, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, de interest van voorschotten die een vennoot of bestuurder aan een vennootschap heeft gestort, gelijkstelt met dividenden onder de in die tekst gepreciseerde voorwaarden ; Dat de nieuwe bepaling van artikel 18, 3°, krachtens artikel 47, ,§ 6, van die wet van 28 juli 1992, van toepassing is op de voorschotten die betaald of toegekend zijn vanaf 27 maart 1992 ; Overwegende dat eiseres, die op 31 maart 1992 aan één van de bestuurders een bedrag van 1.800.000 BEF aan interest op een door hem toegekend voorschot heeft gestort, betoogt dat de voormelde wettelijke bepalingen de beginselen van gelijkheid voor de wet en voor de belastingen, vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, miskent, doordat zij de vennootschappen die interest hebben betaald tussen 27 maart 1992 en 28 juli 1992 en de vennootschappen die dergelijke interest na 28 juli 1992 hebben betaald, identiek behandelt, aangezien alleen de laatstgenoemde vennootschappen de fiscale gevolgen van hun stortingen konden voorzien ; Dat aan het Arbitragehof de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag moet worden gesteld ; OM DIE REDENEN, HET HOF Houdt de uitspraak aan totdat het Arbitragehof geantwoord zal hebben op de volgende prejudiciële vraag : Schenden artikel 47, ,§ 6, van de wet van 28 juli 1992 en artikel 18, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het is gewijzigd bij artikel 1 van de wet van 28 juli 1992 en vóór de wijziging ervan bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 houdende diverse fiscale maatregelen, met toepassing van de artikelen 2, ,§ 1, 3, ,§ 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre ze de volgende categorieën van personen identiek behandelen : (
  3. i)de naamloze vennootschappen die interest aan één van hun bestuurders hebben toegekend tussen 27 maart 1992 en 28 juli 1992 en (
  4. ii)de naamloze vennootschappen die dergelijke interest hebben toegekend na de laatstgenoemde datum ? Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, de raadsheren Christian Storck, Didier Batselé, Daniel Plas en Benoît Dejemeppe, en in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Edward Forrier en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De afdelingsvoorzitter, PDF document ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050310.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.